Выбрать главу

Toen was er een pauze, en daarna volgden vele snelle taferelen, waarvan Frodo op de een of andere manier wist dat ze deel uitmaakten van de grote geschiedenis waarbij hij betrokken was geraakt. De mist trok op en hij zag een tafereel dat hij nooit eerder had gezien, maar onmiddellijk herkende: de Zee. De duisternis viel. De zee kwam op en ziedde in een grote storm. Toen zag hij tegen de zon, die bloedrood te midden van voortdrijvende wolken onderging, de zwarte contouren van een groot schip, dat met gescheurde zeilen uit het westen aan kwam varen. Toen een brede rivier, die door een dichtbevolkte stad stroomde. Daarna een wit fort met zeven torens. En toen weer een schip met zwarte zeilen, maar nu was het weer ochtend, en het licht schitterde op het water en een banier met het embleem van een witte boom scheen in de zon.

Er steeg rook op als van een vuur en een veldslag, en opnieuw ging de zon onder in een vlammend rood, dat tot een grijze mist vervaagde; en in die mist voer een klein schip weg, met fonkelende lichtjes. Het verdween en Frodo zuchtte en maakte zich gereed om zich terug te trekken.

Maar plotseling werd de spiegel helemaal donker, even donker alsof zich in de zichtbare wereld een gat had geopend, en Frodo staarde in het niets. In de zwarte afgrond verscheen een enkel Oog, dat langzaam groter werd totdat het ten slotte de hele spiegel vulde. Zo ontzettend was het, dat Frodo als aan de grond genageld stond, niet in staat om te schreeuwen of zijn ogen af te wenden. Het Oog was omrand met vuur, maar was zelf glazig, geel als van een kat, waakzaam en gespannen, en in de zwarte spleet van de pupil opende zich een kuil, een venster op het niets.

Toen begon het Oog te dwalen, naar deze en gene kant zoekend; en Frodo wist met zekerheid en afschuw dat van de vele dingen die het zocht hijzelf er een was. Maar hij wist ook dat het hem niet kon zien – nog niet, tenzij hij het zijn wil oplegde. De Ring die aan de ketting om zijn nek hing werd zwaar, zwaarder dan een grote steen en zijn hoofd werd naar omlaag getrokken. De spiegel scheen heet te worden en sliertjes stoom stegen uit het water op. Hij gleed naar voren.

‘Raak het water niet aan!’ zei Vrouwe Galadriel zacht. Het visioen vervaagde, en Frodo merkte dat hij naar de koele sterren keek die in de zilveren schaal schitterden. Hij liep achteruit, over zijn hele lichaam bevend, en keek naar de Vrouwe.

‘Ik weet wat het laatste was dat je hebt gezien,’ zei ze, ‘want dat is ook in mijn gedachten. Wees niet bang! Maar denk niet dat dit land Lothlórien uitsluitend in stand wordt gehouden en verdedigd tegen de Vijand door gezang te midden van de bomen, en evenmin door de ranke pijlen van elfenbogen. Ik zeg je, Frodo, dat ik, terwijl ik met je spreek, de Donkere Heerser zie en zijn gedachten ken, of althans zijn gedachten voorzover die de elfen betreffen. En hij doet altijd pogingen om mij en mijn gedachten te zien. Maar de deur is nog gesloten!’

Zij hief haar witte armen op, en spreidde haar handen naar het oosten uit in een gebaar van verwerping en verloochening. Eärendil, de Avondster, de lieveling van de elfen, scheen helder aan de hemel. Zo helder was zij, dat de gestalte van de elfenvrouwe een lichte schaduw op de grond wierp. Haar stralen schenen op een ring aan haar vinger, die schitterde als blinkend goud waarop zilveren licht scheen, en er fonkelde een zilveren ster in, alsof de Avondster was neergedaald om op haar hand te rusten. Frodo keek met ontzag naar de ring, want het scheen hem plotseling toe dat hij alles begreep.

‘Ja,’ zei ze, zijn gedachten radend, ‘het is niet toegestaan erover te spreken, en Elrond kon dat niet doen. Maar het kan niet worden verborgen voor de Drager van de Ring, en iemand die het Oog heeft gezien. Voorwaar, het is in het land Lórien aan de vinger van Galadriel dat er nog een van de Drie is. Dit is de Nenya, de ring van Adamant, en ik ben er de behoedster van.

Hij vermoedt het, maar hij weet het niet – nog niet. Begrijp je nu waarom je komst voor ons als de voetstap van het noodlot is? Want als jij faalt, zijn wij aan de Vijand overgeleverd. Maar zo je slaagt, dan is onze macht verminderd, en Lothlórien zal verdwijnen en de getijden van de Tijd zullen het wegspoelen. Wij moeten naar het Westen vertrekken, of een landelijk volk in dalen en grotten worden, om langzaam te vergeten en vergeten te worden.’

Frodo boog het hoofd. ‘En wat wilt u?’ vroeg hij ten slotte.

‘Dat wat moet gebeuren zal gebeuren,’ antwoordde zij. ‘De liefde van de elfen voor hun land en hun werken is dieper dan de diepten van de zee, en hun smart sterft nooit en kan nooit helemaal worden gelenigd. Toch willen ze liever alles opgeven dan zich aan Sauron onderwerpen, want ze kennen hem nu. Voor het lot van Lothlórien ben jij niet verantwoordelijk, maar alleen voor het uitvoeren van je eigen taak. Toch zou ik wensen, als het enig nut had, dat de Ene Ring nooit was vervaardigd, of voor altijd onvindbaar was gebleven.’

‘U bent wijs, onverschrokken en schoon, Vrouwe Galadriel,’ zei Frodo. ‘Ik zal u de Ene Ring geven als u erom vraagt. Het is een te zware opdracht voor mij.’

Galadriel lachte met een plotselinge klaterende lach. ‘Hoewel de Vrouwe Galadriel misschien wijs is,’ zei ze, ‘heeft ze hier haar evenknie in hoffelijkheid gevonden. Je bent zachtzinnig gewroken voor het doorvorsen van je hart bij onze eerste kennismaking. Je begint met een scherp oog te zien. Ik ontken niet dat mijn hart sterk het verlangen heeft gehad om te vragen wat je aanbiedt. Vele jaren lang had ik overdacht wat ik zou doen als de Grote Ring mij in handen zou vallen, en zie! Hij kwam binnen mijn bereik. Het kwaad dat lang geleden werd beraamd, werkt op vele manieren door, of Sauron zelf staat of valt. Zou dat geen nobele daad zijn geweest om op naam van zijn Ring te zetten, als ik hem door middel van geweld of angst van mijn gast had afgenomen?

En nu komt hij eindelijk. Je wilt mij de Ring uit eigen beweging geven! In plaats van de Donkere Heerser zul je een Koningin aan de macht brengen. En ik zal niet donker zijn, maar mooi en schrikwekkend als de Ochtend en de Nacht. Mooi als de Zee en de Zon en de Sneeuw op de Berg! Schrikwekkend als het Onweer en de Bliksem. Sterker dan de fundamenten van de aarde. Allen zullen van mij houden en wanhopen!’

Zij hief haar hand op en van de ring die zij droeg straalde een groot licht uit dat haar alleen bescheen en al het andere donker liet. Ze stond voor Frodo en scheen nu onmetelijk lang en onweerstaanbaar mooi, verschrikkelijk en aanbiddelijk. Toen liet ze haar hand zakken, en het licht vervaagde, en plotseling lachte ze weer en zie!

Ze was gekrompen; een slanke elfenvrouw, gekleed in eenvoudig wit, wier vriendelijke stem zacht en droevig was.

‘Ik heb de proef doorstaan,’ zei ze. ‘Mijn krachten zullen afnemen, ik zal naar het Westen gaan, en Galadriel blijven.’

Zij bleven lange tijd zwijgend staan. Eindelijk sprak de Vrouwe weer. ‘Laat ons teruggaan!’ zei ze. ‘Morgenochtend moet je vertrekken, want nu hebben wij gekozen, en de getijden van het lot zijn in beweging.’

‘Ik zou u nog één ding willen vragen voor we gaan,’ zei Frodo, ‘iets dat ik Gandalf vaak in Rivendel heb willen vragen. Het is mij toegestaan de Ene Ring te dragen: waarom kan ik niet alle andere zien en de gedachten kennen van hen die ze dragen?’

‘Je hebt het niet geprobeerd,’ zei ze. ‘Slechts drie keer heb je de Ring aan je vinger gedaan sinds je wist wat je bezat. Probeer het niet! Hij zou je vernietigen. Heeft Gandalf je niet verteld dat de Ringen macht geven naargelang het formaat van iedere eigenaar? Voor je die macht zou kunnen gebruiken, zou je veel sterker moeten worden, en je wil moeten oefenen in het overheersen van anderen. Maar ook nu, als Drager van de Ring en als iemand die hem om zijn vinger heeft gehad en gezien heeft wat verborgen is, is je blik al scherper geworden. Je hebt mijn gedachten duidelijker gelezen dan velen die als wijs worden beschouwd. Je hebt het Oog gezien van hem die de Zeven en de Negen bezit. En zag en herkende je de ring aan mijn vinger niet? Heb jij mijn ring gezien?’ vroeg ze, zich tot Sam wendend.

‘Nee, Vrouwe,’ antwoordde deze. ‘Om u de waarheid te zeggen, vroeg ik me af waar u het over had. Ik zag een ster door uw vinger. Maar als u het me niet kwalijk wilt nemen dat ik het eerlijk zeg, ik denk dat mijn meester gelijk heeft. Ik wou dat u zijn Ring aannam. U zou alles in orde maken. U zou hen laten ophouden mijn gabber uit te graven en hem de laan uit te sturen. U zou bepaalde lieden voor hun vuile werk laten boeten.’