‘Nou, we zijn er eindelijk!’ zei Gandalf. ‘Hier eindigde de elfenweg uit Hulst. Hulst was het teken van de bevolking van dat land en zij plantten het hier om het einde van hun domein aan te geven; want de Westdeur werd voornamelijk gemaakt voor hun verkeer met de Heren van Moria. Dat waren gelukkiger tijden, toen er af en toe nog grote vriendschap bestond tussen lieden van verschillend ras, zelfs tussen dwergen en elfen.’
‘Het was niet de schuld van de dwergen dat die vriendschap verloren ging,’ zei Gimli.
‘Ik heb nooit gehoord dat het de schuld van de elfen was,’ zei Legolas.
‘Ik heb allebei gehoord,’ zei Gandalf, ‘en wil nu geen oordeel vellen. Maar ik verzoek jullie allebei, Legolas en Gimli, om vrienden te zijn en mij te helpen. Ik heb jullie beiden nodig. De deuren zijn gesloten en verborgen, en hoe eerder wij ze vinden hoe beter. De nacht is op komst!’
Zich tot de anderen wendend, zei hij: ‘Wil ieder van jullie, terwijl ik zoek, zich klaarmaken om de Mijnen binnen te gaan? Want hier, vrees ik, moeten wij afscheid nemen van ons brave lastdier. Jullie moeten veel van de dingen die wij tegen het barre weer hebben meegenomen, achterlaten; je zult ze binnen niet nodig hebben, en ook niet, hoop ik, als wij het overleven en verder naar het zuiden reizen. In plaats daarvan moet elk van ons een deel nemen van wat de pony heeft gedragen, vooral voedsel en waterzakken.’
‘Maar u kunt de arme Willem niet op deze verlaten plaats achterlaten, meneer Gandalf!’ riep Sam boos en ontsteld uit. ‘Ik wil het niet hebben, basta. Nadat hij zo ver is meegekomen en zo.’
‘Het spijt me, Sam,’ zei de tovenaar. ‘Maar wanneer de deur opengaat, denk ik niet dat je je Willem naar binnen zult kunnen slepen in de lange duisternis van Moria. Je zult moeten kiezen tussen Willem en je meester.’
‘Hij zou meneer Frodo in het hol van een draak volgen als ik hem leidde,’ wierp Sam tegen. ‘Het zou niet minder dan moord zijn om hem los te laten met al die wolven in de buurt.’
‘Het zal minder dan moord zijn, hoop ik,’ zei Gandalf. Hij legde zijn hand op de kop van het dier en zei zacht: ‘Ga vergezeld van woorden van behoedzaamheid en leiding. Je bent een wijs dier en hebt in Rivendel veel geleerd. Ga naar plekken waar je gras kunt vinden en kom zo te zijner tijd bij Elronds huis, of waar je wilt. Welaan, Sam! Hij zal net zoveel kans hebben om aan de wolven te ontkomen en naar huis terug te keren als wij.’
Sam stond neerslachtig bij de pony en gaf geen antwoord. Willem, die goed scheen te begrijpen wat er aan de hand was, besnuffelde hem en drukte zijn neus tegen Sams oor. Sam barstte in tranen uit en morrelde aan de riemen, alle pakken van de rug van de pony afnemend en op de grond gooiend. De anderen sorteerden de goederen en legden alles wat kon achterblijven op een hoop, en verdeelden de rest.
Toen dit gedaan was, keerden ze zich om en keken naar Gandalf. Hij scheen niets te hebben gedaan. Hij stond tussen de twee bomen naar de kale muur van de rotswand te kijken, alsof hij er met zijn ogen een gat in wilde boren. Gimli liep rond, hier en daar de steen met zijn bijl bekloppend. Legolas stond tegen de rots aan gedrukt, alsof hij luisterde.
‘Nu, hier zijn we, helemaal klaar,’ zei Merijn, ‘maar waar zijn de deuren? Ik zie er niets van.’
‘Dwergdeuren kun je niet zien wanneer ze dicht zijn,’ zei Gimli. ‘Ze zijn onzichtbaar en hun eigen meesters kunnen ze niet vinden of openen als hun geheim verloren is gegaan.’
‘Maar deze Deur werd niet gemaakt om een geheim te zijn dat alleen aan dwergen bekend is,’ zei Gandalf, die plotseling weer tot leven kwam en zich omdraaide. ‘Als de dingen helemaal veranderd zijn, kunnen ogen die weten waar zij moeten zoeken, de tekens wellicht ontdekken.’
Hij liep naar de muur toe. Precies tussen de schaduw van de bomen was een gladde oppervlakte en hierover liet hij zijn handen glijden, terwijl hij iets mompelde. Toen ging hij achteruit. ‘Kijk,’ zei hij. ‘Kunnen jullie nu iets zien?’
De maan scheen nu op de grijze rotswand, maar een tijdlang zagen ze niets anders. Toen verschenen er langzaam op de oppervlakte, waar de handen van de tovenaar langs hadden gestreken, vage lijnen, als dunne zilveradertjes in het gesteente. Eerst waren het niet meer dan bleke herfstdraden, zo fijn, dat ze alleen maar zwak schitterden waar de maan erop scheen, maar geleidelijk werden ze breder en helderder, totdat men hun vorm kon raden.
Bovenaan, zo hoog als Gandalf kon reiken, was een boog van verstrengelde letters in een elfenschrift. Daaronder, hoewel de draden op sommige plaatsen onduidelijk of gebroken waren, was de omtrek zichtbaar van een aambeeld en een hamer, waarboven een kroon met zeven sterren stond. Daaronder waren weer twee bomen, die elk halvemanen droegen. Duidelijker dan dit alles flonkerde in het midden van de deur één enkele ster met vele stralen.
‘Daar zijn de emblemen van Durin!’ riep Gimli uit.
‘En daar is de Boom van de Hoge Elfen!’ zei Legolas.
‘En de ster van het Huis van Fëanor,’ zei Gandalf. ‘Ze zijn gemaakt van ithildin, dat alleen het sterren- en maanlicht weerspiegelt, en sluimert totdat het wordt aangeraakt door iemand die woorden spreekt die nu lang vergeten zijn in Midden-aarde. Het is lang geleden sinds ik ze gehoord heb, en ik moest diep nadenken voor ik ze mij kon herinneren.’
Hier staat geschreven met de fëanoriaanse letters volgens de wijze van Beleriand: Ennyn Durin Aran Moria: pedo mellon a minno. Im Narvi hain echant: Celebrimbor o Eregion teithant i thiw hin.
‘Wat betekent het schrift?’ vroeg Frodo, die de inscriptie op de boog probeerde te ontcijferen. ‘Ik dacht dat ik de elfenletters kende, maar deze kan ik niet lezen.’
‘De woorden zijn in de elfentaal van het Westen van Midden-aarde in de Oudste Tijden,’ antwoordde Gandalf. ‘Maar voor ons zeggen ze niets van belang. Er staat slechts: De Deuren van Durin, Heer van Moria. Spreek, vriend, en treed binnen. En daaronder staat in kleine onduidelijke letters: Ik, Narvi, heb ze gemaakt. Celebrimbor uit Hulst tekende deze letters.’
‘Wat betekent dat spreek, vriend, en treed binnen?’ vroeg Merijn.
‘Dat is nogal duidelijk,’ zei Gimli. ‘Als je een vriend bent, spreek het wachtwoord, en de deuren zullen opengaan en je kunt binnentreden.’
‘Ja,’ zei Gandalf, ‘deze deuren worden waarschijnlijk door woorden beheerst. Sommige dwergpoorten openen zich slechts op bepaalde tijden, of voor bepaalde personen; andere hebben sloten en sleutels die toch nodig zijn als alle vereiste tijden en woorden bekend zijn. Deze deuren hebben geen sleutel. In de tijd van Durin waren zij niet geheim. Ze stonden gewoonlijk open en er zaten wachters bij. Maar als ze gesloten waren, kon iedereen die het wachtwoord kende, dit uitspreken en naar binnen gaan. Tenminste, zo staat het geboekstaafd, nietwaar, Gimli?’
‘Jazeker,’ zei de dwerg. ‘Maar wat het woord is weet men niet meer. Narvi en zijn ambacht en al zijn soortgenoten zijn van de aardbodem verdwenen.’
‘Maar ken jij het woord niet, Gandalf?’ vroeg Boromir verbaasd.
‘Nee!’ zei de tovenaar.
De anderen keken ontsteld; alleen Aragorn, die Gandalf goed kende, zweeg en bleef onbewogen.
‘Wat had het dan voor zin ons naar deze vervloekte plaats te brengen?’ riep Boromir, terwijl hij huiverend achteromkeek naar het donkere water. ‘Je hebt ons verteld dat je eens door de Mijnen bent getrokken. Hoe kon dat als je niet wist hoe je binnen moest komen?’
‘Het antwoord op je eerste vraag, Boromir,’ zei de tovenaar, ‘is dat ik het woord niet ken, nóg niet. Maar we zullen het weldra zien. En,’ voegde hij er met een schittering in zijn ogen onder de borstelige wenkbrauwen aan toe, ‘misschien vraag je je af wat mijn daden voor nut hebben als ze nutteloos blijken. Wat je andere vraag aangaat: twijfel je aan mijn verhaal? Of ben je je verstand kwijt? Ik ben niet aan deze kant naar binnen gegaan. Ik kwam van het oosten.