‘Ik denk dat ze willen dat jij hen voorgaat, Caramon,’ zei Tas opgewekt. ‘Ga jij maar vast, dan haal ik Boepoe.’
De greppeldwerg was midden op het grasveld blijven staan en keek vol achterdocht naar het woud, een achterdocht die Caramon opeens deelde nu hij naar de gestalten in het wit keek.
‘Wie zijn jullie eigenlijk?’ vroeg hij.
Ze antwoordden niet. Ze bleven gewoon staan wachten.
‘Wat maakt het uit wie ze zijn,’ zei Tas. Ongeduldig pakte hij Boepoe vast en sleurde haar met zich mee, zodat haar tas tegen haar hakken stootte.
Caramon trok een boos gezicht. ‘Gaan jullie maar voorop.’ Hij gebaarde naar de gestalten in het wit. Ze zeiden niets en verroerden zich niet.
‘Waarom wachten jullie tot ik het woud binnenga?’ Caramon deed een stap achteruit. ‘Toe maar,’ zei hij gebarend, ‘neem haar maar mee naar de Toren. Jullie kunnen haar helpen. Daar hebben jullie mij niet voor...’
De gestalten zeiden niets, maar een van hen hief zijn hand en wees.
‘Kom op, Caramon,’ spoorde Tas hem aan. ‘Zo te zien nodigt hij ons uit.’
‘Ze zullen ons niet lastigvallen, broer... We zijn uitgenodigd.’ Dat had Raistlin gezegd, zeven jaar geleden.
‘Magiërs die ons uitnodigen. Ik vertrouw ze voor geen cent,’ zei Caramon zachtjes, en dat was het antwoord dat hij indertijd ook had gegeven.
Opeens klonk er gelach, een merkwaardig, griezelig, fluisterend gelach. Boepoe sloeg haar armen om Caramons been heen en klampte zich doodsbang aan hem vast. Zelfs Tasselhof leek een beetje verontrust. En toen klonk er een stem die Caramon zeven jaar geleden ook had gehoord.
‘Mij ook niet, lieve broer?’
Hoofdstuk 11
De afzichtelijke verschijning kwam steeds dichterbij. Crysania was in de ban van een ongekende angst, een angst waarvan ze het bestaan niet eens had vermoed. Achteruitdeinzend dacht Crysania voor het eerst na over de dood – haar eigen dood. Het was niet de vredige overgang naar het gezegende rijk waarin ze altijd had geloofd. Het was verwoestende pijn en krijsende duisternis, eeuwige dagen en nachten waarin ze slechts de levenden kon benijden.
Ze trachtte om hulp te roepen, maar haar stem liet haar in de steek. Er was toch niemand die haar kon helpen. De dronken krijger lag in een plas bloed. Met haar helende handen had ze hem gered, maar hij zou nog uren blijven slapen. De kender kon haar niet helpen. Niets hielp hiertegen...
De duistere gestalte bleef doorlopen, kwam steeds dichterbij. Ren dan, gilde een stem in haar hoofd. Maar haar ledematen wilden niet gehoorzamen. Achteruitdeinzen was al een hele opgave, en dat leek haar lichaam op eigen houtje te doen, zonder dat zij daar opdracht toe had gegeven. Ze kon niet eens wegkijken. De oranje, flakkerende lichtjes op de plaats van zijn ogen hielden haar blik vast.
Hij hief een hand, een spookachtige hand. Ze kon er dwars doorheen kijken, kon dwars door hem heen kijken, naar de in nachtelijke schaduw gehulde bomen achter hem.
De zilveren maan stond aan de hemel, maar het was niet dat heldere licht dat werd weerkaatst door de antieke wapenrusting van de lang geleden gestorven Solamnische ridder. Het wezen straalde zijn eigen, ziekelijke licht uit, de gloed van zijn verrotting. Zijn hand werd steeds hoger geheven, en Crysania wist dat ze zou sterven zodra hij zich ter hoogte van haar hart bevond.
Met lippen die verdoofd waren van angst riep Crysania een naam. ‘Paladijn,’ bad ze. De angst verdween niet en ze kon haar ziel nog steeds niet losrukken uit de afschuwelijke greep van die brandende blik. Maar haar hand ging naar haar keel. Ze greep het medaillon beet en rukte het van haar hals. Terwijl de kracht wegvloeide uit haar lichaam en haar bewustzijn flakkerde, hief Crysania haar hand. Het platina medaillon ving de gloed van Solinari en leek een blauwwit licht uit te stralen. De afzichtelijke verschijning sprak: ‘Sterf.’
Crysania voelde dat ze viel. Haar lichaam raakte de grond, maar de grond ving haar niet op. Ze viel er dwars doorheen, erbij vandaan. Ze viel... viel... sloot haar ogen... sliep... droomde...
Ze lag in een eikenbos. Witte handen graaiden naar haar voeten, gapende monden wilden haar bloed drinken. De duisternis was eindeloos, de bomen bespotten haar, hun krakende takken lachten haar met een afgrijselijk geluid uit.
‘Crysania,’ zei iemand met zachte fluisterstem.
Wat was dat voor iets, dat tussen de eikenbomen haar naam sprak? Ze kon het zien staan, op een open plek, in het zwart gehuld.
‘Crysania,’ zei het nogmaals.
‘Raistlin!’ Ze snikte het uit van dankbaarheid. Strompelend rende ze weg uit het angstaanjagende eikenbos, op de vlucht voor de handen zo wit als beenderen die haar naar zich toe wilden sleuren om hun eeuwige kwelling te delen, en voelde twee magere armen die om haar heen werden geslagen. Ze voelde de merkwaardige, brandende aanraking van slanke vingers.
‘Wees gerust, eerwaarde dochter,’ zei hij zachtjes. Bevend in zijn armen sloot Crysania haar ogen. ‘Je beproevingen zijn achter de rug. Je bent veilig door het bos heen gekomen. Je had niets te vrezen, vrouwe. Je had immers mijn bezwering.’
‘Ja,’ prevelde Crysania. Ze raakte haar voorhoofd aan, op de plek waar zijn lippen haar huid hadden beroerd. Toen besefte ze wat ze had doorstaan en dat ze in zijn bijzijn zwakte had getoond, dus duwde ze de armen van de magiër weg. Ze deed een stap achteruit en nam hem kil op.
‘Waarom omring je jezelf met zulke kwalijke wezens?’ vroeg ze op hoge toon. ‘Waarom heb je behoefte aan dergelijke... dergelijke wachters?’ Onwillekeurig beefde haar stem.
Raistlin keek haar mild aan, met goudkleurige ogen die glansden in het licht van zijn staf. ‘Met wat voor wachters omring jij je, eerwaarde dochter?’ vroeg hij. ‘Welke kwellingen wachten mij als ik voet zou zetten op de gewijde grond van de tempel?’
Crysania wilde hem stevig van repliek dienen, maar de woorden stierven op haar lippen. Inderdaad, de tempel stond op gewijde grond. Gewijd aan Paladijn, en indien een volgeling van de Koningin van de Duisternis voet op het terrein zette, zou hij de toorn van Paladijn voelen. Crysania zag dat Raistlin glimlachte, dat zijn dunne lippen trilden. Ze voelde haar wangen rood worden. Hoe lukte het hem toch telkens weer? Nooit was een man erin geslaagd haar zo te vernederen. Nooit had een man haar zo in verwarring gebracht.
Al sinds de avond dat Crysania Raistlin in het huis van Astinus had ontmoet, kon ze de gedachte aan hem niet meer van zich afzetten. Ze had ernaar uitgekeken om vanavond de Toren te bezoeken, maar tegelijkertijd had ze er als een berg tegen opgezien. Ze had Elistan alles verteld over haar gesprek met Raistlin, tenminste alles behalve de ‘bezwering’ die hij over haar had uitgesproken. Om de een of andere reden kon ze zichzelf er niet toe zetten Elistan te vertellen dat Raistlin haar had aangeraakt en... Nee, ze zou er niets over zeggen.
Elistan was al genoeg van streek geweest. Hij kende Raistlin nog van vroeger, want de magiër was een van de metgezellen geweest die de priester hadden gered uit Canaillaards gevangenis in Pax Tharkas. Elistan had Raistlin nooit echt gemogen of vertrouwd, maar dat gold eigenlijk voor iedereen. Het verbaasde de priester dan ook niets toen hij vernam dat de jonge magiër voor de Zwarte Mantel had gekozen. Ook was hij niet verbaasd toen hij van Crysania vernam dat Paladijn haar voor Raistlin had gewaarschuwd. Wat hem wel verbaasde, was Crysania’s reactie op hun ontmoeting. Hij was verrast – en geschrokken – te horen dat Crysania was uitgenodigd om bij Raistlin op bezoek te komen in de Toren, een plaats waar zich nu het kloppend hart van het kwaad op Krynn bevond. Eigenlijk wilde de priester Crysania verbieden te gaan, maar vrije wil was een van de dogma’s van de goden.