Выбрать главу

‘O Kheled-zâram, mooi en wonderbaarlijk,’ zei Gimli. ‘Daar ligt de kroon van Durin tot hij ontwaakt. Vaarwel!’ Hij maakte een buiging, draaide zich om en spoedde zich terug over het grasveld naar de weg.

‘Wat heb je gezien?’ vroeg Pepijn aan Sam, maar Sam was te diep in gedachten om te antwoorden.

De weg boog nu naar het zuiden, liep vrij steil naar beneden en kwam tussen de armen van het dal uit. Een eind beneden het meer kwamen zij bij een diepe waterbron, helder als kristal, waar een stroompje over een stenen rand vloeide en glinsterend en gorgelend langs een steile, rotsachtige bedding liep.

‘Hier is de bron waaruit de Zilverlei ontspringt,’ zei Gimli. ‘Drink er niet van. Het is ijskoud.’

‘Weldra wordt zij een snelle rivier die haar water van vele andere bergstromen ontvangt,’ zei Aragorn. ‘Onze weg loopt er vele mijlen naast. Want ik zal jullie langs de Weg leiden die Gandalf heeft gekozen, en eerst hoop ik aan de bossen te komen waar de Zilverlei in de Grote Rivier stroomt – daarginds.’ Ze keken terwijl hij wees, en voor zich uit zagen zij de stroom door de ingang van het dal en daarna verder naar de lagere landen lopen, totdat hij in een gulden mist verdween.

‘Daar liggen de bossen van Lothlórien,’ zei Legolas. ‘Dat is de schoonste van alle woonplaatsen van mijn volk. Er zijn geen bomen als de bomen van dat land. Want in de herfst vallen hun bladeren niet af, maar worden goud. Pas wanneer het voorjaar komt en de nieuwe groene bladeren zich openvouwen vallen ze, en dan zijn de takken beladen met gele bloemen, en de vloer van het Woud is goud, en het dak is van goud, en zijn zuilen zijn van zilver, want de bast van de bomen is glad en grijs. Zo luidt het nog in onze liederen in het Demsterwold. Mijn hart zou zich verheugen als ik in de priëlen van dat bos zou toeven, en het lente was.’

‘Mijn hart zou ook in de winter al blij zijn,’ zei Aragorn. ‘Maar het ligt vele mijlen ver weg. Laten we ons haasten.’

Een tijdlang slaagden Frodo en Sam erin gelijke tred met de anderen te houden; maar Aragorn ging hun in een hoog tempo voor, en na een tijdje raakten zij achterop. Ze hadden sinds de vroege ochtend niets gegeten. Sams wond brandde als vuur en hij voelde zich licht in zijn hoofd. Ondanks de stralende zon scheen de wind kil te zijn na de warme duisternis van Moria. Hij rilde. Frodo voelde bij iedere stap meer pijn en snakte naar adem.

Ten slotte draaide Legolas zich om, en toen hij zag hoe ver zij achter waren, sprak hij met Aragorn. De anderen bleven staan en Aragorn rende terug en riep tegen Boromir met hem mee te gaan. ‘Het spijt me, Frodo!’ riep hij bezorgd uit. ‘Er is vandaag zoveel gebeurd en wij moeten ons zo haasten, dat ik vergeten ben dat je gewond bent, en Sam ook. Waarom heb je niets gezegd? We hebben niets gedaan om je pijn te verlichten, wat wij hadden moeten doen, ook al zaten alle orks van Moria ons achterna. Kom nu! Een eindje verder is een plek waar wij een poos kunnen rusten. Daar zal ik voor jullie doen wat ik kan. Kom, Boromir, wij zullen hen dragen.’

Kort daarna kwamen ze bij een andere stroom, die uit het westen kwam, en zijn borrelende water bij dat van de jachtige Zilverlei voegde. Samen stortten ze zich over een waterval van groenachtige steen en vielen bruisend in een kleine vallei. Daaromheen stonden dennen, kort en gebogen, en de wanden ervan waren steil en begroeid met tongvarens en bosbessen. Aan het eind ervan was een vlak stuk, waar de stroom rumoerig over glanzende kiezelstenen stroomde. Hier rustten ze uit. Het was nu bijna drie uur in de middag en ze waren pas enkele mijlen van de Poorten verwijderd. De zon zonk al naar het westen.

Terwijl Gimli en de twee jongere hobbits een vuur van kreupeltakken en dennentakken aanlegden, en water haalden, verzorgde Aragorn Frodo en Sam. Sams wond was niet diep, maar zag er lelijk uit, en Aragorns gezicht stond ernstig toen hij hem onderzocht. Na een ogenblik keek hij opgelucht op.

‘Je hebt geluk gehad, Sam,’ zei hij. ‘Velen hebben ergere wonden opgelopen als straf voor het doden van hun eerste ork. De wond is niet vergiftigd, zoals de wonden van orkzwaarden maar al te vaak zijn. Hij zal wel vlug genezen als ik hem heb verzorgd. Bet hem zodra Gimli water warm heeft gemaakt.’ Hij opende zijn tas en haalde er wat gedroogde bladeren uit. ‘Ze zijn droog en de kracht is er ten dele uit,’ zei hij, ‘maar ik heb hier nog enkele van de athelas-bladeren die ik bij de Weertop heb geplukt. Wrijf er een in het water fijn en was de wond uit, en ik zal hem verbinden. Nu is het jouw beurt, Frodo!’

‘Er is met mij niets aan de hand,’ zei Frodo, die er niets voor voelde dat men zijn kleding zou aanraken. ‘Al wat ik nodig had, was wat eten en een beetje rust.’

‘Nee!’ zei Aragorn. ‘We moeten zien wat de hamer en het aambeeld je hebben gedaan. Het verwondert me dat je nog in leven bent.’ Voorzichtig trok hij Frodo’s oude jas en versleten tuniek uit en slaakte een kreet van verbazing. Toen moest hij lachen. Het zilveren borstharnas schitterde voor zijn ogen als het licht op een rimpelende zee. Voorzichtig trok hij het uit en hield het omhoog; de juwelen erop schitterden als sterren en het geluid van de bewegende ringetjes klonk als het getinkel van regen in een plas.

‘Kijk eens, vrienden!’ riep hij uit. ‘Dat is een mooi hobbitvelletje om een elfenprinsje in te wikkelen! Als het bekend was dat hobbits dergelijke huiden hadden, zouden alle jagers van Midden-aarde naar de Gouw komen rijden.’

‘En alle pijlen van alle jagers ter wereld zouden niet baten,’ zei Gimli, verbaasd naar de maliënkolder kijkend. ‘Het is een mithrilbuis. Mithril! Nog nooit heb ik zo’n mooie gezien of erover horen spreken. Is dit de maliënkolder waar Gandalf het over had? Dan heeft hij hem onderschat. Maar het was een verstandig geschenk!’

‘Ik heb me vaak afgevraagd wat jij en Bilbo samen in zijn kleine kamer uitvoerden,’ zei Merijn. ‘Gezegend zij de oude hobbit! Ik houd meer van hem dan ooit. Ik hoop dat we de kans krijgen hem ervan te vertellen.’

Er was een bont-en-blauwe kneuzing op Frodo’s rechterzijde en borst. Onder de maliën droeg hij een hemd van zacht leer, maar op één punt waren de ringen erdoorheen in het vlees gedrongen. Frodo’s linkerzijde was ook bezeerd en gekneusd waar hij tegen de muur was geslingerd. Terwijl de anderen het eten klaarzetten, waste Aragorn de wonden uit met water waarin athelas was gedrenkt. De doordringende geur ervan vervulde het dal, en allen die zich over het dampende water bogen, voelden zich verfrist en gesterkt. Weldra merkte Frodo dat de pijn wegtrok en zijn ademhaling gemakkelijker werd; hoewel hij nog vele dagen stijf en gevoelig bleef. Aragorn bond enkele zachte verbanden om zijn zijde.

‘De maliënkolder is wonderlijk licht,’ zei hij. ‘Trek hem maar weer aan als je hem kunt verdragen. Ik ben blij te weten dat je zo’n maliënkolder hebt. Leg hem niet af, ook niet wanneer je gaat slapen, tenzij het geluk je ergens heen voert waar je enige tijd veilig bent, en dat zal zelden gebeuren zolang je queeste duurt.’

Na gegeten te hebben waren de Reisgenoten gereed om verder te gaan. Ze doofden het vuur en wisten elk spoor ervan uit. Toen klommen ze het dal uit en kwamen weer op de weg. Ze waren nog niet ver gegaan voor de zon achter de hoogten in het westen verdween en grote schaduwen langs de berghellingen omlaag kropen. Schemer viel om hun voeten en uit de holten steeg nevel op. In het oosten scheen het avondlicht bleek op de vage landschappen van de verre vlakten en bossen. Sam en Frodo, die zich nu opgelucht en zeer verkwikt voelden, konden er een behoorlijke gang in houden en, een kort oponthoud niet meegerekend, leidde Aragorn het Gezelschap bijna drie uur lang verder.