Выбрать главу

Toen hij ging liggen, viel hij al gauw in slaap, maar het scheen hem toe dat de droom verderging. Hij hoorde gefluister en zag de twee bleke lichtpuntjes langzaam dichterbij komen.

Hij werd wakker en bemerkte dat de anderen in zijn buurt zacht aan het praten waren en er een flauw licht op zijn gezicht scheen. Hoog boven de oostelijke boog viel een lange bleke lichtstraal door een schacht in het dak, en door de noordelijke boog scheen ook vaag en ver licht in de zaal.

Frodo kwam overeind. ‘Goeiemorgen!’ zei Gandalf. ‘Want eindelijk is het weer morgen. Ik had gelijk, zie je? We bevinden ons hoog aan de oostzijde van Moria. Voor de dag om is moeten we de Grote Poorten vinden en het water van het Spiegelmeer in het Deemrildal voor ons zien liggen.’

‘Ik zal blij zijn,’ zei Gimli. ‘Ik heb Moria gezien, en het is heel groot, maar het is donker en angstwekkend geworden, en we hebben geen spoor van mijn geslacht gezien. Ik begin er nu aan te twijfelen of Balin hier ooit is geweest.’

Nadat ze hadden ontbeten, besloot Gandalf onmiddellijk verder te gaan. ‘We zijn moe, maar we zullen beter rusten wanneer we buiten zijn,’ zei hij. ‘Ik neem aan dat geen van ons nog een nacht langer in Moria zal willen doorbrengen.’

‘Nee, inderdaad,’ zei Boromir. ‘Welke weg zullen we nemen? Die linkerboog daar?’

‘Misschien,’ zei Gandalf. ‘Maar ik weet nog niet precies waar we zijn. Tenzij ik het helemaal mis heb, vermoed ik dat we ons boven en ten noorden van de Grote Poorten bevinden; en het zal misschien niet gemakkelijk zijn de goede weg te vinden die erheen leidt. De oostelijke boog zal waarschijnlijk de weg blijken te zijn die we moeten nemen, maar voor we besluiten, moeten we om ons heen kijken. Laat ons naar dat licht in de noordelijke deur gaan. Als wij een venster konden vinden, zou dat helpen, maar ik vrees dat het licht alleen maar door diepe schachten komt.’

De Reisgenoten volgden hem onder de noordelijke boog door. Zij kwamen in een brede gang. Toen zij erdoor liepen werd het schijnsel sterker, en ze zagen dat het door een deuropening rechts van hen kwam. Deze was hoog en plat vanboven en de stenen deur hing nog in de scharnieren en stond half open. Daarachter lag een grote vierkante kamer. Deze was flauw verlicht, maar voor hun ogen, na zo lang in het donker te hebben vertoefd, scheen het verblindend helder en zij knipperden ertegen toen ze binnengingen.

Hun voeten joegen het diepe stof op dat op de vloer lag en struikelden over dingen in de deuropening, waarvan zij de vormen eerst niet konden onderscheiden. De kamer werd verlicht door een brede schacht hoog in de oostelijke wand; deze liep schuin naar boven en helemaal aan het einde ervan was een klein stukje blauwe hemel te zien. Het licht van de schacht viel recht op een tafel in het midden van de kamer: een langwerpig blok, ongeveer twee voet hoog, waarop een grote witstenen plaat was gelegd.

‘Het lijkt wel een grafsteen,’ mompelde Frodo en boog zich voorover, met een vreemd voorgevoel, om hem beter te kunnen zien.

Gandalf kwam snel naast hem staan. Op de plaat stonden runen diep ingegrift:

‘Dit zijn Daerons runen, die vroeger in Moria werden gebruikt,’ zei Gandalf. ‘In de taal van de Mensen en dwergen staat hier geschreven:

BALIN ZOON VAN FUNDIN

HEER VAN MORIA.’

‘Dus hij is dood,’ zei Frodo. ‘Ik was er al bang voor.’ Gimli trok zijn kap over zijn gezicht.

V. De brug van Khazad-dûm

De Reisgenoten van de Ring stonden zwijgend naast de graftombe van Balin. Frodo dacht aan Bilbo en diens lange vriendschap met de dwerg, en aan Balins bezoek aan de Gouw, lang geleden. In die stoffige kamer in de bergen leek het duizend jaar geleden en aan de andere kant van de wereld.

Eindelijk verroerden ze zich en keken op en begonnen te zoeken naar iets dat hun nieuws over Balins lot zou geven, of zou laten zien wat er van zijn volk was geworden. Er was een tweede, kleinere deur aan de andere kant van de kamer, onder de schacht. Bij beide deuren konden ze nu vele beenderen zien liggen en ertussenin lagen gebroken zwaarden en bijlen, en gespleten schilden en helmen. Sommige van de zwaarden waren krom: orksabels met zwartgemaakte klingen.

Er waren vele holten in de rotsmuren gehakt en daarin stonden grote, met ijzer beslagen houten kisten. Alle waren opengebroken en geplunderd; maar naast het ontwrichte slot van een ervan lagen de resten van een boek. Het was stukgesneden en doorstoken en gedeeltelijk verbrand, en het was zo met zwarte en andere donkere, op bloed lijkende vlekken besmeurd, dat weinig ervan te lezen was. Gandalf raapte het voorzichtig op, maar de bladzijden knisperden en braken toen hij het op de grafsteen legde. Hij boog zich er een tijdje overheen zonder te spreken. Frodo en Gimli, die naast hem stonden, konden, toen hij de bladzijden voorzichtig omsloeg, zien dat ze door veel verschillende handen waren beschreven, met runen, voornamelijk uit Moria en Dal, en hier en daar ook met elfenletters. Ten slotte keek Gandalf op. ‘Het schijnt een kroniek van de lotgevallen van Balins volk te zijn,’ zei hij. ‘Ik vermoed dat het begint met hun aankomst in het Deemrildal bijna dertig jaar geleden; de pagina’s schijnen nummers te hebben die verwijzen naar de jaren na hun aankomst. De bovenste pagina is gemerkt een-drie, zodat er minstens twee aan het begin ontbreken. Luister hier eens naar!

Wij dreven orks van de grote poort en wacht – geloof ik; het volgende woord is onduidelijk en verbrand: waarschijnlijk wachtlokaal – wij doodden er velen in de felle – denk ik – zon in het dal. Flói werd door een pijl gedood. Hij versloeg de groten. Dan is er een vlek, gevolgd door Flói onder gras bij Spiegelmeer. De volgende paar regels zijn onleesbaar. Dan staat er: We hebben de eenentwintigste zaal aan het Noordeinde genomen om in te wonen. Er is ik kan niet lezen wat. Er is sprake van een schacht. Dan staat er: Balin heeft zijn zetel opgericht in de Kamer van Mazarbul.’

‘De Kamer van de Kronieken,’ zei Gimli. ‘Ik vermoed dat wij daar nu staan.’

‘Een heel stuk is volkomen onleesbaar,’ zei Gandalf, ‘behalve de woorden goud en Durins bijl en zoiets als helm. Dan Balin is nu Heer van Moria. Dat schijnt het einde van een hoofdstuk te zijn. Na een paar sterretjes gaat het in een ander handschrift verder en ik kan lezen wij hebben waarzilver gevonden; en later het woord goed gesmeed, en dan iets, o ja, ik zie het: mithril; en de laatste twee regels Óin zal zoeken naar de bovenste wapenkamers van de Derde Diepte, iets van gaan westwaarts, een vlek, naar de poort van Hulst.’

Gandalf pauzeerde en sloeg een paar bladzijden over. ‘Er zijn verschillende van dat soort bladzijden, nogal haastig geschreven en zwaar beschadigd,’ zei hij, ‘maar bij dit licht kan ik er weinig uit opmaken. Nu moet er een aantal bladzijden aan ontbreken, want de nummering begint met vijf, het vijfde jaar van de kolonie, veronderstel ik. Laat eens zien. Nee, ze zijn te zwaar gehavend en gevlekt; ik kan ze niet lezen. Misschien dat het in het zonlicht beter zal gaan. Wacht eens! Hier heb ik iets: een grote forse hand die zich van een elfenschrift bedient.’

‘Dat zal Ori’s hand wel zijn,’ zei Gimli, terwijl hij over de arm van de tovenaar keek. ‘Hij kon goed en vlug schrijven, en gebruikte vaak elfentekens.’

‘Ik vrees dat hij slecht nieuws had om in een mooi handschrift op te schrijven,’ zei Gandalf. ‘Het eerste leesbare woord is verdriet, maar de rest van de regel is weg, tenzij hij op teren eindigt. Ja, het moet gisteren zijn, gevolgd door, zijnde de tiende november sneuvelde Balin, Heer van Moria, in het Deemrildal. Hij ging alleen om in het Spiegelmeer te kijken, een ork schoot hem vanachter een steen dood, wij doodden de ork, maar vele anderen… uit het oosten over de Zilverlei. De rest van de pagina is zo besmeurd, dat ik nauwelijks iets kan onderscheiden, maar ik geloof dat er staat wij hebben de poorten gebarricadeerd en dan kan ze lang tegenhouden indien, en dan misschien afschuwelijk en lijden. Arme Balin! Hij schijnt de titel die hij zich heeft toegeëigend nog geen vijf jaar te hebben gehad. Ik vraag me af wat er daarna is gebeurd; maar er is geen tijd om de laatste paar bladzijden te ontcijferen. Hier is de allerlaatste bladzijde.’ Hij zweeg en zuchtte.