Terwijl zij zo spraken, trok het Gezelschap langzaam langs de paden van het woud, voorafgegaan door Haldir, terwijl de andere elf achter hen liep. Ze voelden dat de grond onder hun voeten vlak en zacht was, en na enige tijd liepen ze vrijer, zonder een val of kwetsuur te vrezen. Nu hij van zijn zicht was beroofd, merkte Frodo dat zijn gehoor en andere zintuigen scherper werden. Hij kon de bomen en het gras waarover zij liepen ruiken. Hij kon vele verschillende noten horen in het geritsel van de bladeren boven hun hoofden, het gemurmel van de rivier rechts van hem, en de ijle heldere stemmen van vogels in de lucht. Hij voelde de zon op zijn gezicht en handen wanneer zij een open plek overstaken.
Zodra hij voet op de andere oever van de Zilverlei had gezet, was er een vreemd gevoel over hem gekomen, en het werd nog sterker toen hij verder in de Naith kwam; het leek wel of hij over een brug van tijd in een uithoek van de Oudste Tijden was gestapt en nu door een wereld liep die niet meer bestond. In Rivendel was er de herinnering aan oude dingen; in Lórien leefden de oude dingen nog in de wakende wereld voort. Het kwaad was daar gezien en gehoord, men had er verdriet gekend; de elfen vreesden en wantrouwden de wereld daarbuiten; wolven huilden aan de grenzen van het woud; maar over het land Lórien lag geen schaduw.
Die hele dag marcheerden de Reisgenoten verder, tot ze de koele avond voelden komen en de vroege nachtwind in vele bladeren hoorden fluisteren. Toen gingen ze rusten en sliepen zonder vrees op de grond; want hun gidsen stonden hun niet toe de blinddoeken van de ogen te nemen, en klimmen konden ze niet. In de ochtend gingen ze weer verder en liepen zonder haast. Omstreeks het middaguur hielden ze halt, en Frodo merkte dat ze niet langer onder de stralende zon waren. Plotseling hoorde hij het geluid van vele stemmen om zich heen.
Een marcherend leger van elfen was hun geruisloos tegemoetgekomen; ze haastten zich naar de noordelijke grenzen om bedacht te zijn op een eventuele aanval van Moria; en ze brachten ook nieuws, waarvan Haldir een gedeelte vertelde. De plunderende orks waren aangevallen en vrijwel allen waren vernietigd; de overige waren naar het westen de bergen in gevlucht en werden achtervolgd. Er was ook een vreemd schepsel gezien, dat met gebogen rug liep en met zijn handen vlak bij de grond, als een beest en toch niet met de gedaante van een beest. Het was aan gevangenneming ontsnapt, en ze hadden het niet doodgeschoten, want ze wisten niet of het goed of slecht was, en het was in zuidelijke richting langs de Zilverlei verdwenen.
‘Ook,’ zei Haldir, ‘heb ik bericht gehad van de Heer en de Vrouwe van de Galadhrim. Jullie mogen allen vrijuit gaan, ook de dwerg Gimli. Het schijnt dat de Vrouwe weet wie en wat elk lid van uw Gezelschap is. Misschien zijn er nieuwe boodschappen uit Rivendel gekomen.’
Hij nam de blinddoek het eerst van Gimli’s ogen af. ‘Vergeef me!’ zei hij, met een diepe buiging. ‘Bezie ons nu met vriendelijke ogen. Kijk en verheug je, want je bent de eerste dwerg die sinds Durins tijd de bomen van de Naith van Lórien ziet!’
Toen de blinddoek van zijn ogen viel, keek Frodo op en hield de adem in. Ze stonden op een open plek. Links was een grote heuvel, bedekt met een tapijt van gras, zo groen als de Lentetijd in de Oudste Tijden. Daarop, als een dubbele kroon, groeiden twee cirkels bomen; de buitenste hadden een sneeuwwitte bast en waren bladerloos, maar prachtig in hun welgevormde naaktheid; de binnenste waren hoge mallornbomen, nog getooid met bleek goud. Hoog te midden van de takken van een torenende boom die in het midden van alle stond, glansde een witte vlet. Aan de voet van de bomen, en rondom de groene hellingen, was het gras bezaaid met kleine gouden bloemen in de vorm van sterren. Ertussenin, knikkend op ranke steeltjes, waren andere bloemen, wit en heel lichtgroen: ze schitterden als mist te midden van de warme kleur van het gras. Daarboven was de hemel blauw en de namiddagzon gloeide op de heuvel en wierp lange schaduwen onder de bomen.
‘Ziet! Jullie zijn bij Cerin Amroth gekomen,’ zei Haldir. ‘Want dit is het hart van het oude rijk zoals het lang geleden was, en hier is de heuvel Amroth, waar in gelukkiger tijden zijn hoge huis werd gebouwd. Hier bloeien altijd de winterbloemen in nooit verkwijnend gras; de gele elanor en de lichte niphredil. Hier zullen wij een wijle vertoeven en bij het vallen van de avond naar de stad van de Galadhrim gaan.’
De anderen gingen op het geurige gras liggen, maar Frodo bleef een tijdje staan, nog steeds vol verbazing. Het scheen hem toe dat hij door een hoog raam was gestapt dat uitkeek op een verdwenen wereld. Het werd beschenen door een licht waarvoor zijn taal geen naam had. Alles wat hij zag was mooi gevormd, maar de vormen schenen tegelijkertijd helder, alsof ze waren ontworpen en getekend op het moment dat hij zijn ogen opsloeg, en oud alsof ze er altijd al waren geweest. Hij zag geen andere kleuren dan die hij kende, goud en wit en blauw en groen, maar ze waren fris en scherp, alsof hij ze op dat ogenblik voor de eerste keer zag en namen voor ze maakte, nieuw en wonderbaarlijk. In de winter kon hier geen hart rouwen om zomer of lente. Geen smet, ziekte of afwijking was te zien aan iets dat uit de aarde ontsproot. Op het land van Lórien lag geen smet.
Hij draaide zich om en zag dat Sam nu naast hem stond, met een verbaasde uitdrukking om zich heen kijkend en zich de ogen uitwrijvend, alsof hij niet zeker wist of hij wakker was. ‘De zon schijnt en het is klaarlichte dag, zo is het,’ zei hij. ‘Ik dacht dat de elfen meer om maan en sterren gaven, maar dit is elfser dan iets dat ik ooit heb horen vertellen. Ik voel me alsof ik binnen in een lied zit, als u me vat.’
Haldir keek hen aan, en hij scheen inderdaad de zin van de gedachte en het woord te raden. Hij glimlachte. ‘Je voelt de macht van de Vrouwe van de Galadhrim,’ zei hij. ‘Zouden jullie het prettig vinden met mij de Cerin Amroth te beklimmen?’
Ze volgden hem toen hij luchtig over de grazige hellingen liep. Hoewel hij liep en ademde, en rondom hem levende bladeren en bloemen door dezelfde koele wind werden bewogen die langs zijn gezicht streek, voelde Frodo dat hij in een tijdloos land was dat niet vervaagde of veranderde of in vergetelheid verzonk. Toen hij vertrokken was en weer in de buitenwereld rondliep, placht Frodo, de zwerver uit de Gouw, nog daar te verwijlen, op het gras tussen elanor en niphredil in het schone Lothlórien.
Ze betraden de kring van witte bomen. En terwijl ze dit deden, woei de zuidenwind over de Cerin Amroth en zuchtte in de takken. Frodo bleef staan en hoorde van ver grote zeeën op stranden die lang geleden waren weggespoeld, en het gekrijs van zeevogels wier soort op aarde was uitgestorven.
Haldir was doorgelopen en klom nu naar de hoge vlet. Toen Frodo zich opmaakte om hem te volgen, legde hij zijn hand op de boom naast de ladder; nooit eerder was hij zich zo plotseling en zo helder bewust geweest van het gevoel en de textuur van de huid van een boom en het leven daarin. Hij schiep een groot behagen in hout en de aanraking ervan, maar niet als een houtvester of timmerman; het was de verrukking van de levende boom zelf.
Toen hij eindelijk op het hoge platform stapte, pakte Haldir hem bij de hand en draaide hem naar het zuiden. ‘Kijk eerst naar deze kant,’ zei hij.
Frodo keek en zag op enige afstand een heuvel van vele machtige bomen of een stad van groene torens; wat het was kon hij niet zeggen. Het scheen hem toe dat daaruit de macht en het licht straalden die het hele landschap schenen te beheersen. Plotseling kwam het verlangen in hem op als een vogel te vliegen om in de groene stad te rusten. Toen keek hij naar het oosten en zag het hele landschap van Lórien naar de lichte schittering van de Anduin, de Grote Rivier, lopen. Hij keek over de rivier en al het licht verdween, en hij was weer terug in de wereld die hij kende. Achter de rivier leek het land vlak en leeg, vormloos en vaag, totdat het in de verte weer oprees als een muur, donker en onheilspellend. De zon die over Lothlórien scheen, had niet de kracht om de schaduw van die verre hoogte te verlichten.