Hoewel Raistlin de machtigste nog levende magiër op Krynn was, was zijn macht verre van volledig, en niemand besefte dat beter dan hijzelf. Altijd wanneer hij dit vertrek binnenkwam, werd hij bruut aan zijn zwakke kanten herinnerd, wat een van de redenen was dat hij hier zo min mogelijk kwam. Want hier bevond zich het zichtbare, tastbare bewijs van zijn mislukkingen: de Levenden.
Het waren ellendige wezens, per ongeluk gecreëerd als gevolg van mislukte magie, die in dit vertrek als slaven hun schepper dienden. Hier leidden ze hun gekwelde leven, kronkelend als larven, een bloederige massa die de poel met de vlam omringde. Hun glanzende, vochtige lijven vormden een afgrijselijk tapijt op de vloer, waarvan de stenen, glad van hun lichaamssappen, alleen zichtbaar waren wanneer ze ruim baan maakten voor hun schepper.
Maar hoewel hun leven bestond uit pijn en ellende, klaagden de Levenden nooit. Hun lot was nog altijd te verkiezen boven dat van degenen die door de Toren zwierven, degenen die bekendstonden als de Doden...
Raistlin verscheen in de Kamer van het Zicht, een donkere schaduw die opdook uit de duisternis. De blauwe vlam deed de zilveren borduursels op zijn zwarte gewaad sprankelen. Dalamar verscheen naast hem, en samen gingen ze aan de rand van het zwarte, roerloze water staan.
‘Waar?’ vroeg Raistlin.
‘Hier, m-meester,’ pruttelde een van de Levenden, wijzend met een mismaakt aanhangsel.
Haastig liep Raistlin eropaf, met Dalamar naast zich. Hun zwarte gewaden ruisten zacht als een fluistering over de slijmerige stenen vloer. Raistlin staarde in het water en gebaarde dat Dalamar zijn voorbeeld moest volgen. De zwarte elf keek naar het donkere oppervlak, en even zag hij alleen de weerspiegeling van de blauwe vlammenstraal. Toen smolten vlam en water samen, om zich vervolgens weer te scheiden, en bevond hij zich in een bos.
Een grote man, een mens gekleed in een slecht passende wapenrusting, stond te staren naar het lichaam van een jonge vrouw, gekleed in een wit gewaad. Naast de vrouw zat een kender op zijn knieën met haar hand in de zijne. Dalamar hoorde de grote man praten, helder en duidelijk, alsof hij vlak bij hem stond.
‘Ze is dood...’
‘Ik... ik weet het niet, Caramon. Ik denk…’
‘Ik heb vaak genoeg dode mensen gezien om het te weten, geloof me. Ze is dood. En het is allemaal mijn schuld... mijn schuld...’
‘Caramon, imbeciel die je bent!’ grauwde Raistlin. Hij vloekte. ‘Wat is er gebeurd? Wat is er misgegaan?’
Toen de magiër dat zei, zag Dalamar dat de kender snel opkeek.
‘Zei je iets?’ vroeg de kender aan de grote man, die in de grond aan het poeren was.
‘Nee. Het was de wind maar.’
‘Wat doe je?’
‘Ik graaf een graf. We moeten haar begraven.’
‘Begraven?’ Raistlin stiet een kort, verbitterd lachje uit. ‘O, niet te geloven, domme kluns die je bent. Is dat het enige wat je kunt bedenken?’ De magiër brieste van woede. ‘Haar begraven! Ik moet weten wat er is gebeurd.’ Hij draaide zich om naar de Levende. ‘Wat heb je gezien?’
‘H-hun k-kamperen in de b-bomen, m-meester.’ Er verschenen schuimbelletjes om de mond van het wezen. Hij was vrijwel onverstaanbaar. ‘D-draco m-maken d-dood-’
‘Draconen?’ herhaalde Raistlin verbijsterd. ‘Zo dicht bij Soelaas? Waar kwamen ze vandaan?’
‘W-weet niet! W-weet niet!’ Angstig dook de Levende ineen. ‘I-ik...’
‘Sst,’ zei Dalamar waarschuwend, en hij vestigde de aandacht van zijn meester weer op de poel, waar de kender hevig protesteerde.
‘Caramon, je mag haar niet begraven! Ze is…’
‘We hebben geen keus. Ik weet dat het niet zo hoort, maar Paladijn zal er wel voor zorgen dat haar ziel vrede vindt. Een brandstapel maken is te riskant met die drakenmannen in de buurt...’
‘Maar Caramon, ik vind echt dat je even naar haar moet komen kijken. Ze heeft nog geen schrammetje!’
‘Ik wil niet naar haar kijken! Ze is dood. Het is mijn schuld. We begraven haar hier en dan ga ik terug naar Soelaas, verder graven aan mijn eigen graf.’
‘Caramon!’
‘Ga bloemen zoeken of zo en laat me met rust.’
Dalamar zag dat de grote man met zijn blote handen in de vochtige grond groef en de aarde naast zich neergooide, terwijl de tranen over zijn gezicht stroomden. De kender bleef besluiteloos naast het lichaam van de vrouw zitten, zijn gezicht bedekt met opgedroogd bloed, de uitdrukking op zijn gezicht een mengeling van verdriet en twijfel.
‘Geen schrammetje, geen verwonding, draconen die uit het niets komen...’ Raistlin fronste bedachtzaam. Toen knielde hij opeens neer naast de Levende, die angstig terugdeinsde. ‘Zeg op. Vertel me alles wat ik moet weten. Waarom ben ik niet eerder geroepen?’
‘D-de d-draco m-maken d-dood, m-meester,’ pruttelde de Levende gekweld. ‘M-maar de g-grote m-man m-maken ook d-dood. D-dan k-komen g-groot d-donker! O-ogen van v-vuur. i-ik b-bang. I-ik b-bang i-ik in w-water v-vallen...’
‘Ik trof de Levende liggend aan de rand van de poel aan,’ legde Dalamar koeltjes uit, ‘en een van de anderen vertelde me dat er iets vreemds gaande was. Ik keek in het water. Wetend hoeveel belangstelling u hebt voor deze mensenvrouw, dacht ik dat u…’
Raistlin onderbrak ongeduldig zijn uitleg. ‘Inderdaad,’ prevelde hij. Hij kneep zijn goudkleurige ogen en zijn dunne lippen samen. De arme Levende, die zijn woede kon voelen, sleepte zijn lijf zo ver mogelijk bij de magiër vandaan. Dalamar hield zijn adem in. Maar Raistlins woede was niet op hem gericht.
‘“Groot donker, ogen van vuur...” Heer Sothis. Aha, dus je hebt me verraden, zus,’ fluisterde Raistlin. ‘Ik kan je angst ruiken, Kitiara. Lafaard! Ik had je koningin van deze wereld kunnen maken. Ik had je onmetelijke rijkdom, onbegrensde macht kunnen geven. Maar nee. Uiteindelijk ben je toch een zwakke, kleingeestige worm.’
Stilletjes peinzend staarde Raistlin in het roerloze water van de poel. Toen hij weer iets zei, klonk zijn stem zacht, dodelijk. ‘Dit zal ik niet vergeten, lieve zus. Je hebt geluk dat er dringender zaken zijn die me bezighouden, anders zou je je binnenkort kunnen voegen bij dat spookachtige heerschap dat jou dient.’ Raistlin balde zijn magere vuist, maar maande zichzelf toen met zichtbare moeite tot kalmte. ‘Maar wat zal ik hier eens aan doen? Ik moet iets ondernemen, voordat mijn broer de priesteres in een bloembed plant.’
‘Sjalafi, wat is er gebeurd?’ vroeg Dalamar heel voorzichtig, maar gedurfd. ‘Die... vrouw. Wat betekent ze voor u? Ik begrijp er niets van.’
Raistlin wierp Dalamar een geïrriteerde blik toe en leek op het punt te staan hem te berispen vanwege zijn vrijpostigheid. Toen aarzelde de magiër. Eén keer laaide er een vonk op in die goudkleurige ogen, en Dalamar kromp ineen, maar toen keerde die effen, emotieloze blik weer terug.
‘Natuurlijk, leerling. Ik zal je alles vertellen. Maar eerst...’
Raistlin zweeg abrupt. In het bos waar ze zo ingespannen naar stonden te kijken, verscheen nog iemand ten tonele. Het was een greppeldwerg, dik ingepakt in vele lagen kleren in kleuren die pijn deden aan je ogen, die een enorme tas met zich meesleepte.
‘Boepoe!’ fluisterde Raistlin, en een zeldzame glimlach speelde om zijn lippen. ‘Uitstekend. Wederom zul je me dienen, kleintje.’
Met één hand raakte Raistlin het roerloze wateroppervlak aan. De Levenden om de poel slaakten een kreet van afschuw, want maar al te vaak hadden ze gezien hoe een van hen in dat donkere water viel, om te verschrompelen tot er niets overbleef dan een mistflard die met een schrille kreet vervloog. Maar Raistlin prevelde zachtjes enkele woorden en trok zijn hand terug. De vingers waren wit als marmer, en even vertrok zijn gezicht van pijn. Snel liet hij zijn hand in een zak van zijn gewaad glijden.
‘Kijk goed,’ fluisterde hij triomfantelijk.
Dalamar staarde in het water en zag dat de greppeldwerg op het roerloze, levenloze lichaam van de vrouw af liep.
‘Mij helpen.’
‘Nee, Boepoe!’
‘Jij mijn magie niet goed vinden! Mij naar huis. Maar eerst mij mooie dame helpen.’