Greppeldwergen stonden op heel Krynn bekend als onverbeterlijke lafaards waaraan je in een gevecht helemaal niets had. Maar wanneer ze in een hoek werden gedreven, konden ze vechten als hondsdolle ratten.
Boepoe hield op met aan Caramons enkel knagen. ‘Glupsluts!’ krijste ze woedend, en ze zette haar tanden in de geschubde huid van het been van de dracoon.
Veel tanden had Boepoe niet, maar de paar die ze had waren vlijmscherp, en ze beet in het groene vlees van de dracoon met een gretigheid die voortkwam uit het feit dat ze die avond niet veel had gegeten.
De dracoon slaakte een oorverdovende kreet. Hij hief zijn zwaard en stond op het punt een eind te maken aan Boepoes tijd op Krynn, toen Caramon – die zich onhandig omdraaide om te kijken wat er gaande was – per ongeluk de arm van het monster afhakte. Boepoe leunde likkend aan haar lippen achterover en keek verlangend om zich heen, op zoek naar een volgend slachtoffer.
‘Hoera, Caramon!’ juichte Tas wild, terwijl hij met de snelheid van een bijtende slang met zijn mesje om zich heen stak. Vrouwe Crysania riep de naam van Paladijn uit en sloeg een dracoon met haar fakkel. Het monster viel als een gevelde boom om.
Voor zover Tas kon zien waren er nog maar twee of drie draconen op de been, en een zekere uitgelatenheid maakte zich van hem meester. De monsters hielden zich net buiten de lichtkring van het vuur op en hielden Caramon, die wankel overeind kwam, wantrouwig in de gaten. Zolang hij niet in het licht kwam, zag hij er nog net zo indrukwekkend en vervaarlijk uit als vroeger. De kling van zijn zwaard had een dreigende rode gloed in het licht van de vlammen.
‘Pak ze, Caramon!’ riep Tas. ‘Sla hun koppen...’
De stem van de kender stierf weg toen Caramon zich met een vreemde uitdrukking op zijn gezicht langzaam naar hem omdraaide.
‘Ik ben Caramon niet,’ zei hij zachtjes. ‘Ik ben zijn tweelingbroer Raistlin. Caramon is dood. Ik heb hem vermoord.’ De grote krijger wierp een blik op het zwaard in zijn hand en liet het vallen alsof het gloeiend heet was. ‘Wat doe ik met koud staal in mijn handen?’ vroeg hij bars. ‘Ik kan geen betoveringen uitspreken als ik een zwaard en een schild in mijn handen heb.’
Tasselhofs adem stokte in zijn keel en hij wierp een geschrokken blik op de draconen. Hij zag dat ze een sluwe blik wisselden. Langzaam rukten ze op, maar ondertussen verloren ze de grote krijger geen moment uit het oog, waarschijnlijk omdat ze een valstrik vermoedden.
‘Je bent Raistlin niet! Je bent Caramon!’ riep Tas wanhopig, maar het had geen zin. Het brein van de grote man was nog doordrenkt met dwergenwater. Hij had geen idee meer wie hij was. Hij sloot zijn ogen, hief zijn handen en begon zangerig te spreken.
‘Mierennest zilveras boekenrek,’ prevelde hij, zwaaiend met zijn handen.
Het grijnzende gelaat van een dracoon doemde voor Tas op. Hij zag de blikkering van staal, en een afschuwelijke pijn explodeerde in zijn hoofd...
Tas lag op de grond. Er sijpelde iets warms over zijn gezicht, in zijn ene oog, dat erdoor verblind raakte, in zijn mond. Hij proefde bloed. Wat was hij moe... zo moe...
Maar de pijn was afschuwelijk. Die hield hem wakker. Hij durfde zijn hoofd niet te bewegen, want hij was bang dat het dan in tweeën zou splijten. Dus bleef hij doodstil liggen en bekeek de wereld met één oog.
Hij hoorde de greppeldwerg aan één stuk door gillen, als een gekweld dier, en toen hield het opeens op. Hij hoorde een diepe kreet van pijn, een gesmoord gekreun, en naast hem plofte een reusachtig lijf op de grond. Het was Caramon. Er stroomde bloed uit zijn mond en in zijn opengesperde ogen lag een niets ziende blik.
Tas kon geen verdriet voelen. Hij kon helemaal niets voelen, behalve de afgrijselijke pijn in zijn hoofd. Een enorme dracoon stond met een zwaard in zijn hand over hem heen gebogen. Hij wist dat het monster hem ging afmaken. Dat kon hem niets schelen. Maak een eind aan de pijn, smeekte hij. Maak er snel een eind aan.
Toen ving hij een glimp op van een wit gewaad en hoorde hij een heldere stem die Paladijn aanriep. De dracoon verdween abrupt, en Tas hoorde het gekrabbel van geklauwde voeten tussen de struiken. De witte gestalte knielde naast hem, hij voelde de zachte aanraking van een hand op zijn voorhoofd en hoorde opnieuw de naam Paladijn. De pijn verdween. Toen hij opkeek, zag hij dat de priesteres haar andere hand op Caramon legde, en dat de oogleden van de grote man even trilden, en zich sloten toen hij in een vredige slaap viel.
Alles is goed, dacht Tas opgetogen. Ze zijn weg. Het komt wel weer goed met ons. Toen voelde hij de hand trillen. Nu de helende kracht van de priesteres door zijn lichaam stroomde, was hij in staat zijn hoofd op te tillen en met zijn goede oog om zich heen te turen.
Er kwam iets aan. Iets had de draconen weggestuurd. Iets liep de lichtkring van het vuur binnen.
Tas wilde een waarschuwende kreet slaken, maar zijn keel kneep samen. Zijn gedachten buitelden over elkaar. Even was hij te bang en duizelig om helder te kunnen denken en dacht hij dat iemand enkele van zijn avonturen door elkaar had gemengd.
Hij zag dat vrouwe Crysania opstond. De zoom van haar witte gewaad streek vlak naast zijn hoofd over de grond. Langzaam deinsde ze terug voor het wezen dat haar besloop. Tas hoorde dat ze Paladijn aanriep, maar haar woorden tuimelden over lippen die verdoofd waren van angst.
Zelf wilde Tas niets liever dan zijn ogen dichtdoen. Angst en nieuwsgierigheid streden in zijn kleine lijf om voorrang. Uiteindelijk won de nieuwsgierigheid het. Met zijn ene goede oog tuurde Tas naar de afschuwelijke gestalte die steeds dichter bij de priesteres kwam. Hij droeg de wapenrusting van een ridder van Solamnië, maar het metaal was zwartgeblakerd en verbrand. Toen hij vlak bij Crysania was, stak de gestalte een arm uit waar geen hand aan zat. Hij sprak woorden die niet uit een mond afkomstig waren. Zijn ogen waren een oranje gloed, zijn transparante benen gingen dwars door de smeulende as van het vuur heen. Hij straalde de kou uit van het rijk waarin hij gedwongen was eeuwig te leven, en die kou drong tot in het merg van Tas’ botten.
Angstig tilde Tas zijn hoofd op. Hij zag dat vrouwe Crysania terugdeinsde. Hij zag dat de doodsridder haar langzaam maar zeker naderde.
De ridder hief zijn rechterhand en wees met een bleke, flakkerende vinger naar Crysania.
Opeens raakte Tas in de greep van een onbeheersbare doodsangst. ‘Nee!’ kreunde hij huiverend, ook al had hij geen idee wat voor iets vreselijks er op het punt stond te gebeuren.
De ridder sprak één woord.
‘Sterf.’
Op dat moment zag Tas dat vrouwe Crysania het medaillon omklemde dat ze om haar hals droeg. Hij zag dat er een zuiver wit licht tussen haar vingers flitste, en vervolgens stortte ze ter aarde alsof de vleesloze vinger haar had doorboord.
‘Nee!’ hoorde Tasselhof zichzelf roepen. Hij zag dat de vlammende oranje ogen op hem werden gericht, en een kille, bedompte duisternis drukte zijn ogen en zijn mond dicht...
Hoofdstuk 8
Sidderend liep Dalamar op de deur van het laboratorium van de magiër af. Nerveus liet hij zijn vinger over de beschermende runen glijden die op de stof van zijn zwarte gewaad waren geborduurd, terwijl hij haastig enkele spreuken oefende om zijn gedachten af te schermen. Enige voorzichtigheid was altijd op zijn plaats voor een jonge leerling die de geheime, verborgen vertrekken van zijn duistere, machtige meester naderde. Maar Dalamars voorzorgsmaatregelen waren uitzonderlijk. En met reden. Dalamar had zo zijn eigen geheimen te verbergen, en niets ter wereld vervulde hem met zoveel angst en ontzag als die goudkleurige, zandlopervormige ogen.
Maar ondanks die angst gonsde stiekem de opwinding door Dalamars lichaam, zoals altijd wanneer hij voor deze deur stond. In dit vertrek had hij verbazingwekkende dingen gezien, verbazingwekkend en angstaanjagend...
Hij hief zijn rechterhand naar de deur, beschreef snel een teken in de lucht en mompelde enkele woorden in de taal van de magie. Er kwam geen reactie. Er rustte geen betovering op de deur. Dalamar haalde opgelucht adem, of misschien was het een zucht van teleurstelling. Raistlin, zijn meester, hield zich op het moment niet bezig met krachtige magie, anders zou hij wel een werende spreuk over de deur hebben uitgesproken. De zwarte elf keek vluchtig naar de vloer en zag geen flakkerend, fel licht dat onder de deur door scheen. Ook rook hij niets, afgezien van de gebruikelijke geuren van kruiden en de stank van verrotting. Dalamar zette de vijf vingers van zijn linkerhand tegen de deur en wachtte zwijgend af.