Выбрать главу

Een koude wind blies achter hen omlaag toen ze de Roodhornpas de rug toekeerden en moeizaam langs de helling strompelden.

De Caradhras had hen verslagen.

IV. Een reis in het donker

Het was avond, en het grijze licht nam snel af toen zij halt hielden voor de nacht. Ze waren erg moe. De bergen lagen in de duisterende schemering gehuld en de wind was koud. Gandalf gaf hun elk nog een slokje van de miruvor van Rivendel. Toen zij wat gegeten hadden, riep hij hen bijeen om te beraadslagen.

‘We kunnen vannacht natuurlijk niet verdergaan,’ zei hij. ‘De aanval op de Roodhornpas heeft ons uitgeput en wij moeten hier een tijdje uitrusten.’

‘En waar gaan we dan naartoe?’ vroeg Frodo.

‘Wij hebben onze reis en ons doel nog voor ons,’ antwoordde Gandalf. ‘We hebben geen andere keus dan om verder te gaan, of naar Rivendel terug te keren.’

Pepijns gezicht klaarde zichtbaar op toen hij over een terugkeer naar Rivendel hoorde spreken; Merijn en Sam keken hoopvol.

Maar Aragorn en Boromir lieten niets blijken. Frodo keek zorgelijk.

‘Ik wou dat ik daar was,’ zei hij. ‘Maar hoe kan ik zonder schaamte terugkeren – tenzij er inderdaad geen andere weg is en we al verslagen zijn?’

‘Je hebt gelijk, Frodo,’ zei Gandalf, ‘teruggaan staat gelijk aan erkennen dat we verslagen zijn en dat ons een nog grotere nederlaag te wachten staat. Als wij nu teruggaan, moet de Ring daar blijven; we zullen niet opnieuw op weg kunnen gaan. Dan zal Rivendel vroeg of laat worden belegerd en na een korte, bittere tijd worden verwoest. De Ringgeesten zijn dodelijke vijanden, maar ze zijn nog slechts schimmen van de macht en terreur die ze zouden bezitten als de Heersende Ring weer aan de hand van hun meester was.’

‘Dan moeten we verdergaan, als er een weg is,’ zei Frodo met een zucht. Sam verviel weer in zijn sombere stemming. ‘Er is een weg die we kunnen proberen,’ zei Gandalf. ‘Ik was meteen al, toen ik voor het eerst over deze reis nadacht, van mening dat we hem moesten proberen. Maar het is geen prettige weg, en ik heb er nog niet eerder met alle Reisgenoten over gesproken. Aragorn was ertegen, totdat in ieder geval de pas over de bergen was geprobeerd.’

‘Als het een ergere weg is dan de Roodhornpas, dan moet hij wel heel erg zijn,’ zei Merijn. ‘Maar je moest ons er maar van vertellen, en ons meteen het allerergste laten weten.’

‘De weg die ik bedoel leidt naar de Mijnen van Moria,’ zei Gandalf. Alleen Gimli lichtte zijn hoofd op; in zijn ogen smeulde een vuur. Alle anderen werden door angst overvallen toen ze die naam hoorden. Zelfs voor de hobbits was het een legende die een vage angst opwekte.

‘De weg moge dan naar Moria leiden, maar hoe kunnen wij hopen dat hij ook door Moria zal leiden?’ vroeg Aragorn somber.

‘Het is een naam die weinig goeds voorspelt,’ zei Boromir. ‘En ik zie de noodzaak er niet van in om daarheen te gaan. Als we de bergen niet kunnen oversteken, laten we dan naar het zuiden reizen tot we aan de Kloof van Rohan komen, waar de mensen mijn volk vriendelijk gezind zijn, de weg volgend die ik op mijn reis hierheen heb genomen. Of we zouden de Kloof kunnen laten liggen en de Isen oversteken naar Langstrand en Lebennin, en zo Gondor bereiken vanuit de streken dicht bij zee.’

‘De dingen zijn veranderd sinds jij naar het noorden bent gereisd, Boromir,’ zei Gandalf. ‘Heb je niet gehoord wat ik jullie over Saruman heb verteld? Met hem heb ik persoonlijk misschien nog iets te regelen voor alles voorbij is. Maar de Ring moet niet in de buurt van Isengard komen, als dat op de een of andere manier kan worden voorkomen. De Kloof van Rohan is voor ons gesloten zolang wij in het gezelschap van de Drager zijn.

Wat de langere Weg betreft: we hebben er de tijd niet voor. Zo’n reis zou wel eens een jaar in beslag kunnen nemen, en we zouden door vele landen komen die ledig en zonder toevlucht zijn. Maar toch zouden ze niet veilig zijn. De waakzame ogen van Saruman en ook die van de Vijand houden ze in de gaten. Toen jij naar het noorden kwam, Boromir, was je in de ogen van de Vijand slechts één eenzame zwerver uit het zuiden, waar hij zich niet druk om hoefde te maken: zijn gedachten waren vervuld van de jacht op de Ring. Maar je keert nu terug als lid van het Gezelschap van de Ring, en je bent in gevaar zolang je bij ons bent. Het gevaar zal met iedere mijl die wij onder de blote hemel naar het zuiden afleggen groter worden.

Sinds de openlijke aanval op de bergpas is onze toestand uitzichtlozer geworden, vrees ik. Ik zie nu weinig hoop als we niet gauw een tijdje uit het zicht verdwijnen, en ons spoor verbergen. Daarom luidt mijn raad dat wij noch over, noch om de bergen heen moeten gaan, maar eronderdoor. Dat is in ieder geval een weg waarvan de Vijand het minste verwacht dat we hem zullen nemen.’

‘Wij weten niet wat hij verwacht,’ zei Boromir. ‘Wellicht bewaakt hij alle wegen, zowel de waarschijnlijke als de onwaarschijnlijke. In dat geval zou het binnentrekken van Moria gelijkstaan met in een val lopen, of je zou net zo goed aan de poort van de Donkere Toren zelf kunnen kloppen. De naam Moria is zwart.’

‘Je spreekt over dingen waar je niets van weet, wanneer je Moria met de vesting van Sauron vergelijkt,’ antwoordde Gandalf. ‘Ik ben de enige van jullie die ooit in de kerkers van de Zwarte Heerser is geweest, en dan nog alleen maar in zijn oudere en kleinere verblijfplaats in Dol Guldur. Zij die door de poorten van Barad-dûr gaan, keren niet terug. Maar ik zou jullie Moria niet binnenleiden als er geen hoop bestond om er weer uit te komen. Als daar orks zijn, zou het er wel eens slecht voor ons uit kunnen zien, dat is waar. Maar de meeste orks uit de Nevelbergen zijn uiteengejaagd of in de Slag van Vijf Legers gedood. De adelaars berichten dat orks zich weer uit de wijde omtrek verzamelen; maar de kans bestaat dat Moria er nog vrij van is.

Er is zelfs een kans dat daar dwergen zijn, en dat we in een of andere diepgelegen zaal van zijn voorvaderen, Balin, de zoon van Fundin, zullen vinden. Maar hoe het ook moge zijn, men moet het pad gaan dat de noodzaak kiest.’

‘Ik zal u op dat pad vergezellen, Gandalf!’ zei Gimli. ‘Ik zal meegaan om de zalen van Durin te doorzoeken, wat mij daar ook te wachten moge staan – als je de deuren kunt vinden die gesloten zijn.’

‘Goed, Gimli!’ zei Gandalf. ‘Je geeft me moed. We zullen de geheime deuren samen zoeken. En wij zullen het overleven. In de ruïnes van de dwergen zal het moeilijker zijn een dwerg van zijn stuk te brengen dan elfen, mensen of hobbits. Toch zal het niet de eerste keer zijn dat ik in Moria ben geweest. Ik heb daar lang naar Thráin, de zoon van Thrór, gezocht nadat hij vermist was. Ik ben erdoor getrokken, en er weer levend uitgekomen!’

‘Ik ben ook eens door de Poort van Deemril gegaan,’ zei Aragorn kalm, ‘maar hoewel ik er ook weer uitkwam, is de herinnering eraan bijzonder slecht. Ik wens Moria niet voor een tweede keer binnen te gaan.’

‘En ik wil het zelfs niet één keer binnengaan,’ zei Pepijn.

‘En ik ook niet,’ mompelde Sam.

‘Natuurlijk niet!’ zei Gandalf. ‘Wie wel? Maar de vraag is: wie wil mij volgen als ik jullie daarheen leid?’

‘Ik,’ zei Gimli geestdriftig.

‘Ik,’ zei Aragorn moeizaam. ‘Jij hebt mij gevolgd toen ik jullie in de sneeuw bijna tot rampspoed had gebracht, en geen woord van afkeuring gesproken. Ik zal mij nu aan jouw leiding onderwerpen – als deze laatste waarschuwing je niet op andere gedachten brengt. Ik denk nu niet aan de Ring of aan ons, maar aan jou, Gandalf. En ik zeg je: wees op je hoede als je de deuren van Moria doorgaat!’

‘Ik ga niet mee,’ zei Boromir, ‘tenzij de stemmen van alle anderen tegen mij zijn. Wat zeggen Legolas en de kleine lieden? De stem van de Drager van de Ring moet toch zeker worden gehoord?’

‘Ik wil niet naar Moria gaan,’ zei Legolas.

De hobbits zeiden niets. Sam keek Frodo aan. Eindelijk sprak Frodo. ‘Ik wil niet gaan,’ zei hij, ‘maar ik wil ook niet weigeren de raad van Gandalf op te volgen. Ik zou willen dat er geen stemming wordt gehouden, voordat we er een nacht over geslapen hebben. Gandalf zal gemakkelijker stemmen krijgen in het licht van de ochtend dan in deze koude duisternis. Hoor die wind eens huilen!’