‘Nu is het tijd!’ riep Gandalf. ‘Laat ons gaan voordat de trol terugkomt!’
Maar terwijl ze zich terugtrokken, en voordat Pepijn en Merijn de trap buiten hadden bereikt, sprong een enorm groot ork-opperhoofd, bijna zo groot als een mens, van top tot teen gekleed in een zwarte maliënkolder, de kamer binnen; achter hem verdrongen zijn aanhangers zich in de deuropening. Zijn brede platte gezicht was donkerbruin, zijn ogen waren als kolen en zijn tong was rood; hij zwaaide met een grote speer. Met een slag van zijn enorme schild weerde hij Boromirs zwaard af en drong hem achteruit, hem op de grond gooiend. Onder Aragorns slag door duikend met de snelheid van een slang die toeslaat, rende hij op de Reisgenoten in en richtte zijn speer recht op Frodo. De slag trof hem aan de rechterkant, en Frodo werd tegen de muur geworpen en daar vastgeprikt. Met een kreet hakte Sam op de schacht van de speer in en deze brak. Maar op hetzelfde ogenblik dat de ork het wapen op de grond gooide en zijn kromzwaard tevoorschijn haalde, kwam Andúril op zijn helm neer. Er was een flits als van een vlam en de helm barstte in stukken. De ork viel met gespleten schedel neer. Zijn aanhangers vluchtten jankend toen Boromir en Aragorn zich op hen stortten.
Doem, doem, dreunden de trommels in de diepte. De zware stem bulderde opnieuw.
‘Nu!’ riep Gandalf. ‘Onze laatste kans. Ren zo hard je kunt!’
Aragorn pakte Frodo op, die bij de muur lag, en liep naar de trap, terwijl hij Merijn en Pepijn voor zich uit duwde. De anderen volgden, maar Gimli moest door Legolas worden meegesleurd: ondanks het gevaar bleef deze bij Balins graf staan, met gebogen hoofd. Boromir trok de oostelijke deur dicht, die in zijn hengsels knarste; aan beide kanten ervan zaten grote ijzeren ringen, maar die konden niet worden vastgemaakt.
‘Ik mankeer niets,’ hijgde Frodo. ‘Ik kan lopen. Zet me neer.’
Aragorn liet hem van verbazing bijna vallen. ‘Ik dacht dat je dood was!’ riep hij uit.
‘Nog niet!’ riep Gandalf. ‘Maar er is geen tijd voor verbazing. Ga vlug weg, jullie allemaal, de trap af. Wacht onderaan een paar minuten op me, maar als ik niet vlug kom, moeten jullie verdergaan. Ga snel en kies de wegen die naar rechts en naar beneden leiden.’
‘We kunnen jou niet alleen de deur laten verdedigen,’ zei Aragorn.
‘Doe wat ik je zeg,’ zei Gandalf heftig. ‘Zwaarden baten hier niet meer. Ga!’
De gang werd niet door een schacht verlicht en was volslagen donker. Ze gingen op de tast langs een groot aantal treden naar beneden en keken toen om; maar ze konden niets zien, behalve hoog boven hen het flauwe schijnsel van de staf van de tovenaar. Hij scheen nog steeds bij de gesloten deur op wacht te staan. Frodo ademde moeizaam en leunde tegen Sam, die zijn armen om hem heen sloeg. Zij stonden in de duisternis naar boven te turen. Frodo meende dat hij de stem van Gandalf boven kon horen, woorden mompelend, die met een zuchtende echo langs het hellende dak liepen. Hij kon niet verstaan wat hij zei. De muren schenen te trillen. Met regelmatige tussenpozen dreunden en bonsden de trommelslagen: doem, doem.
Plotseling was er boven aan de trap een witte lichtflits. Toen klonk er een dof gerommel en een zware bons. De trommelslagen barstten wild los: doem-boem, doem-boem, en hielden toen op. Gandalf kwam de trap afgevlogen en viel op de grond midden in het Gezelschap.
‘Hè, hè! Dat hebben we gehad,’ zei de tovenaar, overeind krabbelend. ‘Ik heb alles gedaan wat ik kon. Maar ik heb mijn gelijke ontmoet en ben bijna vernietigd. Maar blijf hier toch niet staan! Loop door! Jullie zullen het een poosje zonder licht moeten stellen: ik ben nogal in de war. Loop door! Loop door! Waar zit je, Gimli? Ga met mij mee voorop. Blijf vlak achter me, jullie allemaal!’
Ze strompelden achter hem aan, zich afvragend wat er was gebeurd.
Doem, doem, klonken de trommelslagen opnieuw; nu schenen zij gedempt en ver weg, maar ze volgden hen. Er was geen ander geluid dat op een achtervolging wees: geen gestamp van voeten en ook geen stemmen. Gandalf sloeg links- noch rechtsaf, want de gang scheen in de richting te gaan die hij wenste. Nu en dan moesten ze weer een trap af, vijftig treden of meer, naar een lagere verdieping. Op het ogenblik was dit hun grootste gevaar, want in het donker konden ze geen afdaling zien tot ze er vlakbij waren en met hun voeten in het niets stapten. Gandalf tastte de grond af met zijn staf, als een blinde.
Na een uur waren ze een mijl of misschien iets meer gevorderd, en vele trappen afgedaald. Er klonk nog steeds geen geluid van achtervolgers. Zij begonnen bijna te hopen dat ze zouden ontsnappen.
Onder aan de zevende trap bleef Gandalf staan.
‘Het begint warm te worden,’ hijgde hij. ‘We moeten nu toch wel op de hoogte van de Poorten zijn aangeland. Ik geloof dat we weldra links naar een gang moeten uitkijken, om ons naar het oosten te voeren. Ik hoop dat het niet ver meer is. Ik ben erg moe. Ik moet hier even uitrusten, ook al zitten alle orks die ooit zijn uitgebroed ons op de hielen.’
Gimli pakte hem bij de arm en hielp hem op de trap te gaan zitten. ‘Wat is er daarboven bij die deur gebeurd?’ vroeg hij. ‘Heb je de trommelslager ontmoet?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Gandalf. ‘Maar ik stond plotseling tegenover iets dat ik nog nooit eerder ben tegengekomen. Het enige dat ik kon bedenken was te proberen een sluitformule over de deur uit te spreken. Ik ken er vele, maar er is tijd voor nodig om zoiets goed te doen, en zelfs dan kan de deur met geweld worden gebroken.
Terwijl ik daar stond, kon ik orkstemmen aan de andere kant horen; elk ogenblik dacht ik dat zij haar zouden intrappen. Ik kon niet horen wat er werd gezegd, ze schenen in hun eigen weerzinwekkende taal te praten. Het enige dat ik opving was ghâsh; dat is “vuur”. Toen kwam er iets de kamer binnen – ik voelde het door de deur heen, en de orks werden zelf bang en zwegen. Het pakte de ijzeren ring beet en toen werd het mij en mijn formule gewaar.
Wat het was weet ik niet, maar ik heb nog nooit zo’n tegenstand gevoeld.
De tegenformule was vreselijk. Die brak mij bijna. Eén ogenblik ontsnapte de deur aan mijn macht en begon zich te openen! Ik moest een Gebod uitspreken. Dat bleek een te grote spanning te veroorzaken. De deur brak in stukken. Iets donkers als een wolk werkte al het licht binnen weg en ik werd achterwaarts de trap afgegooid. De hele muur stortte in en het dak van de zaal ook, geloof ik.
Ik vrees dat Balin diep bedolven ligt en misschien ligt daar ook iets anders begraven. Ik weet het niet. Maar in ieder geval was de gang achter ons volkomen versperd. Ai! Ik heb mij nog nooit zo uitgeput gevoeld, maar het gaat al over. Maar hoe is het met jou, Frodo? Er was geen tijd om het te zeggen, maar ik ben nog nooit in mijn leven zo blij geweest als toen je sprak. Ik was bang dat het een dappere maar dode hobbit was, die Aragorn in zijn armen droeg.’
‘Hoe het met mij is?’ vroeg Frodo. ‘Ik leef en ben nog heel, geloof ik. Ik ben gekneusd en heb pijn, maar het is niet al te erg.’
‘Nu,’ zei Aragorn, ‘ik kan alleen maar zeggen dat hobbits van een zo taaie materie zijn gemaakt als ik nog nooit eerder ben tegengekomen. Als ik dat geweten had, zou ik in de herberg van Breeg wat zachter hebben gesproken. Die steek met die speer zou een wild zwijn hebben doorboord.’
‘In ieder geval heeft hij mij niet doorboord, gelukkig maar,’ zei Frodo, ‘hoewel ik me voel alsof ik tussen hamer en aambeeld heb gelegen.’ Meer zei hij er niet over. Hij merkte dat het pijnlijk was om adem te halen.