‘Ik herinner me deze plek helemaal niet,’ zei Gandalf, terwijl hij weifelend onder de boog stond. Hij hield zijn staf omhoog in de hoop een paar tekens of letters te vinden die hem zouden kunnen helpen kiezen, maar er was niets te zien. ‘Ik ben te moe om een beslissing te nemen,’ zei hij hoofdschuddend. ‘En ik veronderstel dat jullie even moe zijn als ik, of nog vermoeider. We moeten hier maar stilhouden voor de rest van de nacht. Je weet wat ik bedoel! Hierbinnen is het altijd donker; maar buiten daalt de late maan naar het westen en de nacht is half om.’
‘Arme ouwe Willem,’ zei Sam, ‘ik vraag me af waar hij is. Ik hoop dat die wolven hem nog niet te grazen hebben genomen.’
Links van de grote boog troffen zij een stenen deur aan; deze was halfdicht, maar kon met een lichte duw worden geopend. Daarachter scheen een groot vertrek te liggen dat in de rotsen was uitgehakt.
‘Kalm aan. Kalm aan!’ riep Gandalf toen Merijn en Pepijn zich naar voren drongen, blij een plek te vinden waar ze konden rusten met in elk geval een groter gevoel van beschutting dan in de open gang. ‘Kalm aan. Jullie weten nog niet wat daarbinnen is. Ik zal eerst gaan.’
Hij ging voorzichtig naar binnen, en de anderen volgden hem.
‘Kijk eens!’ zei hij, terwijl hij met zijn staf naar het midden van de grond wees. Voor zijn voeten zagen ze een groot rond gat als de opening van een bron. Gebroken en roestige kettingen lagen aan de rand ervan en hingen in de donkere afgrond. Stukken steen lagen ernaast.
‘Een van jullie had erin kunnen vallen en zich nog steeds afvragen wanneer hij de bodem zou raken,’ zei Aragorn tegen Merijn. ‘Laat de gids vooropgaan zolang je er een hebt.’
‘Dit schijnt een wachtlokaal te zijn geweest, gemaakt voor het bewaken van de drie gangen,’ zei Gimli. ‘Dat gat was blijkbaar een bron voor de wacht, afgesloten met een stenen deksel. Maar het deksel is gebroken en we moeten allen oppassen in het donker.’
Pepijn voelde zich op een eigenaardige manier door de bron aangetrokken. Terwijl de anderen hun dekens openvouwden en bedden tegen de wanden van het vertrek maakten, zo ver mogelijk van het gat in de vloer, kroop hij naar de rand en gluurde eroverheen. Een koude luchtstroom, die uit onzichtbare diepten opsteeg, scheen langs zijn gezicht te strijken. Door een plotselinge ingeving bewogen, pakte hij een losse steen en liet deze vallen. Hij voelde zijn hart vele keren kloppen voor er een geluid kwam. Toen, heel ver in de diepte, alsof de steen in diep water in een of andere spelonkachtige ruimte was gevallen, klonk er een plomp, heel ver, maar versterkt herhaald in de holle schacht.
‘Wat is dat?’ riep Gandalf uit. Hij was opgelucht toen Pepijn opbiechtte wat hij had gedaan, maar ook boos, en Pepijn kon zijn ogen zien flonkeren. ‘Dwaze Toek!’ gromde hij. ‘Dit is een ernstige reis, geen wandeltochtje voor hobbits. Gooi jezelf er de volgende keer in, dan zul je tenminste geen last meer veroorzaken. En houd je nu stil!’
Verscheidene minuten lang hoorden ze niets meer; maar toen kwam er uit de diepte een vaag geklop: tom-tap, tap-tom. Het hield op en toen de echo’s waren weggestorven, werden ze herhaald: tap-tom, tom-tap, tap-tap, tom. Ze klonken verontrustend veel als signalen, maar na een tijdje stierf het geklop weg en werd niet weer gehoord.
‘Als dat niet het geluid van een hamer was, weet ik het niet,’ zei Gimli.
‘Ja,’ zei Gandalf, ‘en ik vertrouw het niet. Misschien heeft het niets te maken met Peregrijns idiote steen, maar waarschijnlijk is er iets verstoord dat beter met rust had kunnen worden gelaten. Doe alsjeblieft niet nog eens zoiets. Laten we hopen dat we zonder verdere moeilijkheden wat kunnen rusten. Jij, Pepijn, mag het eerst de wacht houden, bij wijze van beloning,’ gromde hij, terwijl hij zich in een deken wikkelde.
Pepijn zat ongelukkig in het pikkedonker bij de deur, maar hij bleef zitten ronddraaien, vrezend dat een onbekend wezen uit de bron tevoorschijn zou kruipen. Hij wou dat hij het gat kon bedekken, al was het maar met een deken, maar hij durfde zich niet te verroeren, of ernaartoe te gaan, ook al scheen Gandalf te slapen.
In werkelijkheid was Gandalf wakker, hoewel hij stil en bewegingloos lag. Hij was diep in gedachten verzonken, probeerde zich elke bijzonderheid van zijn vorige reis door de Mijnen te herinneren en overwoog bezorgd zijn volgende stap: een verkeerde afslag zou nu rampzalig kunnen zijn. Na een uur stond hij op en ging naar Pepijn toe.
‘Kruip in een hoek en ga slapen, m’n jongen,’ zei hij vriendelijk. ‘Je wilt slapen, denk ik. Ik kan geen oog dichtdoen, dus kan ik net zo goed de wacht houden.
Ik weet niet wat er met me aan de hand is,’ mompelde hij, toen hij bij de deur ging zitten. ‘Ik moet roken. Ik heb het niet geproefd sinds de ochtend voor de sneeuwstorm.’
Het laatste wat Pepijn zag, voor hij insliep, was een donkere glimp van de oude tovenaar, die ineengedoken op de grond zat en een gloeiend stukje hout in zijn verweerde handen tussen zijn knieën hield. Eén ogenblik verlichtte de vlam zijn scherpe neus, en het rookwolkje.
Het was Gandalf die hen allen wakker maakte. Hij had helemaal alleen ongeveer zes uur de wacht gehouden, en had de anderen laten slapen. ‘En in die tijd heb ik mijn besluit genomen,’ zei hij. ‘De middelste weg geeft me een onaangenaam gevoel, en de reuk van de linkerweg bevalt me niet: er hangt daar een bedorven lucht, of ik ben geen gids. Ik zal de rechtergang nemen. Het wordt tijd dat we weer eens beginnen te klimmen.’
Acht donkere uren lang, twee korte rustpozen niet meegerekend, liepen ze verder en ontmoetten geen gevaren, en hoorden niets, en zagen niets anders dan de flauwe glans van het licht van de tovenaar, dat als een dwaallichtje op en neer deinde. De gang die ze hadden gekozen ging gestaag omhoog, en naarmate hij steeg, werd hij hoger en wijder. Voorzover ze het konden zien, beschreef hij grote stijgende bochten. Er waren nu geen openingen naar andere gangen of tunnels aan beide kanten, en de vloer was vlak en heel, zonder kuilen of spleten. Klaarblijkelijk hadden ze een weg gekozen die eens belangrijk was geweest en ze kwamen sneller vooruit dan op hun eerste mars.
Zodoende schoten ze ongeveer vijftien mijl op, gemeten in een rechte lijn naar het oosten, hoewel ze in werkelijkheid wel twintig of nog meer mijlen moesten hebben afgelegd. Naarmate de weg steeg, werd Frodo’s stemming wat opgewekter, maar hij voelde zich toch nog terneergeslagen en hoorde nog steeds af en toe, maar misschien was het slechts verbeelding, achter het Gezelschap en achter het geluid en getrippel van hun voeten, een voetstap volgen die geen echo was.
Zij hadden zo ver gelopen als hobbits zonder te rusten konden gaan, en allen dachten aan een plaats waar zij konden slapen, toen de wanden aan de linker- en rechterkant ineens verdwenen. Ze schenen door een soort boog in een zwarte ledige ruimte te zijn gekomen. Achter zich voelden ze een sterke warmere luchtstroom, maar voor hen was de duisternis koud op hun gezichten. Zij bleven staan en drongen zich angstig tegen elkaar aan.
Gandalf scheen in zijn nopjes te zijn. ‘Ik heb de goede weg gekozen,’ zei hij. ‘Eindelijk komen we aan de bewoonbare delen, en ik vermoed dat we nu niet ver meer van de oostkant zijn. Maar we zijn hoog, een heel eind hoger dan de Poort van Deemril, als ik me niet vergis. Naar de lucht te oordelen moeten we in een grote zaal zijn. Ik zal het er nu op wagen een weinig echt licht te maken.’
Hij hief zijn staf op en heel even was er een vlam als een bliksemflits. Grote schaduwen sprongen op en vluchtten, en één seconde zagen ze een enorm dak boven hun hoofden, dat door vele machtige, uit steen gehouwen pilaren werd getorst. Voor hen en aan weerskanten strekte zich een enorme lege zaal uit; de zwarte muren, gepolijst en glad als glas, glansden en schitterden. Ze zagen nog drie andere ingangen: donkere, zwarte poorten, een recht voor hen oostwaarts, en een aan weerskanten. Toen ging het licht uit.