‘Dus u wilt juist dat ze haar helpen?’ vroeg Dalamar verward. ‘Maar ze is van plan u te vernietigen!’
Zwijgend nam Raistlin een slokje wijn, terwijl hij zijn leerling aandachtig aankeek. ‘Denk eens goed na, Dalamar,’ zei hij zachtjes. ‘Denk goed na, en je zult het begrijpen. Maar’ – de magiër zette zijn lege glas neer – ‘ik heb je lang genoeg opgehouden.’
Dalamar wierp een blik door het raam. De rode maan, Lunitari, zakte weg achter de zwarte, kartelige rand van de bergketen. Het was bijna halverwege de nacht.
‘Jij moet jouw reis afleggen en terug zijn voordat ik morgenochtend vertrek,’ ging Raistlin verder. ‘Ongetwijfeld zal ik nog laatste instructies voor je hebben, naast de vele andere dingen die ik aan jou moet overdragen. Uiteraard zul jij hier de leiding hebben terwijl ik weg ben.’
Dalamar knikte, maar fronste toen. ‘Zei u iets over mijn reis, sjalafi? Ik ga nergens naartoe...’ De zwarte elf zweeg. Hij verslikte zich bijna toen hij besefte dat hij inderdaad ergens naartoe moest, om verslag uit te brengen.
Zwijgend nam Raistlin de jonge elf op. De ontzetting op Dalamars gezicht toen het besef tot hem doordrong werd weerspiegeld in de glanzende ogen van de magiër. Vervolgens liep Raistlin langzaam op zijn jonge leerling af. Zijn zwarte gewaad ruiste zachtjes om zijn enkels. De angst nagelde Dalamar aan de grond vast. Beschermende spreuken glipten hem door de vingers. Hij kon nergens aan denken, zag niets meer, behalve die twee effen, emotieloze, goudkleurige ogen.
Langzaam hief Raistlin zijn hand en zette zijn vijf vingertoppen zachtjes op de zwarte stof van Dalamars gewaad, ter hoogte van zijn borst.
De pijn was ondraaglijk. Dalamars gezicht werd lijkbleek, zijn ogen werden groot en hij hapte naar adem. Maar de zwarte elf kon die verschrikkelijke aanraking niet vermijden. Gevangen door Raistlins blik kon hij niet eens schreeuwen.
‘Vertel hun precies wat ik je heb verteld,’ fluisterde Raistlin, ‘en wat je wellicht hebt geraden. En breng mijn hartelijke groeten over aan de grote Par-Salian... leerling.’
De magiër haalde zijn hand weg.
Met beide handen tegen zijn borst geklemd viel Dalamar kreunend op de grond. Zonder hem een blik waardig te keuren liep Raistlin om hem heen. De zwarte elf hoorde dat hij de kamer verliet: het zachte geruis van zijn gewaad, de deur die open- en dichtging.
Halfgek van pijn scheurde Dalamar zijn gewaad open. Vijf rode, glinsterende bloedstraaltjes sijpelden over zijn borst en drongen in de zwarte stof. Ze welden op uit vijf gaten die in zijn vlees waren gebrand.
Hoofdstuk 10
‘Caramon! Sta op! Word wakker!’
Nee. Ik lig in mijn graf. Het is lekker warm en veilig hier onder de grond. Je kunt me niet wakker maken, je kunt me niet bereiken. Ik lig verborgen in de klei, je kunt me niet vinden.
‘Caramon, dit moet je zien! Word wakker!’
Een hand duwde de duisternis weg en trok aan hem.
Nee, Tika, ga weg! Je hebt me al eens tot leven gewekt, terug naar al die pijn en dat verdriet. Je had me moeten achterlaten in het zoete rijk van de duisternis onder de Bloedzee van Istar. Maar nu heb ik eindelijk rust gevonden. Ik heb mijn eigen graf gegraven en ben erin gaan liggen.
‘Hé, Caramon, word wakker, dit moet je zien!’
Die woorden. Die komen me bekend voor. Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd. Tegen Raistlin, lang geleden toen hij en ik voor het eerst in dit bos waren. Maar hoe kan het dan dat ik ze hoor? Tenzij ik Raistlin ben... O, dat is...
Iemand raakte zijn oogleden aan. Ze werden met twee vingers van elkaar getrokken. Bij die aanraking joeg de angst opeens door Caramons aderen, en zijn hart ging sneller kloppen.
‘Aah!’ brulde Caramon geschrokken. Hij probeerde weg te kruipen in de grond toen hij met dat ene, met geweld open gewrikte oog een reusachtig gezicht vlak boven zich zag zweven, dat van een greppeldwerg.
‘Hem wakker,’ meldde Boepoe. ‘Hier,’ zei ze tegen Tasselhof, ‘jij dit oog vasthouden. Mij andere oog openen.’
‘Nee!’ riep Tas haastig. Hij sleurde Boepoe van de krijger af en schoof haar achter zijn rug. ‘Eh... ga jij maar even water halen.’
‘Goed idee,’ merkte Boepoe op, en ze scharrelde weg.
‘Ru-rustig maar, Caramon,’ zei Tas. Hij liet zich naast de grote man op zijn knieën zakken en gaf hem een geruststellend klopje. ‘Het was Boepoe maar. Het spijt me, maar ik, eh... stond te kijken naar... Nou ja, dat zie je vanzelf. En toen vergat ik haar in de gaten te houden.’
Kreunend sloeg Caramon zijn hand voor zijn gezicht. Met behulp van Tas wist hij overeind te krabbelen. ‘Ik droomde dat ik dood was,’ zei hij somber. ‘En toen zag ik dat gezicht, en ik wist dat het voorbij was. Ik was in de Afgrond.’
‘Straks zou je waarschijnlijk nog wensen dat dat zo was,’ zei Tas al even somber.
Caramon keek op van de ongewoon ernstige klank in de stem van de kender. ‘Hoezo? Waar heb je het over?’ vroeg hij bars.
In plaats van antwoord te geven, vroeg de kender: ‘Hoe voel je je?’
Caramon trok een boos gezicht. ‘Ik ben nuchter, als je dat soms bedoelt,’ mompelde hij. ‘En ik vind het verschrikkelijk. Nou goed?’
Even nam Tasselhof hem bedachtzaam op. Toen stak hij langzaam zijn hand in een buidel en haalde er een flaconnetje in een leren hoes uit. ‘Hier, Caramon,’ zei hij zachtjes. ‘Als je echt denkt dat je het nodig hebt.’
De ogen van de grote man lichtten op. Gretig stak hij zijn bevende hand uit en griste de flacon uit Tas’ hand. Hij haalde de kurk eruit, rook eraan en zette hem met een glimlach aan zijn lippen.
‘Kijk niet zo naar me!’ beval hij nors.
‘H-het spijt me,’ zei Tas blozend. ‘Ik... ik ga wel even voor vrouwe Crysania zorgen...’
‘Crysania...’ Caramon liet de flacon zakken zonder er een slok uit te hebben genomen. Hij wreef de slaap uit zijn ogen. ‘O, ja, die was ik even vergeten. Goed idee, zorg jij maar voor haar. Sterker nog, neem haar mee en ga hier weg. Jij en die greppeldwerg van je met haar ongedierte. Ga weg en laat me met rust.’ Hij zette de flacon weer aan zijn lippen en nam een diepe teug. Hij hoestte één keer, liet de flacon zakken en veegde zijn mond af met de rug van zijn hand. ‘Toe dan,’ herhaalde hij met een doffe blik op Tas, ‘maak dat je wegkomt. Allemaal. Laat me met rust!’
‘Het spijt me, Caramon,’ zei Tas zachtjes. ‘Ik zou wel willen, echt. Maar dat kan niet.’
‘Hoezo niet?’ grauwde Caramon.
Tas ademde diep in. ‘Nou, als ik me de verhalen goed herinner die Raistlin me heeft verteld, dan geloof ik dat het Wayrethwoud ons heeft gevonden.’
Even staarde Caramon Tas met grote, bloeddoorlopen ogen aan.
‘Dat kan niet,’ zei hij na een poosje, met een stem die nauwelijks boven een fluistering uitkwam. ‘We zijn er nog mijlen bij vandaan! Ik... Raist en ik... hebben er maanden over gedaan om het woud te vinden. En de Toren staat heel ver ten zuiden van hier! Helemaal voorbij Qualinesti, volgens jouw landkaart.’ Caramon keek Tas dreigend aan. ‘Dat is toch niet die kaart waarop Tarsis aan zee ligt, hè?’
‘Dat zou kunnen,’ zei Tas ontwijkend, terwijl hij de kaart haastig oprolde en achter zijn rug verborg. ‘Ik heb er zoveel...’ Snel veranderde hij van onderwerp. ‘Maar Raistlin zei dat het een magisch woud was, dus als het zou willen, zou het ons denk ik best kunnen opzoeken.’
‘Het is inderdaad een magisch woud,’ prevelde Caramon met diepe, bevende stem. ‘Het is een oord vol verschrikkingen.’ Hij sloot zijn ogen en schudde zijn hoofd, waarna hij opeens opkeek, met een sluwe uitdrukking op zijn gezicht. ‘Dit is een list, hè? Een list om me ervan te weerhouden te drinken. Nou, dat werkt dus niet...’
‘Het is geen list, Caramon,’ verzuchtte Tas. Toen wees hij ergens naar. ‘Kijk daar maar eens. Het ziet er precies zo uit als Raistlin een keer voor me heeft beschreven.’