Выбрать главу
Vaag lag het land in ochtendglans, De bergen, brokken kruim, Verzonken achter golvendans En achter ’t waaiend schuim.
Amroth keek naar ’t vervagend strand, Laag achter ’t rukkend roer En vloekte ’t schip dat ver van ’t land En Nimrodel wegvoer.
Een elfenkoning van weleer, Een heer van dal en boom, Toen goud straalde van takken teer In Lothlórien schoon.
Men zag hem springen, met een zwiep, Als een pijl in de lucht, En duiken in het water diep, Als een meeuw in zijn vlucht.
De wind greep in zijn haren rond, Schuim schitterde in zijn baan, Van ver zag men hem, sterk en blond, Zwemmen gelijk een zwaan.
Maar uit het westen hoorde men Nooit iets, en in dit oord Heeft ’t elfenvolk van Lórien Niets meer van hem gehoord.

De stem van Legolas verstomde en het lied was uit. ‘Ik kan niet meer zingen,’ zei hij. ‘Dit is slechts een gedeelte, want veel is mij ontschoten. Het is lang en droevig, want het vertelt hoe het verdriet over Lothlórien kwam, Lórien van de Bloesem, toen de dwergen het kwaad in de Bergen wekten.’

‘Maar de dwergen hebben het kwaad niet gemaakt,’ zei Gimli.

‘Dat zei ik niet, maar het kwaad kwam niettemin,’ antwoordde Legolas droef. ‘Toen verlieten velen van de elfen van Nimrodels geslacht hun woningen en vertrokken, en zij verdwaalde in het diepe zuiden in de passen van de Witte Bergen en kwam niet bij het schip waar Amroth, haar minnaar, op haar wachtte. Maar in de lente, wanneer de wind door de jonge bladeren waait, kan men haar stem nog horen in de watervallen die haar naam dragen. En wanneer de wind in het zuiden is, komt de stem van Amroth over Zee, want de Nimrodel stroomt in de Zilverlei, die elfen de Celebrant noemen, en de Celebrant in Anduin de Grote, en de Anduin mondt uit in de Baai van Belfalas, vanwaar de elfen van Lórien wegvoeren. Maar Nimrodel noch Amroth is ooit teruggekomen.

Men zegt dat ze een huis liet bouwen in de takken van een boom die bij de waterval groeide; want dat was de gewoonte van de elfen van Lórien, om in de bomen te wonen, en misschien is dat nog wel zo. Daarom werden zij de Galadhrim genoemd, het Boomvolk. Diep in hun bos zijn de bomen heel groot. De bewoners van de bossen groeven niet in de grond zoals dwergen, en bouwden ook geen sterke huizen van steen voor de Schaduw kwam.’

‘En zelfs in deze latere tijd wordt het misschien veiliger geacht om in bomen te wonen dan op de grond te zitten,’ zei Gimli. Hij keek over de stroom naar de weg die terugleidde naar het Deemrildal, en toen omhoog naar het dak van donkere takken boven hun hoofd.

‘Je woorden brengen goede raad, Gimli,’ zei Aragorn. ‘Wij kunnen wel geen huis bouwen, maar vannacht zullen we net zo doen als de Galadhrim en zo mogelijk in de boomtoppen beschutting zoeken. We hebben hier al langer aan de kant van de weg gezeten dan verstandig is.’

Het Gezelschap verliet het pad nu en trad in de schaduw van de dichtere bossen, westwaarts langs de bergstroom, weg van de Zilverlei. Niet ver van de waterval van Nimrodel zagen ze een groepje bomen waarvan sommige zich over de stroom heen bogen. Hun grote grijze stammen hadden een enorme omvang, maar hoe hoog zij waren viel niet te raden.

‘Ik zal naar boven klimmen,’ zei Legolas. ‘Ik ben vertrouwd met bomen, van wortel tot tak, hoewel deze mij ietwat vreemd voorkomen, behalve als een naam in een lied. Mellyrn worden ze genoemd; het zijn die met de gele bloemen, maar ik ben er nog nooit ingeklommen. Ik zal nu eens zien hoe hun vorm en groeiwijze is.’

‘Hoe het ook mag zijn,’ zei Pepijn, ‘het moeten wel enorme bomen zijn als ze ’s nachts enige rust kunnen bieden, behalve aan vogels. Ik kan niet op een tak slapen!’

‘Graaf dan een gat in de grond,’ zei Legolas, ‘als dat meer in de kraam van jullie soort te pas komt. Maar je moet vlug en diep graven, als je je voor de orks wilt verbergen.’ Hij sprong licht van de grond op en pakte een tak die uit de stam groeide, hoog boven zijn hoofd. Maar terwijl hij daar een ogenblik slingerde, sprak er plotseling een stem uit de schaduwen van de boom boven hem.

‘Daro!’ zei deze op bevelende toon en Legolas viel verbaasd en angstig op de aarde terug. Hij maakte zich klein tegen de stam van de boom.

‘Sta stil,’ fluisterde hij tegen de anderen. ‘Verroer je niet en zwijg.’

Er klonk een zacht gelach boven hun hoofden, en toen sprak een andere heldere stem in een elfentaal. Frodo begreep maar weinig van wat er werd gezegd, want de taal die het bosvolk ten oosten van de bergen met elkaar sprak, leek helemaal niet op die van het westen. Legolas keek omhoog en antwoordde in dezelfde taal.

‘Wie zijn het, en wat zeggen ze?’ vroeg Merijn.

‘Het zijn elfen,’ zei Sam. ‘Kun je hun stemmen niet horen?’

‘Ja, het zijn elfen,’ zei Legolas, ‘en ze zeggen dat je zo luid ademhaalt dat ze je in het donker zouden kunnen doodschieten.’

Sam hield haastig zijn hand voor zijn mond. ‘Maar ze zeggen ook dat je niet bang hoeft te zijn. Ze hebben ons al een hele tijd in de gaten gehad. Ze hoorden mijn stem over de Nimrodel en wisten dat ik een van hun verwanten uit het noorden was; daarom hebben ze ons niet verhinderd over te steken. En daarna hoorden ze mijn lied. Nu vragen ze mij met Frodo naar boven te klimmen, want ze schijnen over hem en onze reis te hebben gehoord. Ze vragen de anderen een poosje geduld te willen hebben en de wacht te houden aan de voet van de boom, tot ze hebben besloten wat er gedaan moet worden.’

Uit de schaduwen werd een ladder neergelaten; hij was gemaakt van touw, zilvergrijs en glanzend in het donker, en hoewel hij er dun uitzag, bleek hij sterk genoeg om vele mensen te dragen. Legolas klom er vlug tegenop, maar Frodo volgde langzaam; daarachter kwam Sam, die probeerde niet luid te ademen. De takken van de mallornboom groeiden bijna recht uit de stam en bogen zich dan naar boven, maar aan de top vertakte de hoofdstam zich in een kroon van vele takken en daartussen, zagen ze, was een houten platform of vlet gebouwd, zoals dat soort dingen in die tijd werden genoemd; de elfen noemden het een talan. Men bereikte het door een rond gat in het midden, waar de ladder door liep.

Toen Frodo de vlet eindelijk had bereikt, zag hij Legolas daar met drie andere elfen zitten. Ze waren in schemerachtig grijs gekleed en vrijwel onzichtbaar tussen de takken, tenzij ze zich plotseling bewogen. Ze stonden op en een van hen opende een kleine lamp waaruit een slanke zilveren straal scheen. Hij hield hem omhoog en keek naar Frodo’s en Sams gezicht. Toen sloot hij het licht weer af en sprak woorden van welkom in zijn elfentaal. Frodo antwoordde hem hakkelend.

‘Welkom,’ zei de elf toen weer in de Gemeenschappelijke Taal, langzaam sprekend. ‘Wij gebruiken zelden een andere taal dan de onze; want we wonen nu in het hart van het Woud, en gaan niet graag met andere lieden om. Zelfs onze verwanten in het noorden zijn van ons gescheiden. Maar sommigen van ons begeven zich nog buiten het land om nieuws te vergaren en onze vijanden gade te slaan, en spreken de talen van andere landen. Ik ben er een van. Haldir is mijn naam. Mijn broers Rúmil en Orophin spreken weinig van uw taal.

Maar wij hebben geruchten over uw komst gehoord, want boodschappers van Elrond zijn op hun terugweg langs de Deemriltrap via Lórien gereisd. Wij hadden vele jaren niet van hobbits, van halflingen, gehoord en wisten niet dat die nog in Midden-aarde woonden. U ziet er niet kwaad uit. En aangezien u met een elf van ons geslacht bent gekomen, zijn wij bereid vriendschap te sluiten, zoals Elrond heeft gevraagd, hoewel het niet onze gewoonte is om vreemdelingen door ons land te leiden. Maar u moet vannacht hier blijven. Met hoevelen bent u?’

‘Met ons achten,’ zei Legolas. ‘Ikzelf, vier hobbits en twee mensen, van wie er een, Aragorn, een elfenvriend van het volk van Westernisse is.’