Выбрать главу

Toen het licht sterker werd, toonde het een stille gesluierde wereld. Onder hun schuilplaats stonden witte bochels en koepels en vormloze diepten, waaronder het pad dat zij waren gegaan, helemaal verloren ging; maar de hoogten erboven waren verhuld in grote wolken, die nog zwanger waren van de dreigende sneeuw.

Gimli keek omhoog en schudde het hoofd. ‘De Caradhras heeft ons niet vergeven,’ zei hij. ‘Hij heeft nog meer sneeuw om op ons te gooien, als we verdergaan. Hoe vlugger we naar beneden teruggaan, hoe beter.’

Iedereen was het daarmee eens, maar hun terugtocht was nu moeilijk. Misschien zou hij wel onmogelijk blijken. Slechts een paar stappen van de as van hun vuur lag de sneeuw vele voeten diep, hoger dan de hoofden van de hobbits; op sommige plaatsen was ze door de wind opgejaagd en hoog tegen de rotswand opgestapeld.

‘Als Gandalf met een heldere vlam voor ons uit zou gaan, zou hij een pad voor jullie kunnen smelten,’ zei Legolas. De sneeuwjacht had hem weinig gedeerd, en hij was de enige van het Gezelschap die nog opgewekt was.

‘Als elfen over bergen konden vliegen, zouden ze de zon kunnen halen om ons te redden,’ antwoordde Gandalf. ‘Maar ik moet iets hebben om mee te werken. Ik kan geen sneeuw verbranden.’

‘Nu,’ zei Boromir, ‘wanneer hoofden geen raad weten, moeten lichamen te hulp komen, zoals we in mijn land zeggen. De sterksten onder ons moeten een weg zien te vinden. Kijk! Hoewel alles met sneeuw is bedekt, liep ons pad, toen wij de pas bestegen, om die rotshelling heen daarbeneden. Daar kregen we voor het eerst last van de sneeuw. Als wij dat punt zouden kunnen bereiken, zou het verder misschien gemakkelijker zijn. Het is, denk ik, niet meer dan een paar honderd meter.’

‘Laten we dan samen een pad daarheen banen, jij en ik,’ zei Aragorn.

Aragorn was de langste van het Gezelschap, maar Boromir, die weinig in lengte van hem verschilde, was breder en zwaarder gebouwd. Hij ging voorop en Aragorn volgde hem. Langzaam gingen zij op weg en waren weldra aan het zwoegen. Op sommige plaatsen reikte de sneeuw tot aan hun borst, en Boromir scheen vaak met zijn grote armen te zwemmen of te maaien in plaats van te lopen.

Legolas sloeg hem een tijdje glimlachend gade, en wendde zich toen tot de anderen. ‘De sterksten moeten een weg zoeken, zeg je? Maar ik zeg: laat een ploeger ploegen, maar neem een otter om te zwemmen, en om licht over gras en blad of over sneeuw te rennen – een elf.’

Na dit te hebben gezegd, sprong hij kwiek naar voren en toen zag Frodo, als voor de eerste keer, hoewel hij het allang had geweten, dat de elf geen laarzen aanhad, maar slechts lichte schoenen droeg, zoals altijd, en dat zijn voeten bijna geen indruk op de sneeuw achterlieten.

‘Vaarwel!’ zei hij tegen Gandalf. ‘Ik ga de Zon zoeken!’ Toen schoot hij snel weg als een renner over stevig zand, en de moeizaam zwoegende mannen gemakkelijk inhalend, passeerde hij hen met een groet van de hand en verder, tot hij om een hoek in de rotsen verdween.

De anderen bleven samengedrongen staan wachten, kijkend tot Boromir en Aragorn zwarte stipjes in de witheid waren geworden. Ten slotte verdwenen ook zij uit het zicht. De tijd ging langzaam voorbij. De wolken daalden en nu kwamen er weer wat sneeuwvlokjes naar omlaag dwarrelen.

Er verliep misschien een uur, hoewel het veel langer scheen; toen zagen zij ten slotte Legolas terugkeren. Tegelijkertijd verschenen Boromir en Aragorn om de hoek ver achter hem en kwamen de helling op strompelen.

‘Welnu!’ riep Legolas uit toen hij eraan kwam rennen. ‘Ik heb de Zon niet meegebracht. Zij loopt door de blauwe velden van het zuiden en een klein kransje sneeuw op deze Roodhornheuvel deert haar helemaal niet. Maar ik heb een sprankje hoop meegebracht voor hen die gedoemd zijn te voet te gaan. Hier vlak om de hoek ligt de meeste jachtsneeuw van alles en daar werden onze Sterke Mannen bijna bedolven. Ze hadden weinig hoop tot ik terugkeerde en hun vertelde dat de sneeuwhoop weinig breder dan een muur was. Aan de andere kant wordt de sneeuw plotseling minder, terwijl die nog verder naar beneden niet meer is dan een wit laagje om de tenen van een hobbit te verkoelen.’

‘Ha, het is zoals ik zei,’ bromde Gimli. ‘Het was geen gewone sneeuwstorm. Het is de boze wil van de Caradhras. Hij houdt niet van elfen en dwergen, en die sneeuwhoop is daar neergelegd om ons de terugtocht af te snijden.’

‘Maar gelukkig heeft jouw Caradhras vergeten dat je mensen bij je hebt,’ zei Boromir, die op dat ogenblik kwam aanlopen. ‘En sterke mensen ook, al zeg ik het zelf; hoewel minder sterke mannen met schoppen je misschien een betere dienst zouden hebben bewezen. Maar in ieder geval hebben we een weg door de sneeuwmuur gemaakt en daarvoor mogen allen die niet zo licht kunnen voortsnellen als elfen wel dankbaar zijn.’

‘Maar hoe komen we daar, zelfs al heb je een doorgang door de muur gemaakt,’ zei Pepijn, de gedachte van alle hobbits vertolkend.

‘Houd moed!’ zei Boromir. ‘Ik ben moe, maar ik heb nog enige kracht over, en Aragorn ook. Wij zullen de kleine lieden dragen. De anderen zullen zich zonder twijfel redden door het pad achter ons te betreden. Kom, meester Peregrijn! Ik zal met jou beginnen.’

Hij tilde de hobbit op. ‘Houd je aan mijn rug vast! Ik zal mijn armen nodig hebben,’ zei hij en zette zich in beweging.

Daarachter kwam Aragorn met Merijn. Pepijn verbaasde zich over zijn kracht toen hij de doorgang zag die hij al gemaakt had met geen ander hulpmiddel dan zijn grote ledematen. Zelfs nu, belast als hij was, verbreedde hij het pad voor hen die volgden, de sneeuw gaandeweg opzij werpend.

Eindelijk kwamen zij aan bij de grote sneeuwverstuiving. Deze was dwars over het bergpad opgeworpen, als een plotselinge steile muur, en de top ervan, scherp, alsof hij met messen was geslepen, was twee keer zo hoog als Boromir; maar door het midden was een pad gemaakt dat op en af liep als een brug. Aan de andere kant werden Pepijn en Merijn neergezet en bleven daar wachten tot de rest van het Gezelschap was aangekomen.

Na een tijdje kwam Boromir terug met Sam op zijn rug. Daarachter, op het smalle maar nu goed gebaande pad, kwamen Gandalf, die Willem leidde, en Gimli, die tussen de bagage zat. Als laatste kwam Aragorn, die Frodo droeg. Ze gingen door de doorgang; maar nauwelijks raakte Frodo de grond of met zwaar gerommel kwam een lawine van stenen en sneeuw naar beneden. De stuifnevel ervan verblindde de Reisgenoten bijna, terwijl ze zich tegen de rotswand drukten, en toen de lucht weer was opgeklaard, zagen ze dat het pad achter hen was geblokkeerd.

‘Genoeg. Genoeg!’ riep Gimli uit. ‘We vertrekken zo vlug als we kunnen.’ En werkelijk scheen de Berg met die laatste boosaardige uitbarsting te zijn uitgeput, alsof de Caradhras er tevreden mee was dat de indringers waren afgeslagen en niet zouden durven terugkeren. De dreiging van de sneeuw trok op; de wolken begonnen te breken en het licht werd helderder.

Zoals Legolas had gemeld, merkten ze dat de sneeuw hoe langer hoe ondieper werd naarmate zij daalden, zodat zelfs de hobbits konden voortsjokken. Weldra stonden ze allen weer op het vlakke plateau boven aan de steile helling waar ze de vorige avond de eerste sneeuwvlokken hadden gevoeld.

De ochtend was nu vergevorderd. Van hun hoge standplaats keken zij naar het westen terug over de lager gelegen landen. In de verte, in het golvende landschap aan de voet van de berg, lag het dal vanwaar zij hun klim naar de pas waren begonnen.

Frodo’s benen deden pijn. Hij was koud tot op het merg en hongerig; en zijn hoofd duizelde toen hij aan de lange pijnlijke afdaling dacht. Zwarte vlekken dansten voor zijn ogen. Hij wreef, maar de vlekken gingen niet weg. In de verte beneden hen, maar toch nog hoog boven de laatste heuvels, cirkelden zwarte stippen in de lucht.

‘Daar zijn de vogels weer!’ zei Aragorn, naar beneden wijzend.

‘Daar is nu niets aan te doen,’ zei Gandalf. ‘Of zij goed of kwaad zijn, of helemaal niets met ons te maken hebben, we moeten onmiddellijk afdalen. Zelfs op de hellingen van de Caradhras zullen we niet nog een nacht afwachten!’