Boepoe nam de slonzige krijger schattend op. ‘Mij zeggen: twee minuten. Monster hem binnen twee minuten doden. Wedden?’ Ze keek Tas aan.
Caramon wierp hun allebei een grimmige blik toe en slaakte toen nog een zucht. Het was eigenlijk alleen maar logisch wat Tas vroeg.
‘Ik weet niet precies wat we kunnen verwachten,’ mompelde hij. ‘Ik... ik weet nog dat we de vorige keer iets tegenkwamen... een geest. Het... Raist...’ Hij zweeg. ‘Ik weet niet wat je moet doen,’ zei hij na een korte stilte. Met hangende schouders draaide hij zich om en liep langzaam in de richting van het woud. ‘Je best. Lijkt me.’
‘Mij hebben hier mooie slang. Mij wedden hij houdt het twee minuten vol,’ zei Boepoe tegen de kender, terwijl ze in haar tas zocht. ‘Wat jouw inzet?’
‘Sst,’ deed Tas zachtjes, terwijl hij Caramon nakeek. Toen schudde hij zijn hoofd en ging naast Crysania zitten, die op de grond lag en met niets ziende ogen naar de hemel staarde. Voorzichtig trok Tas de kap van haar mantel over haar gezicht om haar te beschermen tegen de zon. Hij had zonder succes geprobeerd die starende ogen dicht te drukken. Het was alsof haar lichaam in marmer was veranderd.
Bij iedere stap die Caramon in de richting van het woud deed, had hij het gevoel dat Raistlin naast hem liep. De krijger kon het geruis van het gewaad van zijn broer – toen was het nog rood – bijna horen. Hij kon Raistlins stem horen, altijd vriendelijk, altijd zacht, maar ook altijd met dat zachte, sarcastische gesis waar zijn vrienden zich zo aan stoorden. Caramon had het nooit erg gevonden. Hij begreep het wel. Dat dacht hij tenminste.
De bomen van het woud weken plotseling voor hem uiteen, net als zoëven voor de kender.
Net zoals ze uiteen weken toen wij eropaf liepen... hoeveel jaar geleden alweer, dacht Caramon. Zeven? Is het echt pas zeven jaar geleden? Nee, besefte hij bedroefd. Het is een heel leven geleden, voor ons allebei.
Toen Caramon de rand van het woud naderde, kroop de mist over de grond om zijn enkels, en de kou brandde in zijn huid en drong door tot in zijn botten. De bomen leken hem aan te staren met takken die kronkelden van pijn. Hij moest denken aan het gekwelde woud van Silvanesti, en dat bracht nog meer herinneringen aan zijn broer naar boven. Even bleef Caramon staan, zijn blik gericht op het woud. Hij zag de donkere schaduwgestalten die op hem wachtten. En Raistlin was er niet bij om ze op afstand te houden. Deze keer niet.
‘Ik was nog nooit ergens bang voor geweest, tot ik het Wayrethwoud binnenging,’ zei Caramon zachtjes bij zichzelf. ‘De laatste keer ben ik alleen doorgelopen omdat jij bij me was, broer. Jouw moed alleen hield me op de been. Hoe kan ik hier nu zonder jou binnengaan? Het is magisch. Ik begrijp niets van magie. Ik kan er niets tegen beginnen. Dan is er toch geen hoop?’ Caramon sloeg zijn handen voor zijn ogen om zich af te sluiten voor het afschuwelijke beeld. ‘Ik kan daar niet naar binnen,’ zei hij ellendig. ‘Dat is te veel gevraagd.’
Hij trok zijn zwaard uit de schede en hield het voor zich uit. Zijn hand beefde zo hevig dat hij het bijna liet vallen. ‘Ha!’ zei hij verbitterd. ‘Zie je wel? Ik zou het nog niet van een kind kunnen winnen. Dit is te veel gevraagd. Hopeloos. Dit is hopeloos...’
‘Het is niet moeilijk om hoop te hebben in de lente, krijger, wanneer het buiten warm is en de vallenbomen groen zijn. Het is niet moeilijk om hoop te hebben in de zomer, wanneer de vallenbomen glinsteren van het goud. Het is niet moeilijk om hoop te hebben in de herfst, wanneer de vallenbomen zo rood zijn als levend bloed. Maar in de winter, wanneer de wind scherp en bitter is en de hemel grijs, sterft de vallenboom dan, krijger?’
‘Wie zei dat?’ riep Caramon uit. Verwilderd keek hij om zich heen, met zijn zwaard stevig in zijn bevende hand.
‘Wat doet de vallenboom in de winter, krijger, wanneer het donker is en zelfs de grond bevroren is? Dan graaft hij dieper, krijger. Dan steekt hij zijn wortels diep, diep in de grond, naar het warme hart van de wereld. Daar, in de diepte, vindt de vallenboom de voeding die hij nodig heeft om de duisternis en de kou te overleven, opdat hij in de lente weer kan uitbotten.’
‘Ja, en?’ vroeg Caramon wantrouwig. Hij deed een stap achteruit en keek om zich heen.
‘Jij bevindt je in de donkerste winter van je leven, krijger. Dus zul je diep moeten graven om de warmte en de kracht te vinden die je zullen helpen de bittere kou en de vreselijke duisternis te overleven. Je bevindt je niet langer in de bloei van de lente, je hebt niet langer de levenslust van de zomer. Je moet de kracht die je nodig hebt zoeken in je hart, in je ziel. Dan zul je, net als de vallenboom, weer opbloeien.’
‘Mooie woorden,’ begon Caramon met een boos gezicht. Hij vertrouwde het niks, al dat gepraat over lente en bomen. Maar hij kon zijn zin niet afmaken, want de adem stokte hem in de keel.
Het woud veranderde voor zijn ogen.
De kromme, mismaakte bomen rechtten zich, hieven hun takken naar de hemel en groeiden, groeiden, groeiden. Hij legde zijn hoofd zo ver in zijn nek dat hij bijna zijn evenwicht verloor, maar nog steeds kon hij de toppen niet zien. Het waren vallenbomen! Net als in Soelaas, voor de draken kwamen. Terwijl hij vol ontzag toekeek, zag hij de dode takken tot leven komen: groene knoppen barstten open en groeiden uit tot groene, glanzende bladeren die zomers goud kleurden; de seizoenen trokken voorbij terwijl hij bevend ademhaalde.
De afschuwelijke mist trok op, maakte plaats voor een zoete geur, afkomstig van prachtige bloemen die tussen de wortels van de vallenbomen bloeiden. De duisternis in het woud verdween, en de zon scheen zijn felle licht op de wiegende bomen. En zodra het zonlicht op de bladeren van de bomen viel, vulde de geurige lucht zich met het gezang van vogels.
Caramons ogen vulden zich met tranen. De schoonheid van het lied raakte hem recht in het hart. Er was hoop. In het woud zou hij de antwoorden op al zijn vragen vinden. Daar zou hij de hulp vinden die hij zocht.
‘Caramon!’ Tasselhof sprong opgewonden op en neer. ‘Caramon, wat schitterend! Hoe heb je dat gedaan? Hoor je die vogels? Laten we gaan! Snel!’
‘Crysania,’ zei Caramon. Hij draaide zich om. ‘We zullen een draagbaar moeten maken. Je zult me even moeten helpen...’ Maar voordat hij zijn zin kon afmaken, bleef hij als verstijfd staan en staarde verbijsterd naar twee gestalten in witte gewaden, die geruisloos het gouden woud uit schreden. Ze hadden hun witte kap zo ver over hun hoofd getrokken dat hij hun gezicht niet kon zien. Allebei bogen ze plechtig voor hem, waarna ze over het gras naar de plek liepen waar Crysania lag, in een slaap die leek op de dood. Moeiteloos tilden ze haar roerloze lichaam op, en ze droegen haar voorzichtig naar de plek waar Caramon stond. Aan de rand van het woud bleven ze staan, draaiden hun hoofd in zijn richting en keken hem afwachtend aan.