‘De magie,’ maakte Raistlin de zin af.
‘Ja, voor de magie,’ riep Dalamar uit.
‘En voor de macht die erin besloten ligt,’ zei Raistlin knikkend. ‘Je bent ambitieus. Maar hoe ambitieus, vraag ik me af. Ben je misschien uit op heerschappij over je verwanten? Of mogelijk een of ander koninkrijk, waar je een koning aan je kunt onderwerpen en kunt genieten van de rijkdom van zijn land? Of wellicht een bondgenootschap met een zwarte heer, zoals in het tijdperk van de draken, nog niet zo lang geleden. Mijn zus Kitiara bijvoorbeeld vond je erg aantrekkelijk. Ze zou het plezierig vinden om je bij zich te hebben. Zeker als je beschikt over magische krachten die je in de slaapkamer kunt uitoefenen...’
‘Sjalafi, dat zou een bezoedeling zijn van…’
Raistlin maakte een handgebaar. ‘Dat was een grapje, leerling. Maar je begrijpt wat ik bedoel. Droom je van een van die dingen?’
‘Jazeker, sjalafi.’ Dalamar aarzelde, in verwarring gebracht. Waar stuurde hij op aan? Op informatie die hij kon gebruiken en doorgeven, hopelijk, maar hoeveel zou hij daarvoor van zichzelf moeten blootgeven? ‘Ik…’
Raistlin viel hem in de rede. ‘Ja, ik zie dat ik doel heb getroffen. Ik heb geraden hoe ver je ambities reiken. Heb je je wel eens afgevraagd hoe ver die van mij reiken?’
Dalamar voelde een golf van vreugde door zijn lichaam trekken. Hiervoor was hij erop uitgestuurd, om dit te ontdekken. De jonge magiër antwoordde langzaam: ‘Dat heb ik me vaak afgevraagd, sjalafi. U bent zo machtig’ – Dalamar wees naar het raam, waarachter de fonkelende lichtjes van nachtelijk Palanthas zichtbaar waren – ‘dat deze stad, dit land, Solamnië, het hele continent Ansalon van u zouden kunnen zijn.’
‘Deze hele wereld zou van mij kunnen zijn.’ Raistlin glimlachte; zijn lippen weken een klein stukje vaneen. ‘We hebben de landen aan de andere kant van de zee gezien, nietwaar, leerling? Wanneer we in het brandende water kijken, kunnen we ze zien, en zij die er leven. Hen onderwerpen zou doodeenvoudig zijn...’
Raistlin stond op. Hij liep naar het raam en keek uit over de fonkelende stad die zich voor hem uitstrekte. Dalamar, die de opwinding van zijn meester aanvoelde, stond op en liep hem achterna.
‘Ik zou je dat koninkrijk kunnen geven, Dalamar,’ zei Raistlin zachtjes. Met één hand hield hij het gordijn open, en zijn blik bleef rusten op de lichtjes, die warmer straalden dan de sterren aan de hemel. ‘Ik zou je niet alleen de heerschappij over je ellendige verwanten kunnen geven, maar over alle elfen op heel Krynn.’ Raistlin haalde zijn schouders op. ‘Ik zou je zelfs mijn zus kunnen geven.’
Raistlin wendde zich af van het raam en richtte zijn blik op Dalamar, die hem gretig aankeek.
‘Maar dat doet me allemaal niets,’ zei Raistlin met een gebaar, terwijl hij het gordijn losliet. ‘Niets. Mijn ambitie reikt verder.’
‘Maar sjalafi, er blijft niet veel over als u de wereldheerschappij afslaat.’ Dalamar aarzelde, want hij begreep het niet. ‘Tenzij u andere werelden hebt gezien dan deze, werelden die voor mijn ogen verborgen zijn...’
‘Andere werelden?’ peinsde Raistlin. ‘Interessante gedachte. Misschien moet ik die mogelijkheid ooit eens gaan onderzoeken. Maar nee, daar doelde ik niet op.’ De magiër zweeg even en gebaarde dat Dalamar dichterbij moest komen. ‘Heb je de deur gezien helemaal achter in het laboratorium? De deur van staal, met de runen van ingelegd zilver en goud? De deur zonder slot?’
‘Ja, sjalafi,’ antwoordde Dalamar. Er verspreidde zich een kilte door zijn lichaam die zelfs niet kon worden verjaagd door de merkwaardige hitte die Raistlins lichaam, zo dicht bij het zijne, uitstraalde.
‘Weet je waar die deur naartoe leidt?’
‘Ja... sjalafi.’ Een fluistering.
‘En weet je waarom hij niet open is?’
‘Omdat u hem niet kunt openen, sjalafi. Alleen iemand die beschikt over grote, machtige magie kan hem openen, samen met iemand met de kracht van ware heiligheid...’ Dalamar zweeg. Zijn keel kneep samen van angst en hij kreeg geen adem.
‘Ja,’ prevelde Raistlin. ‘Nu begrijp je het. Iemand met de kracht van ware heiligheid. Nu weet je waarom ik haar nodig heb. Nu begrijp je hoe ver, en hoe diep, mijn ambitie reikt.’
‘Dat is gekkenwerk!’ zei Dalamar verstikt, maar meteen sloeg hij beschaamd zijn ogen neer. ‘Vergeef me, sjalafi. Dat was niet beledigend bedoeld.’
‘Nee, maar je hebt gelijk. Het is gekkenwerk, met mijn beperkte krachten.’ Er klonk een spoortje verbittering door in de stem van de magiër. ‘Daarom sta ik op het punt op reis te gaan.’
‘Op reis?’ Dalamar keek op. ‘Waar naartoe?’
‘De juiste vraag is: naar wanneer,’ verbeterde Raistlin hem. ‘Heb je me wel eens over Fistandantilus horen praten?’
‘O, zo vaak, sjalafi,’ zei Dalamar bijna eerbiedig. ‘De machtigste van onze orde. Dat zijn zijn spreukenboeken, die met de nachtblauwe kaft.’
‘Ontoereikend,’ mompelde Raistlin met een misprijzend gebaar naar de hele bibliotheek. ‘De afgelopen jaren heb ik ze allemaal meerdere keren gelezen, al sinds ik van de Koningin van de Duisternis zelf de sleutel heb verkregen. Maar ze zijn hooguit een bron van frustratie.’ Raistlin balde zijn magere vuist. ‘Ik heb die spreukenboeken gelezen, maar er zijn grote hiaten. Hele delen ontbreken. Misschien zijn ze vernietigd tijdens de Catastrofe, of later, tijdens de Dwergenpoortoorlogen die de ondergang van Fistandantilus betekenden. Die ontbrekende delen, die kennis van hem die verloren is geraakt, zullen me de kracht verschaffen die ik nodig heb.’
‘Dus u wilt op reis...’ Dalamar deed er ongelovig het zwijgen toe.
‘Naar het verleden,’ maakte Raistlin de zin kalmpjes af. ‘Terug naar de tijd vlak voor de Catastrofe, toen Fistandantilus op het hoogtepunt van zijn macht verkeerde.’
Dalamar werd duizelig, zo wild buitelden zijn gedachten over elkaar. Wat zouden zij hierover zeggen? Ze hadden over van alles en nog wat gespeculeerd, maar deze mogelijkheid was geen moment bij hen opgekomen.
‘Rustig, leerling.’ Raistlins zachte stem leek van heel ver weg te komen. ‘Dit heeft je van je stuk gebracht. Een glaasje wijn?’
De magiër liep naar een tafel. Hij pakte een karaf, schonk bloedrode wijn in een klein glas en gaf het aan de zwarte elf. Dankbaar pakte Dalamar het aan, en schrok toen hij zag dat zijn hand beefde. Ook voor zichzelf schonk Raistlin een glaasje in.
‘Deze sterke wijn drink ik niet vaak, maar ik vind dat we vanavond iets te vieren hebben. Een toost op... Hoe verwoordde je het ook alweer? Iemand met de kracht van ware heiligheid. Op vrouwe Crysania.’
Raistlin nam kleine slokjes van zijn wijn. Dalamar nam een grote slok. Het goedje brandde in zijn keel. Hij moest ervan hoesten.
‘Sjalafi, als de Levende gelijk had, dan heeft heer Sothis een doodsspreuk over vrouwe Crysania uitgesproken, maar ze leeft nog. Hebt u haar weer tot leven gewekt?’
Raistlin schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik heb haar alleen zichtbare tekenen van leven gegeven, zodat mijn geliefde broer haar niet zou begraven. Ik weet niet zeker wat er is gebeurd, maar ik kan het wel raden. Toen ze de doodsridder voor zich zag staan en besefte wat haar te wachten stond, heeft de eerwaarde dochter de spreuk bestreden met het enige wapen dat ze had, een machtig wapen: het heilige medaillon van Paladijn. De god beschermde haar door haar ziel over te hevelen naar het rijk waar de goden leven, met achterlating van een leeg lichaam op de grond. Niemand – zelfs ik niet – kan haar ziel en haar lichaam weer bijeenbrengen. Alleen een hogepriester van Paladijn heeft die macht.’
‘Elistan?’
‘Ach, die man is ziek, stervende...’
‘Maar dan is ze voor u verloren!’
‘Nee,’ zei Raistlin vriendelijk. ‘Je begrijpt het niet, leerling. Door onoplettendheid ben ik de controle kwijtgeraakt. Maar die heb ik nu weer terug. Dat niet alleen, ik zal ervoor zorgen dat dit in mijn voordeel werkt. Op dit moment naderen ze de Toren van de Hoge Magie. Daar wilde Crysania naartoe om de hulp van de magiërs in te roepen. Wanneer ze daar aankomt, zal ze die hulp krijgen, en mijn broer ook.’