‘Dat is raar,’ zei Merijn. ‘Bijna precies wat ik zelf voelde, alleen, alleen, nu, ik zal maar niets meer zeggen,’ besloot hij aarzelend. Allen, scheen het, hadden hetzelfde doorgemaakt, ieder had gevoeld dat hem een keuze werd voorgelegd tussen een angstaanjagende schaduw die voor hem lag, en iets dat hij hartgrondig begeerde: het stond hem helder voor de geest, en om het te krijgen, behoefde hij slechts van de Weg af te gaan en de queeste en de oorlog tegen Sauron aan anderen over te laten. ‘En het scheen mij ook toe,’ zei Gimli, ‘dat mijn keus geheim en slechts mijzelf bekend zou blijven.’
‘Ik vond het buitengewoon vreemd,’ zei Boromir. ‘Misschien was het slechts een proef en wilde ze onze gedachten voor haar eigen doeleinden lezen; maar ik zou haast hebben gezegd dat ze ons verleidde en aanbood wat ze voorwendde te kunnen geven. Onnodig te zeggen dat ik weigerde te luisteren. De mensen van Minas Tirith doen hun woord gestand.’ Maar Boromir zei niet wat hij dacht dat de Vrouwe hem had aangeboden.
Wat Frodo betreft, hij weigerde te spreken, hoewel Boromir hem met vragen preste. ‘Zij heeft haar blik lang op jou gericht gehouden, Ringdrager,’ zei hij.
‘Ja,’ zei Frodo, ‘maar wat ik dacht, zal ik voor mij houden.’
‘Nu, pas maar op!’ zei Boromir. ‘Ik heb het niet erg op deze elfenvrouwe en haar bedoelingen begrepen.’
‘Spreek geen kwaad van Vrouwe Galadriel,’ zei Aragorn streng. ‘Je weet niet wat je zegt. In haar noch in dit land is kwaad, tenzij iemand het hier zelf heen brengt. Maar dan moet hij oppassen. Vannacht zal ik voor het eerst sinds ik Rivendel verliet zonder angst slapen. En moge mijn slaap diep zijn, en moge ik mijn verdriet vergeten. Ik ben moe in hart en leden.’
Hij wierp zich op zijn bank en viel onmiddellijk in een diepe lange slaap.
De anderen volgden zijn voorbeeld en geen geluid of droom verstoorde hun sluimer. Toen ze wakker werden, zagen ze dat het daglicht breed op het grasveld voor het paviljoen lag, en de fontein sprong op en klaterde schitterend in de zon.
Ze bleven enkele dagen in Lothlórien, voorzover ze konden zeggen of zich herinneren. De hele tijd dat ze daar waren, scheen de zon helder, met uitzondering van nu en dan een regenbuitje dat alle dingen fris en schoon achterliet. De lucht was koel en mild, alsof het vroeg in het voorjaar was; toch voelden ze de diepe, kalme rust van de winter om zich heen. Het scheen hun toe dat ze bijna niets anders deden dan eten, drinken en rusten en tussen de bomen wandelen; en dat was genoeg.
Ze hadden de Heer en de Vrouwe niet weer gezien en ze spraken weinig met het elfenvolk, want weinigen van hen kenden het Westron, of wilden die taal gebruiken. Haldir had afscheid van hen genomen en was teruggekeerd naar de hagen in het noorden, waar nu een sterke wacht was uitgezet sinds het nieuws dat het Gezelschap uit Moria had meegebracht. Legolas was vaak weg met de Galadhrim, en na de eerste nacht sliep hij niet meer bij de andere Reisgenoten, hoewel hij terugkeerde om met hen te eten en te praten. Vaak nam hij Gimli met zich mee wanneer hij het land in trok, en de anderen verbaasden zich over deze verandering.
Nu, terwijl de Reisgenoten samen zaten of liepen, spraken ze over Gandalf, en alles wat elk van hem wist en had gezien, kwam hun helder voor de geest. Toen ze genazen van hun lichamelijke pijn en vermoeidheid werd de smart over hun verlies scherper. Vaak hoorden ze vlakbij elfenstemmen zingen en wisten ze dat ze klaagliederen maakten op zijn val, want ze hoorden zijn naam onder de zoete, droeve woorden die ze niet konden verstaan.
Mithrandir, Mithrandir, zongen de elfen. O, Pelgrim grijs! Want zo noemden zij hem bij voorkeur. Maar als Legolas bij het Gezelschap was, weigerde hij de liederen voor hen te vertalen, zeggende dat hij dat niet kon en dat voor hem de smart nog te nabij was, een zaak voor tranen en nog niet voor liederen.
Frodo was de eerste die iets van zijn verdriet in stamelende woorden legde. Hij voelde zelden de drang om een lied of rijm te maken; zelfs in Rivendel had hij zitten luisteren en niet zelf gezongen, hoewel zijn geheugen vol zat met vele dingen die anderen vóór hem hadden gemaakt. Maar nu, terwijl hij naast de fontein in Lórien zat en de stemmen van de elfen om zich heen hoorde, namen zijn gedachten vorm aan in een lied dat hem mooi toescheen; toen hij echter probeerde het voor Sam te herhalen, bleven er slechts fragmenten van over, verdoft als een hand vol dorre bladeren.
‘Lieve help, u zult straks meneer Bilbo nog overtreffen,’ zei Sam.
‘Nee, ik vrees van niet,’ zei Frodo. ‘Maar dat is het beste dat ik vooralsnog kan doen.’
‘Nu, meneer Frodo, als u het nog eens probeert, hoop ik dat u iets over zijn vuurwerk zult zeggen,’ zei Sam. ‘Ongeveer zo:
Hoewel hem dat nog op geen stukken na recht doet wedervaren.’
‘Nee, ik zal dat aan jou overlaten, Sam. Of misschien aan Bilbo. Maar – welnu, ik kan er niet meer over praten. Ik moet er niet aan denken dat ik het hem moet vertellen.’
Op een avond liepen Frodo en Sam samen in de koele schemering. Beiden voelden zich weer rusteloos. Over Frodo was plotseling de schaduw van het afscheid gevallen; hij wist op de een of andere manier dat de tijd zeer nabij was dat hij Lothlórien moest verlaten.
‘Wat vind je nu van de elfen, Sam?’ vroeg hij. ‘Ik heb je diezelfde vraag al eens eerder gesteld – het lijkt heel lang geleden – maar sindsdien heb je meer van ze gezien.’
‘Dat heb ik inderdaad!’ zei Sam. ‘En ik veronderstel dat er elfen en elfen zijn. Ze zijn allemaal elfs genoeg, maar ze zijn niet allemaal eender. Deze lieden hier zijn geen zwervers of daklozen, en schijnen wat meer op ons te lijken; ze schijnen hier thuis te horen, nog meer zelfs dan hobbits in de Gouw. Of zij het land gemaakt hebben, of het land hen, valt moeilijk te zeggen, als u begrijpt wat ik bedoel. Het is hier heerlijk rustig. Er schijnt niets te gebeuren, en niemand schijnt dat ook te willen. Als er tovenarij is, is die helemaal verborgen, zodat ik niet kan zeggen wat het precies is.’
‘Je kunt het overal zien en voelen,’ zei Frodo.
‘Welnu,’ zei Sam, ‘je kunt niet zien dat iemand zich ermee bezighoudt. Geen vuurwerk zoals die goeie ouwe Gandalf placht te vertonen. Ik vind het vreemd dat wij al die tijd niets van de Heer en de Vrouwe hebben gezien. Ik stel me voor dat zij wonderlijke dingen zou kunnen doen, als ze wilde. Ik zou dolgraag eens wat elfentovenarij willen zien, meneer Frodo!’
‘Ik niet,’ zei Frodo. ‘Ik ben tevreden. En ik mis Gandalfs vuurwerk niet, maar zijn borstelige wenkbrauwen en zijn lichtgeraaktheid, en zijn stem.’
‘U hebt gelijk,’ zei Sam. ‘En denk niet dat ik aan het vitten ben. Ik heb vaak een staaltje van toverkunst willen zien als waarover in oude verhalen wordt verteld, maar ik heb nog nooit van een beter land gehoord dan dit. Het is alsof je tegelijkertijd thuis en met vakantie bent, als u me vat. Ik wil niet weggaan. Maar toch begin ik het gevoel te krijgen dat als we verder moeten, het maar het beste is om het zo gauw mogelijk achter de rug te hebben.