Выбрать главу

‘Meer durf ik op het ogenblik niet te wagen,’ zei Gandalf. ‘Vroeger waren er grote ramen in de bergwand, en schachten die op het licht aan de bovenste gedeelten van de Mijnen uitkwamen. Ik denk dat we die nu hebben bereikt, maar het is weer nacht buiten, en we zullen het dus pas morgenochtend weten. Als ik het bij het rechte eind heb, zullen we morgen misschien het daglicht naar binnen zien gluren. Maar ondertussen moesten we maar niet verdergaan. Laat ons rusten, zo mogelijk. Tot dusver is alles goed gegaan en het grootste deel van de donkere weg ligt achter ons. Maar we zijn er nog niet, en het is nog een lange weg naar de Poorten die op de wereld uitkomen.’

De Reisgenoten brachten die nacht in de grote grotzaal door, in een hoek dicht bij elkaar gekropen om aan de tocht te ontkomen: er scheen een voortdurende koude luchtstroom door de oostelijke poort te komen. Rondom hen hing de duisternis, hol en oneindig, en zij werden benauwd van de eenzaamheid en onmetelijkheid van de uitgehakte zalen en zich eindeloos vertakkende trappen en gangen. De wildste voorstellingen die de hobbits zich naar aanleiding van duistere geruchten hadden gemaakt, vielen in het niet bij de werkelijke beklemming en geheimzinnigheid van Moria.

‘Er moet hier eens een geweldige menigte dwergen zijn geweest,’ zei Sam, ‘en elk van hen moet vijfhonderd jaar lang drukker bezig zijn geweest dan een das om dit allemaal te maken, en dan voornamelijk in harde rots. Waarom hebben ze dat allemaal gedaan? Ze woonden toch zeker niet in deze duistere holen?’

‘Dit zijn geen holen,’ zei Gimli. ‘Dit is het grote rijk en de stad van de Dwergenkrocht. En vroeger was het niet donker, maar vol licht en pracht, zoals het in onze liederen wordt verhaald.’

Hij stond op en in het donker begon hij met diepe stem te zingen, terwijl de echo’s zich in het dak voortplantten.

Jong was de wereld, bergen groen, Geen smet lag op de Maan nog toen, Geen woord klonk over stroom of steen Toen Durin rondging, heel alleen, Heuvels en dalen namen schonk, Van ongeproefde bronnen dronk. Hij bukte, in ’t Spiegelmeer zag hij Een kroon van sterren, zilveren rij Van prachtjuwelen, pas gekloofd, Boven de schaduw van zijn hoofd.
Mooi was de wereld, berg en dal, In Oudste Tijden, voor de val Van Vorsten groot in Gondolin En Nargothrond, die als een schim Achter de Zee verdwenen zijn: Mooi was de wereld in Durins Tijd.
Koning was hij op kunstige troon In veelzuilige zalen schoon, Met zilv’ren vloer en gouden dak; Op poort: runen waar macht uit sprak. Het licht van zon en ster en maan In lampen van kristal gedaan, Verduisterd door geen wolk of nacht Straalde in onafgebroken pracht.
Daar klonk op aambeeld hamerslag, Kloofde de beitel, nacht en dag, Daar werd het staal witheet gesmeed, Daar groef de delver zich in ’t zweet. Daar werden beril en opaal En vissenschubben van metaal, Gesp en harnas, bijl en zwaard, Kunstig vervaardigd, en bewaard.
Onvermoeid was toen Durins volk, Muziek was van hun vlijt de tolk, Harpenaren, zangers bovenal En aan de poort trompetgeschal.
Grijs is de wereld, bergen oud, Het smidsvuur is als as zo koud, Geen harp klinkt er, geen hamerslag, Duisternis heerst er nacht en dag; Op Durins graf; schaduw van doem In Moria, en Khazad-dûm. Maar in het stille Spiegelmeer Verschijnen steeds de sterren weer Daar ligt zijn kroon, onaangeraakt, Tot Durin uit zijn slaap ontwaakt.

‘Dat vind ik mooi,’ zei Sam. ‘Ik zou het graag willen leren. In Moria, en Khazad-dûm.Maar het maakt de duisternis nog drukkender wanneer je aan al die lampen denkt. En liggen er hier nog hopen juwelen en goud?’

Gimli zweeg. Nu hij zijn lied had gezongen, wilde hij niets meer zeggen.

‘Hopen juwelen?’ vroeg Gandalf. ‘Nee. De orks hebben Moria vaak geplunderd; in de bovenste zalen is niets meer over. En sinds de dwergen zijn gevlucht, durft niemand de gangen en schatkamers op de diepste plaatsen te zoeken; ze zijn in het water verzonken – of in een schaduw van angst.’

‘Waarom willen de dwergen dan terugkomen?’ vroeg Sam.

‘Om het mithril,’ antwoordde Gandalf. ‘De rijkdom van Moria lag niet in goud en juwelen, de snuisterijen van de dwergen, en ook niet in ijzer, hun dienaar. Zeker, ze hebben deze dingen hier aangetroffen, vooral ijzer, maar zij hoefden er niet naar te delven; alle dingen die ze wilden hebben, konden ze door ruil verkrijgen. Want in de hele wereld was dit de enige plaats waar Moria-zilver, of waarzilver, zoals sommigen het noemen, werd gevonden; mithril is de elfse naam. De dwergen hadden een naam die ze niet willen zeggen. De waarde ervan was tien keer zo groot als die van goud, en tegenwoordig is het onbetaalbaar, want er is weinig van over boven de grond en zelfs de orks durven er hier niet naar te graven. De dwergen spreken er niet over; maar evenzeer als mithril de grondslag van hun rijkdom was, was het hun ondergang; ze dolven te hebzuchtig en te diep, en verstoorden datgene waarvoor zij vluchtten: Durins Vloek. Wat ze aan het licht brachten hebben de orks bijna allemaal verzameld en het als schatting aan Sauron gegeven, die het begeert.

Mithril! Iedereen begeerde het. Men kon het smeden als koper en slijpen als glas; de dwergen konden er een metaal van maken, licht maar harder dan gesmeed staal. De schoonheid ervan was even groot als van gewoon zilver, maar de schoonheid van mithril roestte niet en werd niet dof. De elfen waren er verzot op en maakten er behalve vele andere dingen ook ithildin van, sterrenmaan, dat jullie op de deuren hebben gezien. Bilbo bezat een borstharnas van mithrilringen, dat Thorin hem had geschonken. Ik vraag me af wat ervan geworden is. Ik veronderstel dat het nog steeds in het Museum van Grotedelft stoffig ligt te worden.’

‘Wat?’ riep Gimli, die zijn zwijgen verbaasd verbrak. ‘Een borstharnas van Moria-zilver? Dat was een vorstelijk geschenk!’

‘Ja,’ zei Gandalf. ‘Ik heb het hem nooit verteld, maar de waarde ervan was groter dan die van de hele Gouw met alles wat erin is.’

Frodo zei niets, maar legde zijn hand onder zijn jas en betastte de ringen van zijn maliënhemd. Hij was er helemaal ondersteboven van dat hij met de prijs van de Gouw onder zijn buis had gelopen. Had Bilbo het geweten? Hij twijfelde er niet aan dat Bilbo het maar al te goed geweten had. Het was inderdaad een vorstelijk geschenk. Maar nu waren zijn gedachten afgedwaald van de donkere Mijnen naar Rivendel, naar Bilbo en naar Balingshoek in de dagen toen Bilbo er nog woonde. Hij wenste met heel zijn hart dat hij daar terug was, terug in die tijd, het gras maaiend of tussen de bloemen rondscharrelend, en dat hij nooit van Moria of mithril – of de Ring had gehoord.

Er viel een diepe stilte. Een voor een sukkelden de anderen in slaap. Frodo had de wacht. Alsof er een adem door onzichtbare deuren uit de diepten naar binnen kwam, werd hij door angst overvallen. Zijn handen waren koud en zijn voorhoofd was klam. Hij luisterde. Heel zijn aandacht was gedurende twee langzame uren op luisteren en niets anders geconcentreerd; maar hij hoorde geen geluid, zelfs niet de denkbeeldige echo van een voetstap.

Zijn wacht was bijna voorbij toen hij in de verte, waar hij de westelijke boog vermoedde, twee bleke lichtpunten meende te zien, bijna als lichtgevende ogen. Hij schrok op. Zijn hoofd was op zijn borst gezakt. Ik moet bijna in slaap gevallen zijn, terwijl ik de wacht had, dacht hij. Ik stond op het punt te gaan dromen. Hij stond op, wreef zich de ogen uit en bleef in het duister staren tot hij door Legolas werd afgelost.