Gimli liep nu naast de tovenaar voorop, zo verlangde hij ernaar naar Moria te gaan. Samen leidden ze de Reisgenoten terug naar de bergen. De enige weg die vroeger van het westen naar Moria had geleid, had langs de loop van een stroom gelegen, de Sirannon, die van de voet van de steile rotsen vlak bij waar de deuren hadden gestaan, ontsprong. Maar, óf Gandalf was verdwaald, óf het land was in de laatste jaren veranderd, want hij kwam niet bij de stroom waar hij die zocht, slechts enkele mijlen ten zuiden vanwaar zij waren vertrokken.
De ochtend neigde naar de middag, en nog altijd dwaalde en strompelde het Gezelschap door een kaal landschap van rode stenen. Nergens zagen zij enige schittering van water of hoorden zij enig geluid ervan. Alles was geblakerd en droog. De moed zonk hun in de schoenen. Ze zagen geen levend wezen, en er was niet één vogel in de lucht; maar niemand durfde eraan te denken wat de nacht zou brengen als hij hen in dat verlaten land zou overvallen.
Plotseling riep Gimli, die vooruit was gegaan, iets tegen hen. Hij stond op een heuveltje en wees naar rechts. Toen ze zich naar hem toe spoedden zagen zij beneden een diep en smal kanaal. Het was leeg en stil en er liep nauwelijks een straaltje water tussen de bruine en rode stenen op zijn bedding; maar aan hun kant ervan liep een pad, gebroken en vervallen, dat zich tussen de verwoeste muren en straatstenen van een oude hoofdweg slingerde.
‘Ha, hier is het eindelijk!’ zei Gandalf. ‘Hier heeft de stroom gelopen, Sirannon, de Poortstroom, zoals hij werd genoemd. Maar wat er met het water is gebeurd weet ik niet; het stroomde vroeger snel en luidruchtig. Kom, we moeten ons haasten. We zijn laat.’
De Reisgenoten hadden pijnlijke voeten en waren moe, maar ze sjokten gedwee vele mijlen over het oneffen, slingerende pad. De zon had haar hoogste stand bereikt en begon nu naar het westen te dalen. Na een kort oponthoud en een haastig maal, gingen ze verder. Voor hen stonden dreigend de bergen, maar hun pad liep door een diep golfdal en ze konden slechts de hogere hellingen en de verre toppen in het oosten zien.
Eindelijk kwamen zij bij een scherpe bocht. Daar maakte de weg, die tussen de rand van het kanaal en een steile helling links naar het zuiden had gelopen, een draai en liep weer recht naar het oosten. Toen ze de hoek om gingen, zagen ze een lage rotswand voor zich, ongeveer vijf vadem hoog, met een gebroken en gekartelde top. Daaroverheen sijpelde water door een brede spleet, die uitgeschuurd scheen te zijn door een waterval, die eens breed en krachtig was geweest.
‘Er is inderdaad heel wat veranderd,’ zei Gandalf. ‘Maar je kunt je niet in de plek vergissen. Dit is alles wat er over is van de Trap-waterval. Als ik me goed herinner, waren ernaast treden in de rots uitgehakt, maar de hoofdweg liep er links omheen en steeg met verschillende lussen naar het vlakke terrein op de top. Er placht ook een ondiepe vallei achter de watervallen te zijn tot helemaal aan de muren van Moria, en de Sirannon liep erdoor met de weg ernaast. Laten we eens gaan kijken hoe het er nu uitziet!’
Ze vonden de uitgehakte treden zonder moeite en Gimli sprong er vlug op, gevolgd door Gandalf en Frodo. Toen ze de top bereikten, zagen zij dat zij langs die weg niet verder konden, en de reden waarom de Poortstroom was opgedroogd werd nu duidelijk. Achter hen vulde de ondergaande zon de koele westelijke hemel met glinsterend goud. Voor hen strekte zich een donker onbewogen meer uit. Noch de hemel, noch de ondergaande zon weerspiegelde zich op zijn doffe oppervlakte. De Sirannon was ingedamd en had de hele vallei gevuld. Achter het onheilspellende water verhieven zich hoge rotsen, hun barse wanden bleek in het vervagende licht: onverbiddelijk en ontoegankelijk. Frodo kon geen teken van een poort of ingang, geen spleet of barst in het dreigende gesteente ontdekken.
‘Daar zijn de Muren van Moria,’ zei Gandalf, over het water wijzend. ‘En daar heeft de Poort eens gestaan, de elfendeur aan het einde van de weg van Hulst waarlangs wij gekomen zijn. Maar deze weg is versperd. Niemand van de Reisgenoten zal, naar ik aanneem, dit sombere water aan het einde van de dag willen overzwemmen. Het ziet er onguur uit.’
‘We moeten een weg langs de noordelijke rand proberen te vinden,’ zei Gimli. ‘Het eerste dat het Gezelschap moet doen is langs het hoofdpad omhoogklimmen en zien waar het heen leidt. Zelfs als er geen meer was, zouden we onze lastpony toch niet deze trap op kunnen krijgen.’
‘Maar we kunnen hoe dan ook het arme beest niet mee de Mijnen in nemen,’ zei Gandalf. ‘De weg onder de bergen is een donkere en er zijn nauwe en steile plaatsen die hij niet kan gaan, zo wij er zelf al kans toe zien.’
‘Arme ouwe Willem,’ zei Frodo. ‘Daar had ik niet aan gedacht. En die arme Sam. Ik vraag me af wat hij zal zeggen.’
‘Het spijt me,’ zei Gandalf. ‘De arme Willem is een nuttige metgezel geweest en het gaat me aan mijn hart hem nu te moeten wegsturen. Als ik mijn zin had gehad, zou ik minder bagage en geen lastdier hebben meegenomen, het minst van al dit dier waar Sam zo op gesteld is. Ik heb van het begin af aan gevreesd dat wij deze weg zouden moeten nemen.’
De dag liep ten einde, en er schitterden koude sterren aan de hemel hoog boven de zonsondergang, toen de Reisgenoten, zo vlug zij konden, de hellingen beklommen en de kant van het meer bereikten. In de breedte leek de afstand tussen de oevers niet meer dan vier- tot zeshonderd meter te zijn. Hoe ver het zich naar het zuiden uitstrekte, konden zij niet zeggen in de vallende duisternis, maar de noordelijkste punt was niet meer dan een halve mijl vanwaar zij stonden, en tussen de rotsachtige randen die de vallei en de rand van het water omsloten, was een strook open grond. Ze repten zich voorwaarts, want ze hadden nog een paar mijl te gaan voor ze het punt aan de andere oever konden bereiken waar Gandalf op afging; en dan moest hij de deuren nog vinden.
Toen ze aan de noordelijkste hoek van het meer kwamen, werd hun weg versperd door een nauwe kreek. Deze was groen en stagnerend, als een slijmerige arm die naar de heuvels was uitgestrekt. Gimli stapte onvervaard naar voren en merkte dat het water ondiep was, niet meer dan enkeldiep aan de rand. Ze liepen in ganzenmars achter hem aan, voorzichtig lopend, want onder de met planten begroeide plassen waren glibberige, gladde stenen, die hun voeten een verraderlijke steun boden. Frodo huiverde van walging toen hij het donkere, vieze water aan zijn voeten voelde.
Toen Sam, als laatste van het Gezelschap, Willem naar de droge grond aan de andere kant leidde, klonk er een zacht geluid; een geruis gevolgd door een plons, alsof een vis de gladde oppervlakte van het water had verstoord. Toen ze zich snel omdraaiden zagen ze rimpelingen, met zwarte schaduwranden in de schemering; grote kringen verspreidden zich buitenwaarts van een punt ver op het meer. Er klonk een borrelend geluid en toen was het stil. De schemering verdiepte zich, en de laatste stralen van de ondergaande zon waren in wolken gehuld.
Gandalf spoedde zich nu zeer snel voort en de anderen volgden zo vlug zij konden. Zij bereikten de strook droog land tussen het meer en de rotswanden; deze was smal, vaak nog geen twaalf meter breed, en lag vol met gevallen rotsblokken en stenen, maar ze vonden een weg, terwijl ze dicht bij de rotswand en zo ver mogelijk van het donkere water vandaan bleven. Een mijl zuidelijker langs de oever kwamen ze bij hulstbomen. Knoesten en dode takken lagen in de ondiepten te rotten, de overblijfselen, scheen het, van oude kreupelbosjes of van een heg die eens de weg door het nu ondergelopen dal had omzoomd. Maar onder aan de rotswand stonden, sterk en levend, nog twee hoge bomen, hoger dan enige andere hulstbomen die Frodo ooit had gezien of zich had voorgesteld. Hun grote wortels spreidden zich van de muur naar het water uit. Onder de opdoemende rotswanden hadden zij er vanuit de verte als struiken uitgezien, toen ze boven aan de Trap stonden; maar nu verrezen ze hoog boven hun hoofden; stijf, donker en stil, en wierpen diepe nachtschaduwen rondom hun stammen, terwijl ze als verzuilde schildwachten aan het einde van de weg stonden.