Выбрать главу

‘Het is niet prettig om te lezen,’ zei hij. ‘Ik vrees dat zij aan een wreed einde zijn gekomen. Luister: Wij kunnen er niet uit. Wij kunnen er niet uit. Ze hebben de Brug en tweede zaal ingenomen, Frár, Lóni en Náli zijn daar gesneuveld. De volgende vier regels zijn zo besmeurd, dat ik alleen kan lezen gingen vijf dagen geleden. De laatste regels luiden de poel staat tegen de muur van Westpoort aan. De Waker in het Water greep Óin. We kunnen er niet uit. Het einde nadert; en dan trommen, trommen, in de diepte. Ik vraag me af wat dat betekent. Het laatste dat er geschreven is, staat er in langgerekte elfenletters: zij komen eraan. Verder is er niets.’

Gandalf zweeg en was in gedachten verzonken.

Een plotselinge angst en de verschrikking van de kamer overvielen de Reisgenoten. ‘We kunnen er niet uit,’ mompelde Gimli. ‘Het was maar goed voor ons dat de poel een beetje was gezakt en dat de Waker aan het zuidelijke einde sliep.’

Gandalf hief het hoofd op en keek om zich heen. ‘Ze schijnen zich bij beide deuren voor het laatst verdedigd te hebben,’ zei hij, ‘maar tegen die tijd waren er niet veel meer over. Zo eindigde de poging om Moria te heroveren. Het was dapper maar dwaas. De tijd is nog niet gekomen. Nu, vrees ik, moeten we afscheid nemen van Balin, zoon van Fundin. Hier moet hij liggen in de zalen van zijn voorvaderen. Wij zullen dit boek, het Boek van Mazarbul, meenemen en het later aandachtiger bekijken. Houd jij het maar bij je, Gimli, en breng het terug naar Dáin als je de kans krijgt. Hij zal er belang in stellen, hoewel het hem veel verdriet zal doen. Kom, laat ons gaan. De ochtend verstrijkt.’

‘Welke kant zullen wij uitgaan?’ vroeg Boromir.

‘Terug naar de zaal,’ antwoordde Gandalf. ‘Maar ons bezoek aan deze kamer is niet vergeefs geweest. Ik weet nu waar we zijn. Dit moet, zoals Gimli zegt, de kamer van Mazarbul zijn en de zaal moet de eenentwintigste vanaf de noordzijde zijn. Daarom moeten we door de oostelijke boog van de zaal gaan en rechts en zuidelijk aanhouden, en omlaaggaan. De eenentwintigste zaal moet op de Zevende Hoogte zijn, dat is zes boven de hoogte van de Poorten. Kom mee. Terug naar de zaal!’

Nauwelijks had Gandalf deze woorden gesproken, of er klonk een zwaar geluid: een dreunend Boem! dat uit de diepten ver beneden hen scheen te komen, en het gesteente onder hun voeten deed trillen. Ze sprongen verschrikt naar de deur. Doem, doem dreunde het opnieuw, alsof enorme handen de grotten van Moria tot een geweldige trommel maakten. Toen klonk er een schallende stoot: in de zaal werd een grote hoorn gestoken, en verder weg klonken hoorns en rauwe kreten in antwoord. Ook was er het geluid van vele voeten die zich repten.

‘Ze komen eraan!’ riep Legolas.

‘We kunnen er niet uit,’ zei Gimli.

‘In de val!’ riep Gandalf. ‘Waarom heb ik getreuzeld? Daar zitten we nu, in de val, net zoals zij eens. Maar ik was er toen niet bij. We zullen zien wat…’

Doem, doem klonk het geluid van de trom en de muren trilden.

‘Sla de deuren dicht en zet ze klem!’ schreeuwde Aragorn. ‘En houd je pakken zo lang mogelijk bij je; misschien lukt het ons nog om eruit te komen.’

‘Nee,’ zei Gandalf. ‘We moeten ons niet laten opsluiten. Houd de oostdeur op een kier. We zullen die kant uitgaan als we de kans krijgen.’

Opnieuw weerschalde een hoorn en klonken er schrille kreten. Er kwamen voetstappen door de gang. Het rinkelde en kletterde toen de Reisgenoten hun zwaarden trokken. Glamdring scheen met een bleek licht en Prik glinsterde aan de randen. Boromir zette zijn schouder tegen de westelijke deur.

‘Wacht eens even! Doe hem nog niet dicht!’ zei Gandalf. Hij sprong aan Boromirs zijde en verhief zich in zijn volle lengte. ‘Wie komt hierheen om de rust van Balin, Heer van Moria, te verstoren!’ iep hij met luide stem.

Er klonk een vlaag van hees gelach, als het geratel van stenen die in een groeve vallen; te midden van de herrie verhief zich een diepe stem met een bevel. Doem, boem, doem klonken de trommels in de diepte.

Met een snelle beweging ging Gandalf voor de nauwe deuropening staan en hield zijn staf voor zich uit. Er was een verblindende flits die de kamer en de gang daarbuiten verlichtte. Een ogenblik keek de tovenaar naar buiten. Pijlen floten en kwamen door de gang aansuizen toen hij achteruit sprong.

‘Er zijn orks, heel veel,’ zei hij. ‘En sommigen zijn groot en boosaardig, zwarte uruks uit Mordor. Op het ogenblik doen ze nog niets, maar er is nog iets anders. Een grote Grottrol, denk ik, of meer dan een. Er is geen hoop dat we langs die kant kunnen ontsnappen.’

‘En er is helemaal geen hoop als ze ook aan de andere deur komen,’ zei Boromir.

‘Er is hierbuiten nog geen enkel geluid,’ zei Aragorn, die aan de oostelijke deur stond te luisteren. ‘De gang aan deze kant loopt via een trap recht naar beneden; ze voert blijkbaar niet terug naar de zaal. Maar het heeft geen zin om blindelings deze kant uit te vluchten met achtervolgers op de hielen. We kunnen de deur niet blokkeren. De sleutel is weg en het slot is gebroken, en hij gaat naar binnen open. We moeten eerst iets doen om de Vijand te vertragen. We zullen hun angst voor de Kamer van Mazarbul inboezemen,’ zei hij grimmig, de snede van zijn zwaard Andúril betastend.

In de gang klonken zware voetstappen. Boromir wierp zich tegen de deur aan en drukte haar dicht; toen zette hij haar klem met gebroken zwaarden en houtspaanders. De Reisgenoten trokken zich naar de andere kant van de kamer terug. Maar ze hadden nog geen kans om te vluchten. Er viel een slag op de deur die haar deed trillen en toen schoof ze knarsend open en de wiggen schoven achteruit. Een enorme arm plus schouder, met een donkere huid van groene schubben, werd door het zich verwijdende gat gestoken. Toen kwam er een grote platte teenloze voet door. Buiten heerste doodse stilte.

Boromir sprong naar voren en hakte uit alle macht op de arm in, maar zijn zwaard maakte een rinkelend geluid, ketste af en viel uit zijn hand. Het staal was ingekeept.

Plotseling voelde Frodo tot zijn eigen verbazing een hete golf van woede in zijn hart oplaaien. ‘De Gouw!’ riep hij uit en aan Boromirs zijde springend, bukte hij zich en stak Prik in de afzichtelijke voet. Er klonk gebrul en de voet werd teruggetrokken, waarbij Prik bijna aan Frodo’s hand werd ontwrongen. Zwarte droppels dropen van het staal en vielen walmend op de grond. Boromir wierp zich tegen de deur en sloeg haar weer dicht.

‘Die is voor de Gouw!’ riep Aragorn. ‘De steek van de hobbit gaat diep. Je hebt een goed zwaard, Frodo, zoon van Drogo!’

Er klonk een klap op de deur en toen kwam de ene dreun na de andere. Rammen en hamers beukten ertegenaan. Zij kraakte en wankelde achterwaarts, en de opening verwijdde zich plotseling. Pijlen vlogen fluitend naar binnen, maar raakten de noordelijke muur en vielen op de grond zonder kwaad aan te richten. Er klonk hoorngeschal en het geluid van rennende voeten, en een voor een sprongen orks de kamer binnen.

Hoeveel het er waren konden de Reisgenoten niet tellen. De aanval was hevig, maar de orks werden uit het veld geslagen door de felheid van de verdediging. Legolas schoot er twee door de keel. Gimli hakte een andere, die op Balins graf was gesprongen, de benen af. Boromir en Aragorn doodden er velen. Toen er dertien waren gesneuveld, vluchtten de anderen schreeuwend, de verdedigers ongedeerd achterlatend, behalve Sam die een schram over zijn hoofd had. Een snelle duik had hem gered en hij had zijn ork geveld: één stevige houw met zijn zwaard uit de Grafheuvel. Er smeulde een vuur in zijn bruine ogen, dat Ted Roothooft zou hebben doen terugdeinzen als hij het had kunnen zien.