Als je het wilt weten, wil ik je wel vertellen dat deze deuren naar buiten opengaan. Van binnenuit kun je ze met je handen openduwen. Van buitenaf kan niets hen bewegen behalve een bezweringsformule. Ze kunnen niet naar binnen worden opengedrukt.’
‘Wat denk je dan te doen?’ vroeg Pepijn, geenszins uit het veld geslagen door de borstelige wenkbrauwen van de grijze tovenaar.
‘Met jouw hoofd op de deuren bonzen, Peregrijn Toek,’ zei Gandalf. ‘Maar als dat ze niet verbrijzelt, en men mij een tijdje met rust laat in plaats van domme vragen te stellen, zal ik de woorden zoeken die ze doen opengaan.
Eens kende ik iedere toverformule in alle talen van elfen, Mensen en orks die ooit voor een dergelijk doel werd gebruikt. Ik kan mij er nog moeiteloos honderden herinneren. Ik denk dat ik er slechts een paar hoef te proberen; en ik zal geen beroep hoeven te doen op Gimli voor woorden van de geheime dwergentaal, die zij niemand leren. De eerste woorden waren Elfs, evenals het schrift op de boog; dat staat vast.’
Hij ging weer naar de rots en raakte zachtjes met zijn staf de zilveren ster in het midden aan, onder het teken van het aambeeld.
sprak hij op bevelende toon. De zilveren lijnen vervaagden, maar de effen grijze steen bewoog niet.
Vele keren herhaalde hij deze woorden in een andere volgorde, of varieerde ze. Toen probeerde hij andere formules, een voor een, dan weer snel en luid, dan weer zacht en langzaam sprekend. Daarna sprak hij vele afzonderlijke woorden in het Elfs. Er gebeurde niets.
De rotswand rees hoog in de nacht op, de talloze sterren begonnen te fonkelen, de wind woei koud en de deuren bleven hermetisch gesloten.
Weer ging Gandalf naar de muur toe en met opgeheven armen sprak hij op bevelende en boze toon. ‘Edro, edro!’ riep hij uit en sloeg met zijn staf tegen de rots. ‘Open, open!’ riep hij, en herhaalde hetzelfde bevel in iedere taal die ooit in het westen van Middenaarde was gesproken. Toen wierp hij zijn staf op de grond en ging zwijgend zitten.
Op dat ogenblik woei op de wind het verre gehuil van de wolven aan. Willem de pony steigerde van angst en Sam sprong aan zijn zijde en fluisterde hem kalmerende woorden toe. ‘Laat hem niet weglopen!’ zei Boromir. ‘Het lijkt erop dat we hem nodig zullen hebben, als de wolven ons niet te pakken krijgen. Wat haat ik die smerige poel!’ Hij boog zich voorover en pakte een grote steen op, die hij ver in het donkere water wierp.
De steen verdween met een zachte plons, maar tegelijkertijd klonk er een suizend en borrelend geluid. Aan de oppervlakte vormden zich grote kabbelende kringen op de plaats waar de steen was neergekomen, en deze bewogen zich langzaam naar de voet van de heuvel.
‘Waarom doe je dat, Boromir,’ vroeg Frodo. ‘Ik heb ook een hekel aan deze plek, en ik ben bang. Ik weet niet waarvoor; niet voor wolven of het donker achter die deuren, maar voor iets anders. Ik ben bang voor die plas. Verstoor hem niet.’
‘Ik wou dat we weg konden gaan,’ zei Merijn.
‘Waarom doet Gandalf niet gauw iets?’ vroeg Pepijn.
Gandalf schonk geen aandacht aan hen. Hij zat met gebogen hoofd, in wanhoop of in bezorgde gedachten. Het klagende gehuil van de wolven woei opnieuw aan. De rimpelingen op het water werden groter en kwamen dichterbij; sommige klotsten reeds tegen de oever aan.
Zo onverwachts dat iedereen werd opgeschrikt, sprong de tovenaar overeind. ‘Ik heb het!’ riep hij uit. ‘Maar natuurlijk, natuurlijk! Bespottelijk eenvoudig, als de meeste raadsels wanneer je het antwoord weet.’
Hij nam zijn staf op en ging voor de rots staan en zei met heldere stem: Mellon!
De ster lichtte even op en vervaagde weer. Toen tekende zich geluidloos een grote deur af, hoewel er daarvoor geen scheur of scharnier te zien was geweest. Langzaam ging hij in het midden naar twee kanten open en kwam centimeter voor centimeter naar buiten, totdat beide deuren tegen de muur waren geklapt. Door de opening kon men een schimmige trap steil naar boven zien lopen; maar voorbij de onderste treden was de duisternis dieper dan de nacht. De Reisgenoten staarden er met verbazing naar.
‘Ik heb het per slot van rekening toch mis gehad,’ zei Gandalf, ‘en Gimli ook. Uitgerekend Merijn was de enige die op het goede spoor zat. Het wachtwoord heeft de hele tijd op de boog gestaan! De vertaling had moeten zijn: Zeg “Vriend” en treed binnen. Ik hoefde alleen het elfenwoord voor “vriend” maar te zeggen en de deuren gingen open. Heel eenvoudig. Te eenvoudig voor een geleerde in deze achterdochtige tijden. Dat waren gelukkiger tijden. Laat ons nu gaan!’
Hij trad naar voren en zette zijn voet op de onderste trede. Maar op dat ogenblik gebeurde er een aantal dingen. Frodo voelde dat hij door iets bij de enkel werd gepakt, en hij viel met een kreet. Willem de pony hinnikte wild van angst, keerde zich om en galoppeerde langs de rand van het meer de duisternis in. Sam sprong hem achterna, maar toen hij Frodo’s kreet hoorde, snelde hij huilend en vloekend terug. De anderen draaiden zich om en zagen de wateren van het meer zieden, alsof een troep slangen van het zuidelijke einde kwam aanzwemmen.
Uit het water was een lange pezige tentakel gekropen; hij was bleekgroen, lichtend en nat. Het vingervormige uiteinde hield Frodo’s voet vast en trok hem het water in. Sam, op zijn knieën, hakte er nu met zijn dolk op in. De arm liet Frodo los en Sam trok hem weg, om hulp roepend. Twintig andere armen kwamen rimpelend uit het meer. Het water kolkte en er was een walgelijke stank.
‘De poort door! De trap op! Vlug!’ schreeuwde Gandalf, terwijl hij achteruit sprong. Hen opwekkend uit de ontzetting die hen allen, behalve Sam, ter plekke scheen te hebben vastgenageld, dreef hij hen vooruit.
Ze waren net op tijd. Sam en Frodo waren nog maar een paar treden opgelopen en Gandalf was net begonnen te klimmen, toen de grijpende tentakels over de smalle oever kronkelden en de wand van de rots en de deuren betastten. Een kwam er over de drempel kronkelen, glanzend in het sterrenlicht. Gandalf draaide zich om en bleef staan. Als hij stond te bedenken welk woord de deur weer van binnenuit zou sluiten, was dat overbodig. Vele kronkelende armen pakten de deuren aan beide kanten vast en met verschrikkelijke kracht gooiden zij ze dicht. Met een oorverdovende dreun vielen ze in hun voegen en al het licht was buitengesloten. Een geluid van scheuren en kraken kwam dof door de steenmuur heen.
Sam, die zich aan Frodo’s arm vastgreep, zakte ineen op een trede in de pikzwarte duisternis. ‘Arme ouwe Willem!’ zei hij met een verstikte stem. ‘Arme ouwe Willem. Wolven en slangen! Maar de slangen waren te veel voor hem. Ik moest kiezen, meneer Frodo. Ik moest met u meegaan.’
Ze hoorden Gandalf de trap weer aflopen en met zijn staf tegen de deuren slaan. Er voer een siddering door het gesteente en de trap trilde, maar de deuren openden zich niet.
‘Welnu,’ zei de tovenaar. ‘De gang is achter ons geblokkeerd, en er is maar één uitgang – aan de andere kant van de bergen. Naar de geluiden te oordelen vrees ik dat er rotsblokken zijn opgestapeld en dat de bomen ontworteld en voor de poort gegooid zijn. Dat spijt me, want die bomen waren prachtig en hadden daar zo lang gestaan.’
‘Ik voelde dat er iets afschuwelijks te gebeuren stond, van het ogenblik af dat mijn voet voor het eerst het water aanraakte,’ zei Frodo. ‘Wat was dat wezen, of waren het er een heleboel?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Gandalf, ‘maar de armen werden alle naar een en hetzelfde doel geleid. Er is iets uit de donkere wateren onder de bergen gekropen of gejaagd. Er zijn oudere en boosaardiger dingen dan orks in de onderaardse gewelven van de wereld.’ Maar zijn gedachte dat, wat er ook in het meer huisde, het Frodo als eerste van het hele Gezelschap had uitgezocht, sprak hij niet hardop uit.