‘De naam Aragorn, zoon van Arathorn, is in Lórien bekend,’ zei Haldir, ‘en hij heeft de gunst van de Vrouwe. Alles is dus in orde. Maar u hebt er maar zeven genoemd.’
‘De achtste is een dwerg,’ zei Legolas.
‘Een dwerg!’ zei Haldir. ‘Dat is niet goed. Sinds de Donkere Tijden hebben we geen omgang met de dwergen gehad. Zij worden niet in ons land toegelaten. Ik kan hem niet doorlaten.’
‘Maar hij komt van de Eenzame Berg, een onderdaan van Dáins betrouwbare volk en een vriend van Elrond,’ zei Frodo. ‘Elrond zelf heeft hem uitgekozen als een van ons Gezelschap en hij heeft zich dapper en trouw betoond.’
De elfen spraken zacht met elkaar en ondervroegen Legolas in hun eigen taal. ‘Goed dan,’ zei Haldir ten slotte. ‘Wij zullen het doen, hoewel tegen onze zin. Als Aragorn en Legolas hem bewaken en zich voor hem verantwoordelijk stellen, mag hij door, maar hij moet geblinddoekt door Lothlórien gaan.
Maar nu moeten we ophouden met praten. Uw gezelschap moet niet langer op de grond blijven. We hebben de wacht aan de rivieren gehouden sinds we vele dagen geleden een grote troep orks noordwaarts naar Moria hebben zien gaan langs de randen van de bergen. Er huilen wolven aan de grenzen van het bos. Als u werkelijk uit Moria bent gekomen, kan het gevaar niet ver achter u zijn. Morgenochtend vroeg moet u verdergaan.
De vier hobbits zullen hier naar boven klimmen en bij ons blijven – wij vrezen hen niet. Er is nog een talan in de volgende boom. Daar moeten de anderen hun toevlucht nemen. U, Legolas, bent verantwoordelijk voor hen. Roep ons als er iets aan de hand is! En houd een oogje op die dwerg!’
Legolas ging onmiddellijk de ladder af om Haldirs boodschap over te brengen; en spoedig daarna klauterden Merijn en Pepijn naar de hoge vlet. Zij waren buiten adem en leken nogal angstig.
‘Zo,’ zei Merijn hijgend. ‘We hebben jullie dekens en die van ons naar boven gehesen. Stapper heeft de rest van onze bagage in een grote hoop bladeren verborgen.’
‘U had uw last niet behoeven mee te torsen,’ zei Haldir. ‘Het is ’s winters koud in de toppen van de bomen, hoewel de wind vanavond zuidelijk is; maar we hebben eten en drinken voor u, die de kou van de nacht zullen verdrijven, en we hebben huiden en mantels over.’
De hobbits aanvaardden dit tweede (en heel wat betere) avondmaal met vreugde. Toen wikkelden zij zich warm in, niet alleen in de bontjassen van de elfen, maar ook in hun eigen dekens, en probeerden de slaap te vatten. Maar moe als zij waren slaagde alleen Sam daarin. Hobbits houden niet van hoogten en slapen nooit op een bovenverdieping, zelfs als zij er een hebben. De vlet stond hun niet aan als slaapplaats. Er waren geen muren en zelfs geen leuning; slechts aan één kant was er een licht scherm, dat verplaatst kon worden en op verschillende plaatsen kon worden bevestigd, al naargelang de windrichting.
Pepijn bleef nog een hele poos praten. ‘Ik hoop dat ik, wanneer ik in deze hoge slaapkamer inslaap, er niet af zal rollen,’ zei hij.
‘Wanneer ik eenmaal in slaap ben,’ zei Sam, ‘zal ik blijven slapen, of ik er afval of niet. En hoe minder er gesproken wordt, hoe eerder ik zal vallen, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Frodo lag enige tijd wakker en keek omhoog naar de sterren, die door het lichte dak van trillende bladeren schenen. Sam lag naast hem te snurken, lang voordat hij zelf de ogen sloot. Hij kon vaag de grijze gedaanten van twee elfen zien, die bewegingloos met de armen om hun knieën geslagen, fluisterend zaten te praten. De andere was naar beneden gegaan om zijn wachtpost op een van de lagere takken in te nemen. Eindelijk, gewiegd door de wind in de takken boven hem en het zoete gemurmel van het water van de Nimrodel beneden, viel Frodo in slaap met het lied van Legolas in zijn hoofd. Laat in de nacht werd hij wakker. De andere hobbits sliepen. De elfen waren verdwenen. De maansikkel glansde bleek tussen de bladeren. De wind was gaan liggen. Een eindje verder weg hoorde hij rauw gelach en de stappen van vele voeten op de grond beneden. Er kletterde metaal. De geluiden stierven langzaam weg en schenen naar het zuiden te gaan, dieper het bos in.
Plotseling verscheen er een hoofd door het gat in de vlet. Frodo ging geschrokken overeind zitten en zag dat het een elf was met een grijze kap. Hij keek naar de hobbits.
‘Wat is er?’ vroeg Frodo.
‘Yrch!’ zei de elf op sissende fluistertoon en wierp de opgerolde touwladder op de vlet.
‘Orks,’ zei Frodo. ‘Wat doen die hier?’ Maar de elf was ineens verdwenen.
Er klonken geen geluiden meer. Zelfs de bladeren waren stil en de waterval scheen gedempt te ruisen. Frodo zat in zijn dekens te huiveren. Hij was blij dat hij niet op de grond was gepakt, maar hij vond dat de bomen weinig beschutting boden, behalve dan dat ze hem verborgen. Orks waren even goed in het volgen van sporen als honden, zei men, maar ze konden ook klimmen. Hij haalde Prik tevoorschijn; het zwaard bliksemde en schitterde als een blauwe vlam en toen, langzaam, werd het doffer. Ondanks het verdoffen van het zwaard kon Frodo het gevoel van naderend gevaar niet van zich afschudden; het werd eerder sterker. Hij stond op en kroop naar de opening en tuurde naar beneden. Hij was er nu bijna zeker van dat hij steelse bewegingen aan de voet van de boom, ver beneden zich, kon horen.
Geen elfen, want de bewegingen van de bosbewoners waren volmaakt geruisloos. Toen hoorde hij vaag een snuffelend geluid en er scheen iets aan de bast van de boomstam te krabben. Hij keek in het donker naar beneden en hield de adem in. Er klom nu iets langzaam omhoog en de adem ervan klonk als een zacht gesis door opeengeklemde tanden. Toen, terwijl het vlak langs de stam naar boven kwam, zag Frodo twee lichte ogen. Ze gingen niet verder en keken omhoog zonder te knipperen. Plotseling keken ze de andere kant uit en een schimmige gedaante gleed rond de stam van de boom en verdween.
Meteen daarna kwam Haldir vlug door de takken naar boven geklommen. ‘Er zat iets in deze boom dat ik nog nooit eerder heb gezien,’ zei hij. ‘Het was geen ork. Het vluchtte zodra ik de stam van de boom aanraakte. Het scheen op zijn hoede te zijn en in bomen te kunnen klimmen, anders zou ik hebben gedacht dat het een van jullie hobbits was.
Ik heb niet geschoten, want ik durfde geen geschreeuw te veroorzaken; we kunnen geen gevecht riskeren. Een sterke compagnie orks is zojuist voorbijgetrokken. Ze zijn de Nimrodel overgestoken – vervloekt zijn hun smerige voeten in haar heldere water – en zijn toen verder de oude weg naast de rivier afgegaan. Ze schenen een spoor te ruiken, want ze hebben een tijdje de grond afgezocht bij de plaats waar jullie halt hielden. Wij drieën konden er geen honderd aan, daarom gingen wij hen vooruit en spraken met verdraaide stemmen en leidden hen het bos in.
Orophin is nu haastig naar onze woonplaatsen teruggegaan om ons volk te waarschuwen. Geen van deze orks zal ooit uit Lórien terugkeren. En er zullen zich vele elfen aan de noordelijke grens schuilhouden voor er weer een nacht valt. Maar jullie moeten de weg naar het zuiden nemen zodra het helemaal licht is.’
De dag brak bleek in het oosten aan. Toen het licht sterker werd, filterde het door de gele bladeren van de mallorn, en het scheen de hobbits toe dat het de vroege zon van een koele zomerochtend was die scheen. Een lichtblauwe hemel gluurde door de bewegende takken. Toen hij door een opening aan de zuidkant van de vlet keek, zag Frodo het hele dal van de Zilverlei dat als een zee van vaalrood goud zachtjes op de bries wiegde.
De ochtend was nog jong en koud toen het Gezelschap weer op weg ging, deze keer onder geleide van Haldir en zijn broer Rúmil.
‘Vaarwel, lieflijke Nimrodel,’ riep Legolas. Frodo keek achterom en zag wit schuim tussen de bomen door schitteren. ‘Vaarwel,’ zei hij. Het scheen hem toe dat hij nooit meer een stroom zou horen die zo mooi klonk, haar ontelbare noten voor altijd versmeltend in een eindeloos wisselende muziek.
Ze gingen terug naar het oude pad dat nog verder liep langs de westkant van de Zilverlei, en volgden het een eindje naar het zuiden. Daar waren de afdrukken van orkvoeten op de aarde. Maar weldra ging Haldir van het pad af naar de bomen en bleef onder de schaduw ervan aan de oever van de rivier staan.