Caramon keek om, zag wat hij bedoelde en huiverde, bij de aanblik en bij de bittere herinneringen aan zijn broer die deze opriep.
Het veldje waarop ze hadden overnacht was een kleine, met gras begroeide open plek, een eindje van de hoofdweg af. Het werd omringd door esdoorns, dennenbomen, notenbomen en zelfs een paar espen. De bomen begonnen net uit te botten. Caramon had ernaar staan kijken terwijl hij een graf voor Crysania aan het delven was. De zachte, geelgroene kleur van de vroege lente hing in het ochtendlicht als een glans om de takken. Wilde bloemen groeiden tussen de wortels, de eerste bloemen van het voorjaar: krokussen en viooltjes.
Als Caramon nu om zich heen keek, zag hij dat die bomen hen nog steeds omringden – aan drie kanten. Maar aan de vierde kant, in het zuiden, waren de bomen veranderd.
Die bomen, grotendeels dood, stonden in keurige rijen naast elkaar, in slagorde. Als je wat dieper het bos in keek, zag je af en toe een levende boom, die als een officier toezicht hield op zijn zwijgende peloton soldaten. In dit woud scheen de zon niet. Een dikke, ongezonde mist kronkelde tussen de bomen door en hield het licht tegen. De bomen zelf zagen er afzichtelijk uit, verwrongen en misvormd, met takken als reusachtige klauwen die over de grond krabden. De takken bewogen niet, want geen zuchtje wind beroerde hun dode bladeren. Maar in het woud bewoog van alles, afschuwelijke wezens. Caramon en Tas zagen schaduwen tussen de boomstammen door flitsen, schaduwen die zich schuilhielden in de doornstruiken.
‘En moet je dit nu eens zien,’ zei Tas. Zonder acht te slaan op Caramons verschrikte kreet, rende de kender recht op het woud af. En de bomen weken uiteen. Ze maakten een breed pad vrij dat recht naar het donkere hart van het woud leidde. ‘Dat is toch niet te geloven?’ riep Tas verwonderd uit. Hij bleef vlak voor het pad staan. ‘En als ik achteruitloop...’
De kender liep achteruit bij de bomen vandaan, en de stammen schoven weer naar elkaar toe, als soldaten die de rangen sloten, en vormden een stevige barrière.
‘Je hebt gelijk,’ zei Caramon schor. ‘Het is het Wayrethwoud. Zo verscheen het ook aan ons, op een ochtend.’ Hij liet zijn hoofd zakken. ‘Ik wilde er niet in. Ik heb nog geprobeerd Raist tegen te houden. Maar hij was helemaal niet bang. De bomen weken voor hem uiteen en hij trad binnen. “Blijf bij me, broer,” zei hij, “en ik zal ervoor zorgen dat je niets overkomt.” Hoe vaak had ik diezelfde woorden niet tegen hem gesproken? Hij was niet bang. Ik wel.’
Opeens draaide Caramon zich om. ‘Laten we maken dat we wegkomen.’ Koortsachtig en met bevende handen raapte hij zijn slaapspullen bij elkaar. De inhoud van het flesje klotste over zijn deken heen.
‘Werkt niet,’ zei Tas laconiek. ‘Heb ik al geprobeerd. Kijk maar.’
De kender keerde de bomen zijn rug toe en liep in noordelijke richting. De bomen bewogen niet. Maar op onverklaarbare wijze liep Tas opeens weer naar het woud toe. Wat hij ook probeerde, hoe vaak hij zich ook omdraaide, telkens weer liep hij gewoon recht op de mistige, nachtmerrieachtige bomen af.
Zuchtend kwam Tas naast Caramon staan. De kender keek ernstig op naar de betraande, roodomrande ogen van de grote man en legde zijn kleine hand sussend op zijn ooit zo sterke arm.
‘Caramon, jij bent de enige die hier al eerder is geweest. Je bent de enige die de weg weet. En er is nog iets.’ Tas wees ergens naar. Caramon keek in de richting die hij aanwees. ‘Je had het over vrouwe Crysania. Daar ligt ze. Ze leeft, maar tegelijkertijd is ze dood. Haar huid voelt ijskoud aan. Haar ogen hebben een vreselijke, starende blik. Ze ademt en haar hart klopt, maar het is net alsof het dat kruidige spul rondpompt dat de elfen gebruiken om hun doden mee te balsemen.’ De kender haalde diep en beverig adem.
‘We moeten hulp voor haar zoeken, Caramon. Misschien kunnen de magiërs daarbinnen’ – hij wees naar het woud – ‘haar helpen. Maar ik kan haar niet tillen.’ Hulpeloos stak hij zijn handen in de lucht. ‘Ik heb je nodig, Caramon. Zij heeft je nodig. Je zou kunnen zeggen dat je het haar verschuldigd bent.’
‘Omdat het mijn schuld is dat ze gewond is geraakt?’ mompelde Caramon woest.
‘Nee, dat bedoelde ik niet,’ zei Tas. Hij liet zijn hoofd hangen en streek over zijn ogen. ‘Eigenlijk is het niemands schuld.’
‘Jawel, het is wel degelijk mijn schuld,’ zei Caramon. Tas keek voorzichtig naar hem op, want hij ving een klank op in Caramons stem die hij al heel lang niet meer had gehoord. De grote man stond te staren naar de flacon in zijn hand. ‘Het wordt tijd dat ik het onder ogen zie. Ik heb iedereen er de schuld van gegeven: Raistlin, Tika... Maar al die tijd heb ik, diep van binnen, geweten dat het aan mij lag. In die droom drong het opeens tot me door. Ik lag op de bodem van een graf, en ik besefte: dit is inderdaad de bodem. Dieper kan ik niet zinken. Ik kan twee dingen doen: blijven liggen tot iemand zand over me heen gooit – zoals ik met Crysania wilde doen – of eruit klimmen.’ Caramon slaakte een diepe, beverige zucht. Toen leek hij opeens een besluit te nemen. Hij deed de kurk terug op de flacon en gaf hem aan Tas. ‘Hier,’ zei hij. ‘Het wordt een lange klim, en ik zal ongetwijfeld hulp nodig hebben. Maar niet dat soort hulp.’
‘O, Caramon!’ Tas sloeg zijn armen zo ver als hij kon om het middel van de grote man heen en omhelsde hem stevig. ‘Ik was niet bang van dat enge woud, niet echt. Maar ik vroeg me wel af hoe ik er in mijn eentje doorheen moest komen. Om nog maar te zwijgen over vrouwe Crysania, en... O, Caramon! Wat ben ik blij dat je er weer bent! Ik…’
‘Rustig maar, rustig maar,’ mompelde Caramon met een rood gezicht van gêne. Zachtjes duwde hij Tasselhof van zich af. ‘Het is al goed. Ik weet niet of je veel aan me zult hebben, want ik was de eerste keer dat ik dat woud in ging al doodsbang. Maar je hebt gelijk. Misschien kunnen ze Crysania helpen.’ Caramons gezicht verhardde. ‘En misschien kunnen ze dan meteen een paar vragen beantwoorden die ik over Raist heb. Goed, waar is die greppeldwerg gebleven? En’ – hij wierp een blik op zijn riem – ‘waar is mijn dolk?’
‘Welke dolk?’ vroeg Tas. Hij huppelde opgetogen heen en weer, zijn blik gericht op het woud.
Met een grimmig gezicht pakte Caramon de kender vast. Zijn blik ging naar Tas’ riem. Tas keek er ook naar. Zijn ogen werden groot van verbazing.
‘Bedoel je die dolk? Hemeltje, ik vraag me af hoe die daar is terechtgekomen. Weet je,’ zei hij bedachtzaam, ‘ik wed dat je hem tijdens het gevecht op de grond hebt laten vallen.’
‘Ja,’ mompelde Caramon. Brommend pakte hij zijn dolk terug, en hij stak hem net terug in de schede toen hij achter zich een geluid hoorde. Geschrokken draaide hij zich om, en hij kreeg een emmer vol ijskoud water recht in zijn gezicht.
‘Nu hem wakker,’ verkondigde Boepoe zelfvoldaan, terwijl ze de emmer liet vallen.
Terwijl zijn kleren lagen te drogen, zat Caramon de bomen te bestuderen, met een gezicht dat vertrokken was van de pijn bij de herinneringen. Uiteindelijk zuchtte hij diep, kleedde zich aan, controleerde zijn wapens en stond op. Meteen stond Tas naast hem.
‘Kom, we gaan!’ zei hij gretig.
Caramon bleef staan. ‘Het woud in?’ vroeg hij met hopeloze stem.
‘]a, natuurlijk,’ zei Tas, een beetje geschrokken. ‘Waar anders?’
Caramon trok een boos gezicht, zuchtte en schudde zijn hoofd. ‘Nee, Tas,’ zei hij bars. ‘Blijf jij maar hier, bij vrouwe Crysania. Nee, moet je luisteren,’ zei hij toen de kender een verontwaardigde kreet slaakte, ‘ik loop alleen even een eindje het woud in om, eh... de boel te verkennen.’
‘Je denkt dat daar iets rondloopt, hè?’ zei Tas beschuldigend. ‘Daarom moet ik hier blijven van jou. Zodat jij dat woud in kunt en lekker kunt gaan vechten. Waarschijnlijk dood je dat monster nog ook, en dat moet ik dan allemaal missen!’
‘Dat betwijfel ik,’ mompelde Caramon. Met een ongeruste blik op het mistige woud trok hij zijn zwaardriem strakker.
‘Je kunt me op z’n minst vertellen wat je denkt dat het is,’ zei Tas. ‘En zeg, Caramon, wat moet ik eigenlijk doen als het jou doodt? Mag ik dan wel naar binnen? Hoe lang moet ik wachten? Kan het je binnen, laten we zeggen, vijf minuten doden? Tien? Niet dat ik dat verwacht,’ voegde hij er haastig aan toe toen hij Caramons ogen groot zag worden. ‘Maar ik moet het eigenlijk wel weten, aangezien ik hier straks de leiding heb, snap je.’