‘Daar ligt het bolwerk van het zuidelijke Demsterwold,’ zei Haldir. ‘Het is omgeven door een woud van donkere pijnbomen, waar de bomen tegen elkaar aangroeien en hun takken verrotten en verdorren. In het midden op een stenen hoogte staat Dol Guldur, die lang de verblijfplaats van de verscholen Vijand is geweest. Wij vrezen dat hij nu weer bewoond wordt en met zevenvoudige macht. De laatste tijd hangt er vaak een zwarte wolk boven. Op deze hoge plaats kunnen jullie de twee machten zien die elkaar bestrijden; en ze strijden nu voor altijd in gedachten; maar hoewel het licht tot in het hart van de duisternis doordringt, is zijn eigen geheim niet ontdekt. Nog niet.’
Hij draaide zich om en daalde vlug af, en zij volgden hem. Aan de voet van de heuvel zag Frodo Aragorn, die stil en zwijgend stond als een boom; maar in zijn hand lag een kleine gouden elanor-bloem en een licht scheen in zijn ogen. Hij was verzonken in een of andere mooie herinnering en toen Frodo hem aankeek, wist hij dat hij de dingen zag zoals zij eens op deze plek waren geweest. Want de sombere jaren waren plotseling uit Aragorns gezicht verdwenen en hij scheen in het wit gekleed, een jonge vorst, groot en blond, en hij sprak woorden in de elfentaal tegen iemand die Frodo niet kon zien. ‘Arwen vanimelda, namárië!’ zei hij, en toen haalde hij diep adem en uit zijn mijmeringen ontwakend, keek hij Frodo aan en glimlachte.
‘Hier is het hart van het elfendom op aarde,’ zei hij, ‘en hier verwijlt mijn hart voor altijd, tenzij er een licht is op de donkere wegen die wij nog moeten gaan, jij en ik. Kom met mij mee.’
En met Frodo’s hand in de zijne, verliet hij de heuvel van Cerin Amroth en kwam daar nooit meer als levend mens terug.
VII. De spiegel van Galadriel
De zon ging achter de bergen onder en de schaduwen in het bos werden donkerder toen ze weer verdergingen. Hun pad ging nu door struikgewas waar het al donker was. Het werd nacht onder de bomen toen zij liepen en de elfen lieten hun zilveren lantaarns schijnen.
Plotseling kwamen zij weer op open terrein en stonden onder een bleke avondhemel, waaraan enkele sterren schitterden. Er lag een wijde vlakte zonder bomen voor hen, die de vorm had van een grote kring en aan beide kanten opzij boog. Daarachter lag een diepe gracht in een zachte schaduw, maar het gras aan de rand ervan was groen, alsof het nog nagloeide van de zon. Aan de andere kant verrees een hoge groene muur, die om een groene heuvel was gebouwd die dichtbegroeid was met mallornbomen, hoger dan zij tot dusver hadden gezien. Men kon hun hoogte niet gissen, maar zij stonden in de schemer als levende torens. In hun vele zijtakken en te midden van hun eindeloos bewegende bladeren glinsterden talloze lichtjes, groen, goud en zilver. Haldir wendde zich tot het Gezelschap.
‘Welkom in Caras Galadhon!’ zei hij. ‘Dit is de stad van de Galadhrim waar Heer Celeborn en Galadriel, de Vrouwe van Lórien, wonen. Maar we kunnen hier niet naar binnen, want de poorten liggen niet op het noorden. We moeten omlopen naar de zuidkant en dat is geen korte weg, want de stad is groot.’
Er was een weg geplaveid met witte stenen die aan de buitenkant van de gracht liep. Hierlangs gingen zij naar het westen, terwijl de stad aan hun linkerzijde steeds hoger oprees als een groene wolk; naarmate de nacht dieper werd, werden er meer lichten ontstoken tot de gehele heuvel door sterren in een gloed scheen te zijn gezet. Eindelijk kwamen ze bij een witte brug en toen ze die overstaken, stonden ze voor de grote poorten van de stad; deze lagen op het zuidwesten, tussen de uiteinden van de cirkelvormige muur die hier langs elkaar heen liepen, en ze waren hoog en sterk en er hingen vele lampen aan.
Haldir klopte en zei iets, en de poorten gingen geruisloos open, maar Frodo zag geen spoor van bewakers. De reizigers gingen naar binnen en de poorten sloten zich achter hen. Ze stonden op een lage weg tussen de uiteinden van de muur en, vlug voortlopend, kwamen ze in de Stad van de Bomen. Er was niemand te zien en ook hoorden ze geen voetstappen op de paden, maar er klonken vele stemmen om hen heen en boven hen. In de verte op de heuvel konden ze het geluid van gezang horen dat uit de hoogte op hen neerdaalde als zachte regen op bladeren.
Zij gingen vele paden langs en bestegen vele trappen, tot ze bij de hooggelegen delen kwamen en in het midden van een groot grasveld een fontein zagen schitteren. Deze werd verlicht door zilveren lampen, die aan de takken van de bomen hingen, en water klaterde in een zilveren kom waar een witte stroom uit overliep. Aan de zuidkant van het grasveld stond de machtigste boom van alle; zijn grote gladde stam glansde als grijze zijde, en hij rees op, tot zijn eerste takken, hoog daarboven, zich uitspreidden onder schaduwrijke bladerwolken. Daarnaast stond een brede witte ladder, aan de voet waarvan drie elfen gezeten waren. Zij sprongen op toen de reizigers naderden, en Frodo zag dat ze groot waren en gekleed in grijze maliënkolders. Over hun schouders golfden lange witte mantels.
‘Hier wonen Celeborn en Galadriel,’ zei Haldir. ‘Zij wensen dat je naar boven gaat om met hen te spreken.’
Een van de elfenwachters blies toen een klare noot op een kleine hoorn en deze werd drie keer van heel hoog beantwoord.
‘Ik zal voorgaan,’ zei Haldir. ‘Laat Frodo de volgende zijn en na hem Legolas. De anderen mogen volgen zoals ze willen. Het is een lange klim voor hen die niet aan een dergelijke trap gewend zijn, maar je mag onderweg rusten.’
Toen hij langzaam naar boven klom, passeerde Frodo vele vletten; sommige aan de ene kant, sommige aan de andere, terwijl er ook vletten om de stam van de boom zaten, zodat de ladder erdoorheen ging. Op grote hoogte boven de grond kwam hij aan een brede talan, als het dek van een groot schip. Daarop was een huis gebouwd, zo groot, dat het op aarde mensen bijna als burcht had kunnen dienen. Hij kwam achter Haldir binnen en zag dat hij zich in een groot ovaal vertrek bevond, in het midden waarvan de stam van de grote mallorn groeide, die nu bijna in een punt aan de kruin uitliep, maar toch nog altijd zeer omvangrijk was.
Het vertrek was vervuld van een zacht licht; de muren waren groen en zilver en het dak was van goud. Er zaten daar vele elfen. Op twee stoelen voor de stam van de boom en onder een levende tak zaten naast elkaar Celeborn en Galadriel. Zij stonden op om hun gasten te begroeten, op elfenwijze, zelfs zij die als machtige koningen werden beschouwd. Zij waren zeer lang, de Vrouwe niet minder dan de Heer, en ze waren statig en schoon. Zij waren helemaal in het wit gekleed en het haar van de Vrouwe was diepgoud en dat van Heer Celeborn was zilver, lang en glanzend; maar ze vertoonden geen spoor van ouderdom, tenzij in de diepten van hun ogen, want deze waren even scherp als lansen in het sterrenlicht, en toch peilloos, de bronnen van een verre herinnering.
Haldir leidde Frodo voor hen en de Heer verwelkomde hem in zijn eigen taal. Vrouwe Galadriel zei niets, maar keek hem lang en strak aan.
‘Ga nu naast mijn stoel zitten, Frodo uit de Gouw!’ zei Celeborn.
‘Als allen er zijn zullen we met elkaar spreken.’
Ieder van de Reisgenoten begroette hij hoffelijk toen ze binnenkwamen.
‘Welkom, Aragorn, zoon van Arathorn!’ zei hij. ‘Het is achtendertig jaar van de Buitenwereld geleden sinds u naar dit land kwam; en die jaren drukken zwaar op u. Maar het einde is nabij, ten goede of ten kwade. Leg hier uw last een poos terzijde.
Welkom, zoon van Thranduil! Te zelden komen mijn verwanten uit het noorden hierheen.