‘Wat, in de naam van de Afgrond...’ prevelde Dalamar.
‘Kijk dan!’ beval Raistlin.
Dalamar keek toe terwijl de greppeldwerg haar groezelige handje in de tas stak die ze bij zich droeg. Nadat ze er een tijdje in had rondgetast, haalde ze er een weerzinwekkend voorwerp uit: een dode, verstijfde hagedis met een leren veter om zijn nek gewikkeld. Boepoe liep op de vrouw af, en toen de kender haar wilde tegenhouden, hield ze waarschuwend haar vuist voor zijn gezicht. Met een zucht en een zijdelingse blik op Caramon, die met een van verdriet vertrokken, bebloed gezicht woest stond te graven, deed de kender een stap achteruit. Boepoe plofte naast het levenloze lichaam van de vrouw neer en legde de dode hagedis voorzichtig op haar bewegingloze borst.
Dalamar hapte naar adem.
De borst van de vrouw rees, het witte gewaad trilde. Ze begon te ademen, diep en vredig.
De kender slaakte een hoge kreet.
‘Caramon! Boepoe heeft haar genezen! Ze leeft! Kijk dan!’
‘Wat...’ De grote man hield op met graven en strompelde op hen af. Angstig en verwonderd staarde hij naar de greppeldwerg.
‘Helende hagedis,’ zei Boepoe triomfantelijk. ‘Werken altijd.’
‘Ja, kleintje van me,’ zei Raistlin, nog altijd glimlachend. ‘Helpt ook goed tegen het hoesten, meen ik me te herinneren.’ Hij bewoog zijn hand boven het roerloze water. De stem van de magiër kreeg een sussende, zangerige klank. ‘Ga nu slapen, broer, voordat je nog iets doms doet. Ga slapen, kender, ga slapen, kleine Boepoe. En jij ook, vrouwe Crysania, in het rijk waar Paladijn je beschermt.’
Nog steeds zangerig prevelend wenkte Raistlin met zijn ene hand. ‘Kom nu, Wayrethwoud. Besluip hen terwijl ze slapen. Zing je magische lied voor hen. Lok hen naar je geheime paden.’
De spreuk was ten einde. Raistlin kwam overeind en draaide zich om naar Dalamar. ‘Kom maar mee, leerling.’ In zijn stem klonk een spoortje sarcasme door dat de zwarte elf deed huiveren. ‘Kom mee naar mijn werkkamer. Het is tijd voor een gesprek.’
Hoofdstuk 9
Dalamar zat in de werkkamer van de magiër, op dezelfde stoel waar Kitiara tijdens haar bezoek had gezeten. De zwarte elf voelde zich echter veel slechter op zijn gemak en veel onzekerder dan Kitiara. Maar hij hield zijn angst goed in bedwang. Uiterlijk leek hij ontspannen, beheerst. De rode blos op zijn bleke elfenwangen kon wellicht worden toegeschreven aan zijn opwinding omdat hij door zijn meester in vertrouwen werd genomen.
Dalamar was vaak in de werkkamer geweest, zij het niet in gezelschap van zijn meester. Raistlin bracht de avonden hier in zijn eentje door met lezen in de boeken die overal langs de muren stonden. Niemand mocht hem dan storen. Dalamar kwam alleen overdag in de werkkamer, en uitsluitend wanneer Raistlin ergens anders bezig was. Op die momenten mocht – nee, moest – de zwarte elf zelf de spreukenboeken bestuderen. Een aantal althans. Die met een nachtblauwe kaft mocht hij onder geen beding openslaan of zelfs maar aanraken.
Natuurlijk had Dalamar dat toch een keer gedaan. De kaft voelde ijskoud aan, zo koud dat die zijn huid brandde. Hij sloeg geen acht op de pijn en slaagde erin het boek open te slaan, maar na één blik sloeg hij het snel weer dicht. Hij kon niets maken van wat erin stond, het was koeterwaals voor hem. En hij bespeurde de beschermende spreuk die erover was uitgesproken. Als je te lang naar zo’n boek keek zonder de juiste sleutel om de tekst mee te vertalen, werd je gek.
Toen hij de wond op Dalamars hand zag, vroeg Raistlin wat er was gebeurd. Koeltjes antwoordde de zwarte elf dat hij met zuur had gemorst toen hij een ingrediënt voor een spreuk wilde mengen. De aartsmagiër glimlachte, maar zei niets. Dat was niet nodig. Ze begrepen elkaar.
Maar nu was hij op Raistlins uitnodiging in de werkkamer en zat hij hier min of meer als de gelijke van zijn meester. Opnieuw ervoer Dalamar de vertrouwde angst, vermengd met bedwelmende opwinding.
Raistlin zat voor hem aan de bewerkte houten tafel met zijn hand op de nachtblauwe kaft van een spreukenboek. De aartsmagiër streek zachtjes en afwezig met zijn vingertoppen over de zilveren runen. Zijn blik was strak op Dalamar gericht. De zwarte elf vertrok geen spier onder die intense, indringende blik.
‘Je moet erg jong zijn geweest toen je de Proeve aflegde,’ zei Raistlin opeens met zijn zachte stem.
Dalamar knipperde met zijn ogen. Hier had hij niet op gerekend.
‘Niet zo jong als u, sjalafi,’ antwoordde de zwarte elf. ‘Ik ben in de negentig, wat ongeveer overeenkomt met vijfentwintig jaar uit een mensenleven. U was geloof ik pas eenentwintig toen u de Proeve aflegde.’
‘Ja,’ prevelde Raistlin, en het was alsof er een schaduw over zijn goudkleurige huid gleed. ‘Ik was inderdaad... eenentwintig.’
Dalamar zag dat de hand die op het spreukenboek lag plotseling verkrampte van pijn, en hij zag de goudkleurige ogen opvlammen. De jonge leerling verbaasde zich niet over dat blijk van emotie, iedere magiër die op gevorderd niveau de magische kunsten wilde beoefenen, was verplicht de Proeve af te leggen. Die Proeve werd in de Toren van de Hoge Magie in Wayreth afgenomen door de leiders van alle drie de Mantels. Lang geleden hadden de magiegebruikers op Krynn namelijk al beseft wat de priesters telkens was ontgaan: teneinde het evenwicht in de wereld in stand te houden, moest de pendule vrijelijk kunnen bewegen tussen goed, kwaad en neutraliteit. Als er een te machtig werd, welke dan ook, zou de wereld afglijden naar de vernietiging.
De Proeve was onmenselijk zwaar. De hogere niveaus van de magie, waar ware macht werd vergaard, waren niets voor onbekwame klungels. De Proeve was erop ontworpen om die eruit te wieden, permanent. Falen betekende sterven. Dalamar had nog steeds nachtmerries van zijn eigen beproeving, dus hij kon zich Raistlins reactie heel goed voorstellen.
‘Ik ben geslaagd,’ fluisterde Raistlin met ogen die op het verleden waren gericht. ‘Maar toen ik dat verschrikkelijke oord verliet, zag ik eruit zoals ik nu ben. Mijn huid was goud getint, mijn haar was wit geworden en mijn ogen...’ Hij keerde terug naar het heden. ‘Weet je wat ik met deze zandloperogen zie?’
‘Nee, sjalafi.’
‘Ik zie het effect dat de tijd heeft op alles om ons heen,’ antwoordde Raistlin. ‘Voor mijn ogen teert het menselijk lichaam weg, verwelken en sterven bloemen, en worden zelfs de rotsen verpulverd. Het is altijd winter in mijn ogen. Zelfs jij, Dalamar...’ Raistlin ving de jonge leerling met zijn afschuwelijke blik en hield hem vast. ‘Zelfs het elfenlichaam, dat zo langzaam veroudert dat het verstrijken van de jaren is als regenbuitjes in de lente... zelfs op jouw jonge gelaat, Dalamar, zie ik sporen van de dood.’
Dalamar huiverde, en deze keer kon hij zijn gevoelens niet verbergen. Onwillekeurig drukte hij zich met zijn rug in de kussens van de stoel. Meteen diepte hij een beschermende spreuk op uit zijn geheugen, maar er schoot hem ook ongewild een spreuk te binnen die was bedoeld om te verwonden, niet om te verdedigen. Dwaas, sneerde hij tegen zichzelf terwijl hij zich snel beheerste, hoe zou ik hem nou kunnen doden met de armetierige spreuken die ik ken?
‘Inderdaad, inderdaad,’ prevelde Raistlin als antwoord op Dalamars onuitgesproken gedachte, zoals zo vaak. ‘Op Krynn is er niemand die mij kan deren. En jij al helemaal niet, leerling. Maar je bent dapper. Je hebt moed. Hoe vaak heb je niet naast me gestaan in het laboratorium terwijl ik wezens uit andere dimensies wegsleurde? Je wist dat als ik zelfs maar op het verkeerde moment ademhaalde, ze ons het hart uit het lichaam zouden hebben gescheurd en het zouden hebben verslonden terwijl wij stervend aan hun voeten lagen te kronkelen.’
‘Het was me een voorrecht,’ prevelde Dalamar.
‘Ja,’ antwoordde Raistlin afwezig, elders met zijn gedachten. ‘En je beseft ook, nietwaar, dat ik in zo’n geval wel mezelf zou hebben gered, maar niet jou?’
‘Natuurlijk, sjalafi,’ antwoordde Dalamar rustig. ‘Dat begrijp ik, en ik aanvaard dat risico.’ De ogen van de zwarte elf gloeiden. Zijn angst was vergeten, en hij leunde gretig naar voren in zijn stoel. ‘Sterker nog, sjalafi, ik verwelkom dat risico. Ik zou alles opofferen voor…’