Welkom, Gimli, zoon van Glóin! Het is voorwaar lang geleden sinds wij een lid van Durins volk in Caras Galadhon hebben gezien. Maar vandaag hebben we onze lange wet gebroken. Moge het een teken zijn dat er, hoewel de wereld thans donker is, betere tijden gaan aanbreken, en dat de vriendschap tussen onze volken zal worden hernieuwd.’ Gimli maakte een diepe buiging.
Toen alle gasten voor zijn stoel gezeten waren, keek de Heer hen weer aan. ‘Er zijn er hier acht,’ zei hij. ‘Negen zouden er op weg gaan, volgens de berichten. Maar misschien is er een verandering door de Raad aangebracht waar wij niet van op de hoogte zijn. Elrond woont ver weg en de duisternis tussen ons wordt voortdurend dieper en dit jaar zijn de schaduwen langer geworden.’
‘Nee, de Raad is niet gewijzigd,’ zei Vrouwe Galadriel, voor de eerste keer sprekend. Haar stem was helder en muzikaal, maar dieper dan gebruikelijk voor een vrouw. ‘Gandalf de Grijze is met het Gezelschap op weg gegaan, maar hij heeft de grenzen van dit land niet overschreden. Vertel ons waar hij is, want ik verlangde er erg naar hem weer te spreken. Maar ik kan hem niet in de verte zien, tenzij hij binnen de hagen van Lothlórien komt: er hangt een grijze mist om hem heen en de richting van zijn voeten en gedachten zijn voor mij verborgen.’
‘Helaas!’ zei Aragorn. ‘Gandalf de Grijze is in het schimmenrijk gestort. Hij is in Moria gebleven en niet ontsnapt.’ Bij deze woorden begonnen alle elfen in de zaal luid te wenen van verbazing en smart. ‘Dit is slecht nieuws,’ zei Celeborn, ‘het slechtste dat hier in jaren vol snode daden is gehoord.’ Hij wendde zich tot Haldir. ‘Waarom heeft men mij dit niet eerder verteld?’ vroeg hij in de Elfentaal.
‘Wij hebben niet met Haldir over onze daden of doeleinden gesproken,’ zei Legolas. ‘Eerst waren we moe en het gevaar zat ons te dicht op de hielen en daarna vergaten we ons leed bijna even, toen wij vreugdevol langs de schone paden van Lórien liepen.’
‘Maar ons verdriet is groot en ons verlies kan niet worden goedgemaakt,’ zei Frodo. ‘Gandalf was onze gids en hij leidde ons door Moria, en toen er geen hoop op ontsnappen scheen, redde hij ons en viel.’
‘Vertel ons nu het gehele verhaal,’ zei Celeborn.
Toen vertelde Aragorn alles wat er op de pas van de Caradhras en de volgende dagen was gebeurd; hij sprak over Balin en diens boek, het gevecht in de Kamer van Mazarbul en het vuur, en de smalle brug en de komst van de Verschrikking. ‘Een verschrikking uit de Oude Wereld, scheen het, zoals ik nog nooit eerder heb gezien,’ zei Aragorn. ‘Het was zowel een schaduw als een vlam, sterk en vreselijk.’
‘Het was een Balrog uit Mordor,’ zei Legolas, ‘van alle elfenvloeken de dodelijkste, behalve de Ene die in de Zwarte Toren huist.’
‘Ik heb inderdaad datgene op de brug gezien dat onze donkerste dromen doorspookt, ik zag Durins Vloek,’ zei Gimli zacht, en er lag angst in zijn ogen.
‘Helaas,’ zei Celeborn. ‘Wij vreesden allang dat er onder de Caradhras een verschrikking huisde. Maar als ik had geweten dat de dwergen dit kwaad in Moria weer hadden gewekt, zou ik u hebben verboden de noordelijke grenzen te overschrijden, u en allen die met u zijn gegaan. En indien het mogelijk was, zou men zeggen dat Gandalf ten slotte van wijsheid tot dwaasheid is vervallen door zich onnodig in de valstrik van Moria te begeven.’
‘Hij die dat zou zeggen, zou werkelijk voorbarig zijn,’ zei Galadriel ernstig. ‘Nodeloos was geen van Gandalfs daden bij zijn leven. Zij die hem volgden, wisten niet wat er in zijn hoofd omging en kunnen zijn ware bedoelingen niet vertellen. Maar wat de gids ook gedaan mag hebben, zij die hem volgden zijn zonder blaam. Heb geen spijt dat u de dwerg hebt ontvangen. Als uw volk lang en ver van Lórien was verbannen, wie van de Galadhrim, zelfs Celeborn de Wijze, zou niet voorbij willen gaan om zijn oude land te zien, al was het een woonplaats van draken geworden?
Donker is het water van het Kheled-zâram, en koud zijn de bronnen van de Kibil-nâla, en schoon waren de veelzuilige zalen van Khazad-dûm in de Oudste Tijden voor de val van machtige koningen onder de steen.’ Zij keek naar Gimli, die boos en droef zat te kijken, en glimlachte. En toen de dwerg de namen in zijn eigen oude taal hoorde spreken, keek hij op en zag haar ogen; en het scheen hem toe dat hij plotseling in het hart van een vijand keek en zag dat daarin liefde en begrip waren. Er kwam verbazing op zijn gezicht en toen antwoordde hij haar met een glimlach. Hij stond houterig op en maakte een dwergenbuiging en zei: ‘Maar schoner nog is het levende land Lórien, en Vrouwe Galadriel is verheven boven alle juwelen die onder de aarde liggen.’
Er viel een stilte. Eindelijk sprak Celeborn weer. ‘Ik wist niet dat uw beproeving zo zwaar was,’ zei hij. ‘Laat Gimli mijn hardvochtige woorden vergeten: ik sprak uit de ongerustheid van mijn hart. Ik zal doen wat ik kan om u te helpen, naar ieders wens en behoefte, maar vooral diegene onder de Kleine Lieden die de last draagt.’
‘Uw queeste is ons bekend,’ zei Galadriel terwijl ze Frodo aankeek. ‘Maar wij zullen er hier niet openlijk over spreken. Toch zal het niet vergeefs blijken, misschien, dat u om hulp naar dit land bent gekomen, zoals Gandalf zelf klaarblijkelijk heeft gewild. Want de Heer van de Galadhrim staat bekend als de wijste elf van Middenaarde, en een schenker van giften die de macht van koningen te boven gaat. Hij heeft in het westen gewoond sinds het begin der tijden en ik heb talloze jaren met hem samengeleefd, want voor de val van Nargothrond of Gondolin kwam ik over de bergen, en samen hebben wij eeuwen van de wereld tegen de lange nederlaag gevochten.
Ik was het die de Witte Raad voor de eerste keer bijeenriep. En als mijn plannen niet waren misgegaan, zou deze door Gandalf de Grijze zijn bestuurd, en dan zouden de dingen misschien anders zijn gelopen. Maar ook nu is er nog hoop. Ik zal u geen raad geven en zeggen doe dit of doe dat. Want noch in doen of beramen, noch in het kiezen tussen de ene weg en de andere, kan ik helpen; maar slechts met de wetenschap van wat was en wat is, en ook gedeeltelijk van wat zal zijn. Maar dit zeg ik u: uw queeste staat op het scherp van de snede. Dwaal er slechts een weinig van af en ze zal mislukken, tot ons aller verderf. Maar toch is er hoop zolang het Gezelschap trouw blijft.’
En met deze woorden hield ze allen in haar blik gevangen en keek elk van hen zwijgend en onderzoekend aan. Geen, behalve Legolas en Aragorn, kon haar blik weerstaan. Sam bloosde snel en boog het hoofd.
Ten slotte wendde Vrouwe Galadriel haar ogen van hen af en glimlachte. ‘Laat er geen ongerustheid in uw harten zijn,’ zei ze. ‘Vannacht zult u in vrede slapen.’
Toen zuchtten ze en voelden zich plotseling moe, als zij die lang en grondig zijn ondervraagd, hoewel er geen woorden openlijk waren gesproken.
‘Ga nu!’ zei Celeborn. ‘U bent uitgeput van verdriet en inspanning. Zelfs al waren wij niet ten nauwste bij uw queeste betrokken, dan nog zou u onderdak krijgen in deze Stad, tot u genezen en verkwikt zou zijn. Nu zult u rusten en wij zullen voorlopig niet over uw verdere Weg spreken.’
Die nacht sliepen de Reisgenoten op de grond, zeer tot tevredenheid van de hobbits. De elfen maakten een paviljoen voor hen te midden van de bomen bij de fontein, daar legden ze zachte banken neer en toen verlieten ze hen onder het spreken van woorden van vrede met schone elfenstemmen. Een tijdje spraken de reizigers over de vorige nacht in de toppen van de bomen, en over de Heer en zijn Vrouwe; want ze hadden nog niet de moed om verder terug te blikken.
‘Waarom bloosde je, Sam?’ vroeg Pepijn. ‘Je bezweek gauw. Men zou denken dat je een schuldig geweten had. Ik hoop dat het niets ergers was dan een boos plan om een van mijn dekens te stelen.’
‘Dat ben ik nooit van plan geweest,’ zei Sam, die niet in de stemming was om te gekscheren. ‘Als u het dan wilt weten, ik voelde me alsof ik niets aanhad, en dat vond ik niet prettig. Zij scheen dwars door me heen te kijken en me te vragen wat ik zou doen als ze me de kans gaf om terug te vliegen naar de Gouw, naar een leuk klein hol met – met een eigen tuintje.’