‘Daar staat iemand van mijn volk aan de andere kant van de stroom,’ zei hij, ‘hoewel jullie hem misschien niet zien.’ Zijn roep klonk als het zachte fluiten van een vogel, en uit een groepje jonge bomen kwam een elf tevoorschijn, in het grijs gekleed, maar met zijn kap achterover; zijn haar glansde als goud in de ochtendzon. Haldir wierp behendig een rol grijs touw over de stroom en hij ving het op en bond het uiteinde om een boom bij de oever.
‘De Celebrant is hier al een sterke stroom, zoals jullie zien,’ zei Haldir, ‘en hij is zowel snel als diep, en heel koud. Wij waden er hier, zo ver naar het noorden, niet door als het niet nodig is. Maar in deze tijd van waakzaamheid bouwen we geen bruggen. We steken haar op deze manier over. Volg mij!’ Hij bevestigde zijn einde van het touw om een andere boom, en rende er toen licht overheen, de rivier over en weer terug, alsof hij op een weg liep.
‘Ik kan dit pad bewandelen,’ zei Legolas, ‘maar de anderen hebben die behendigheid niet. Moeten zij zwemmen?’
‘Nee,’ zei Haldir, ‘we hebben nog twee touwen. We zullen ze boven elkaar bevestigen, het ene op schouderhoogte, het andere ter hoogte van hun middel, en wanneer zij die vasthouden, moeten de vreemdelingen voorzichtig kunnen oversteken.’
Toen deze ranke brug was gemaakt, ging het Gezelschap erover, sommigen voorzichtig en langzaam, anderen gemakkelijker. Van de hobbits was Pepijn de beste, want hij was vast van voet en liep er snel overheen, en hield zich maar met één hand vast; hij hield zijn ogen op de andere oever gericht en keek niet omlaag. Sam schuifelde eroverheen, zich stevig vasthoudend en neerkijkend naar het fletse kolkende water, alsof het een ravijn betrof.
Hij haalde opgelucht adem toen hij veilig aan de overkant was. ‘Van ervaring word je wijs, zoals mijn gabber altijd zei. Hoewel hij dan aan tuinieren dacht en niet aan iemand die als een vogel op een tak moet zitten, of als een spin probeert te lopen. Zelfs mijn ome Dries heeft nog nooit zo’n kunststukje uitgehaald!’
Toen het hele Gezelschap ten slotte op de oostelijke oever van de Zilverlei verzameld was, maakten de elfen de touwen los en rolden twee ervan op. Rúmil, die aan de andere kant was gebleven, haalde het laatste in, gooide het over zijn schouder, wuifde met de hand en ging weg, terug naar de Nimrodel om de wacht te houden.
‘En nu, vrienden,’ zei Haldir, ‘zijn jullie de Naith van Lórien, of de Geer binnengegaan, zoals jullie zouden zeggen, want dit is het land dat als een speerpunt tussen de armen van de Zilverlei en Anduin de Grote ligt. Wij staan niet toe dat vreemdelingen de geheimen van de Naith bespieden. Weinigen is het dan ook toegestaan dit gebied te betreden.
Zoals was overeengekomen, zal ik hier de ogen van Gimli de dwerg blinddoeken. De anderen mogen nog een eind vrij lopen, tot we dichter bij onze woonstee komen, in Egladil, in de Hoek tussen de wateren.’
Dit zinde Gimli allerminst. ‘Deze overeenkomst is zonder mijn goedkeuring gemaakt,’ zei hij. ‘Ik wil niet geblinddoekt lopen, als een bedelaar of gevangene. En ik ben geen spion. Mijn volk heeft nooit iets te doen gehad met een van de dienaren van de Vijand. En ook hebben wij de elfen geen kwaad gedaan. Ik zal jullie evenmin verraden als Legolas of een van mijn andere metgezellen.’
‘Ik twijfel niet aan je,’ zei Haldir. ‘Maar dit is nu eenmaal onze wet. Ik sta niet boven de wet en kan haar niet terzijde schuiven. Het is al heel wat dat ik je de Celebrant heb laten oversteken.’
Gimli was koppig. Hij plantte zijn benen ferm uiteen en sloeg de hand aan de steel van zijn bijl. ‘Ik zal als vrij man gaan,’ zei hij, ‘of ik ga terug naar mijn eigen land waar men weet dat ik mijn woord gestand doe, al moet ik alleen in de wildernis omkomen.’
‘Je kunt niet terug,’ zei Haldir streng. ‘Nu je zo ver gekomen bent, moet je voor de Heer en de Vrouwe worden geleid. Het is aan hen om te oordelen of je gevangen zult worden genomen of mag gaan, naar het hun behaagt. Je kunt de rivieren niet meer oversteken, en achter je staan nu geheime schildwachten, waar je niet langs kunt. Je zult worden gedood voordat je hen zou zien.’
Gimli haalde zijn bijl uit zijn riem. Haldir en zijn metgezellen spanden hun bogen. ‘Vervloekt de dwergen en hun stijfkoppigheid!’ zei Legolas.
‘Kom!’ zei Aragorn. ‘Als ik dit Gezelschap verder moet leiden, moeten jullie doen wat ik zeg. Het is hard voor de dwerg dat hij er op die manier wordt uitgepikt. We zullen ons allen laten blinddoeken, ook Legolas. Dat zal het beste zijn, hoewel het de reis traag en vervelend zal maken.’
Gimli lachte plotseling. ‘We zullen eruitzien als een mooie troep dwazen. Zal Haldir ons allemaal aan een touw leiden, als vele bedelaars met één hond? Maar ik zal mij erbij neerleggen als ook Legolas wordt geblinddoekt.’
‘Ik ben een elf en een stamverwant hier,’ zei Legolas, die op zijn beurt boos werd.
‘Laat ons nu roepen: “Vervloekt de stijfkoppige elfen!”’ zei Aragorn. ‘Maar het hele Gezelschap zal hetzelfde doen. Kom, bind ons een doek voor de ogen, Haldir.’
‘Ik zal volledige genoegdoening eisen voor iedere val en verstuikte teen als je ons niet goed leidt,’ zei Gimli terwijl ze een doek voor zijn ogen bonden.
‘Je zult niets te eisen hebben,’ zei Haldir. ‘Ik zal je goed leiden en de paden zijn effen en recht.’
‘Helaas, de dwaasheid dezer dagen!’ zei Legolas. ‘Hier zijn allen vijanden van de ene Vijand, maar toch moet ik geblinddoekt gaan, terwijl de zon vrolijk op het bos schijnt onder bladeren van goud.’
‘Misschien lijkt het dwaasheid,’ zei Haldir. ‘Voorwaar, door niets wordt de macht van de Donkere Vorst duidelijker aangetoond dan door de vervreemding die al diegenen die zich nog tegen hem verzetten verdeelt. Toch vinden wij nu zo weinig geloof en vertrouwen in de wereld achter Lothlórien, behalve misschien in Rivendel, dat we door ons eigen vertrouwen het land niet in gevaar durven brengen. Wij wonen nu op een eiland te midden van vele gevaren, en wij hanteren vaker de boogpees dan de harp.
De rivieren hebben ons lange tijd verdedigd, maar nu bieden ze geen zekere beveiliging meer; want de Schaduw is naar het noorden gekropen en omringt ons van alle kanten. Sommigen praten over weggaan, maar daarvoor lijkt het al te laat. De bergen in het westen worden boosaardig, in het oosten zijn de landen woest en vol met Saurons schepselen; en het gerucht gaat dat wij nu niet langer veilig zuidwaarts door Rohan kunnen trekken, en dat de mondingen van de Grote Rivier door de Vijand worden bewaakt. Zelfs als we de stranden van de zee zouden kunnen bereiken, zouden we daar geen beschutting meer vinden. Men zegt dat er nog havens van de Hoge elfen bestaan, maar die liggen ver in het noorden en westen, achter het land van de halflingen. Maar, hoewel de Heer en de Vrouwe het kunnen weten, weet ik niet waar.’
‘Je behoorde het minstens te raden nu je ons hebt gezien,’ zei Merijn. ‘Er zijn elfenhavens ten westen van mijn land, de Gouw, waar hobbits wonen.’
‘Gelukkige lieden zijn de hobbits, dat ze zo dicht bij de kusten van de Zee wonen!’ zei Haldir. ‘Het is lang geleden sinds mijn volk haar heeft gezien, hoewel we haar nog in liederen herinneren. Vertel me onder het lopen van die havens.’
‘Dat kan ik niet,’ zei Merijn. ‘Ik heb ze nooit gezien. Ik ben nog nooit eerder buiten mijn eigen land geweest. En als ik geweten had hoe de wereld daarbuiten eruitzag, denk ik niet dat ik de moed zou hebben gehad het te verlaten.’
‘Zelfs niet om het mooie Lothlórien te zien?’ vroeg Haldir. ‘De wereld is inderdaad vol gevaren, en er zijn vele duistere plaatsen; maar toch is er nog veel moois, en hoewel nu in alle landen liefde met verdriet is vermengd, wordt het misschien nog groter.
Er zijn er onder ons die zingen dat de Schaduw zich zal terugtrekken en dat de vrede zal weerkeren. Toch geloof ik niet dat de wereld om ons heen ooit weer zo zal worden als vroeger, of het licht van de Zon zoals het eertijds was. Voor de elfen zal het, vrees ik, op zijn hoogst een wapenstilstand zijn, waarin ze ongehinderd naar de Zee mogen trekken en Midden-aarde voor altijd verlaten. Jammer voor Lothlórien waar ik van houd. Het zou een armzalig leven zijn in een land waar geen mallorn groeit. Maar zo er al mallornbomen achter de Grote Zee zijn, heeft niemand dit ooit bericht.’