‘Je lijkt op Bilbo,’ zei Gandalf. ‘Er steekt meer in je dan je op het eerste gezicht zou denken, zoals ik lang geleden over hem heb gezegd.’
Frodo vroeg zich af of er misschien meer achter die opmerking zat dan hij zei.
Zij gingen nu weer verder. Het duurde niet lang voor Gimli sprak.
Hij had scherpe ogen in het duister. ‘Ik denk,’ zei hij, ‘dat er een licht voor ons uit is. Maar het is geen daglicht. Het is rood. Wat kan het zijn?’
‘Ghâsh!’ mompelde Gandalf. ‘Ik vraag me af of dat hetgene is waar zij op doelden: dat de laagste verdiepingen in brand staan. Hoe dan ook, we kunnen alleen maar verdergaan.’
Weldra werd het licht onmiskenbaar en was voor allen zichtbaar. Het flakkerde en scheen op de wanden van de gang voor hen. Ze konden nu zien waar ze liepen: voor hen daalde het pad snel en een eindje verder stond een lage poort; daar kwam het licht steeds helderder door. Het werd erg benauwd.
Toen ze bij de poort aankwamen, ging Gandalf erdoor, hen beduidend te wachten. Toen hij even voorbij de opening stond, zagen ze dat zijn gezicht door een rode gloed werd verlicht. Hij ging vlug achteruit.
‘Hier is een nieuwe duivelswereld,’ zei hij, ‘gereed om ons te ontvangen, ongetwijfeld. Maar ik weet nu waar we zijn; we hebben de Eerste Diepte bereikt, de verdieping die vlak onder de Poorten ligt. Dit is de tweede zaal van Oud Moria; en de Poorten zijn vlakbij: aan het oostelijke einde links, hoogstens een kwart mijl. De brug over, langs een brede trap omhoog en via een brede weg de eerste zaal door en dan naar buiten. Kom maar kijken!’
Zij keken onder de poort door. Voor hen lag weer een rotszaal. Deze was hoger en een stuk langer dan die waarin zij hadden geslapen. Zij bevonden zich aan het oostelijke einde ervan; westwaarts strekte ze zich in de duisternis uit. In het midden verrees een dubbele rij hoge pilaren. Deze waren gebeeldhouwd als stammen van machtige bomen, waarvan de takken het dak met een traceerwerk van steen ondersteunden. Hun stammen waren glad en zwart, maar in de zijkanten weerspiegelde een donkerrode gloed. Dwars over de grond, vlak bij de onderkant van twee grote pilaren, had zich een grote spleet geopend. Daaruit kwam een fel rood licht en nu en dan lekten de vlammen over de rand en krulden zich rond de voet van de zuilen. Sliertjes donkere rook trilden in de hete lucht.
‘Als we langs de hoofdweg van de bovenste zalen naar beneden waren gekomen, zouden we hier in de val zijn gelopen,’ zei Gandalf.
‘Laten we hopen dat het vuur nu tussen ons en onze achtervolgers ligt. Kom! Er valt geen tijd te verliezen.’
Terwijl ze spraken hoorden ze het getrommel dat hen achtervolgde: Doem, doem, doem! Achter de schaduwen aan de westzijde van de zaal klonken kreten en hoorngeschal. Doem, doem: de zuilen schenen te trillen en de vlammen te beven.
‘Nu de laatste wedloop!’ zei Gandalf. ‘Als buiten de zon schijnt, zullen we misschien toch nog ontsnappen. Volg mij.’
Hij sloeg linksaf en rende over de effen vloer van de zaal. De afstand was groter dan hij er had uitgezien. Terwijl ze renden hoorden zij de stappen en echo van vele rennende voeten achter zich. Een schrille kreet weerklonk; ze waren gezien. Er klonk een bevel en gekletter van staal. Een pijl zoemde over Frodo’s hoofd heen.
Boromir lachte. ‘Dit hadden ze niet verwacht,’ zei hij. ‘Het vuur heeft hen afgesneden. Wij zijn aan de verkeerde kant!’
‘Kijk voor je!’ riep Gandalf. ‘We zijn bijna bij de brug. Zij is gevaarlijk en smal.’
Plotseling zag Frodo een zwarte afgrond voor zich. Aan het einde van de zaal verdween de vloer en viel naar een onbekende diepte. De buitendeur was alleen bereikbaar via een smalle stenen brug, zonder rand of hek, die de afgrond met een grote, vijftien meter lange boog overspande. Het was een oud afweermiddel van de dwergen tegen een vijand die de Eerste Zaal en de buitenste gangen zou bereiken. Ze konden er alleen achter elkaar over lopen. Gandalf bleef bij de rand staan en de anderen kwamen achter hem aan.
‘Ga jij voorop, Gimli,’ zei hij. ‘Daarna Pepijn en Merijn. Recht vooruit en de trap achter de deur op!’
Pijlen vielen in hun midden neer. Een trof Frodo, maar ketste af. Een andere doorboorde Gandalfs hoed en bleef er als een zwarte veer in haken. Frodo keek achterom. Achter het vuur zag hij een zwerm zwarte figuren; er schenen honderden orks te zijn. Ze zwaaiden met speren en kromzwaarden, die in het licht van het vuur rood glansden als bloed. Doem, doem, roffelden de trommelslagen en werden luider en luider; doem, doem. Legolas keerde zich om en zette een pijl op de pees, hoewel het een grote afstand was voor zijn kleine boog. Hij spande hem, maar liet zijn hand zakken en de pijl viel op de grond. Hij slaakte een kreet van afschuw en angst. Er verschenen twee grote trollen; ze droegen grote stenen platen en smeten ze als loopplanken over het vuur. Maar het waren niet de trollen die de elf met angst hadden vervuld. De ork-gelederen waren vaneen geweken en ze deinsden terug alsof ze zelf bang waren. Achter hen doemde iets op. Wat het was kon men niet zien: het leek wel een grote schaduw, met in het midden een donkere figuur, als de gedaante van een mens misschien, maar groter, en er schenen macht en verschrikking in te huizen en van de figuur uit te gaan.
Het wezen kwam naar de rand van het vuur en het licht vervaagde alsof er zich een wolk overheen had gewelfd. Toen, met een aanloop, sprong het over de spleet. De vlammen laaiden op om het te begroeten en slingerden zich eromheen, en zwarte rook wervelde in de lucht. Zijn wapperende haren vatten vlam en flakkerden achter hem aan. In zijn rechterhand hield hij een zweep met vele riemen.
‘Ai, ai,’ jammerde Legolas. ‘Een Balrog! Er is een Balrog gekomen!’
Gimli staarde hem met wijdopen ogen aan. ‘Durins Vloek!’ riep hij en sloeg de handen voor de ogen terwijl hij zijn bijl liet vallen.
‘Een Balrog,’ mompelde Gandalf. ‘Nu begrijp ik het.’ Hij wankelde en leunde zwaar op zijn staf. ‘Wat een tegenslag! En ik ben al zo moe.’
De donkere gestalte, met wimpels van vuur, rende op hen af. De orks gilden en stroomden over de stenen loopplanken. Toen stak Boromir de hoorn en blies. Luid weerschalde de uitdaging, als een schreeuw uit vele kelen onder het rotsdak. Eén ogenblik deinsden de orks terug en de vurige schaduw bleef staan. Toen verstierven de echo’s even plotseling als een vlam die door een donkere wind wordt uitgeblazen, en de vijand rukte weer op.
‘De brug over!’ riep Gandalf, zijn krachten verzamelend. ‘Vlucht! Dit is een vijand die geen van jullie aankan. Ik moet de smalle weg bezet houden. Vlucht!’ Aragorn en Boromir stoorden zich niet aan het bevel, maar hielden stand, naast elkaar, achter Gandalf aan het andere einde van de brug. De anderen bleven vlak binnen de deur aan het einde van de zaal staan en draaiden zich om, niet in staat hun leider de vijand alleen tegemoet te laten treden.
De Balrog bereikte de brug. Gandalf stond in het midden van de overspanning, leunend op de staf in zijn linkerhand, maar in zijn andere glansde Glamdring, koud en wit. Zijn vijand bleef weer staan, terwijl hij hem aankeek, en de schaduw om hem heen strekte zich uit als twee enorme vleugels. Hij hief zijn zweep op en de riemen zwiepten en klapten. Vuur kwam uit zijn neusgaten. Maar Gandalf week niet. ‘Je kunt niet passeren,’ zei hij. De orks bleven staan en er viel een doodse stilte. ‘Ik ben een dienaar van het Geheime Vuur, hanteerder van de vlam van Anor. Je kunt niet passeren. Het donkere vuur zal je niet helpen, vlam van Udûn. Ga terug naar de Schaduw! Je kunt niet passeren.’
De Balrog antwoordde niet. Het vuur in hem scheen uit te doven, maar de duisternis werd dichter. Langzaam stapte het wezen de brug op en plotseling verhief het zich tot een grote hoogte, en zijn vleugels waren van de ene muur tot de andere gespreid; maar Gandalf was nog te zien, glinsterend in het duister; hij scheen klein en moederziel alleen: grijs en gebogen, als een oude boom voor het losbarsten van een onweer.