Выбрать главу

‘Dat zou ik,’ zei ze. ‘Zo zou het beginnen. Maar daar zou het helaas niet mee afgelopen zijn! We zullen er niet meer over spreken. Laat ons gaan!’

VIII. Afscheid van Lórien

Die nacht werden de Reisgenoten weer naar de kamer van Celeborn ontboden, en daar begroetten de Heer en de Vrouwe hen met vriendelijke woorden. Ten slotte sprak Celeborn over hun vertrek.

‘Nu is de tijd gekomen,’ zei hij, ‘waarop zij die de queeste willen voortzetten, hun harten moeten harden om dit land te verlaten. Zij die niet langer verder willen gaan, mogen hier blijven, een tijdlang. Maar of ze blijven of gaan, geen kan verzekerd zijn van vrede. Want wij zijn nu aan de rand van het noodlot gekomen. Hier mogen zij die dat wensen, de komst van het uur afwachten waarin de wegen der wereld weer openliggen, of wij hen ontbieden om Lórien in zijn laatste nood bij te staan. Daarna mogen zij naar hun eigen land terugkeren, of anders naar het verre thuis gaan van hen die in de strijd sneuvelen.’

Er viel een stilte. ‘Zij hebben allen besloten verder te gaan,’ zei Galadriel, terwijl zij in hun ogen keek.

‘Wat mij betreft,’ zei Boromir, ‘mijn thuis ligt vóór en niet achter mij.’

‘Dat is waar,’ zei Celeborn. ‘Maar gaat dit hele Gezelschap met u mee naar Minas Tirith?’

‘Wij hebben nog niet besloten welke weg we zullen gaan,’ zei Aragorn. ‘Ik weet niet wat Gandalf na Lothlórien van plan was. Ik denk dat ook hem geen duidelijk doel voor ogen stond.’

‘Misschien niet,’ zei Celeborn, ‘maar toch, wanneer u dit land verlaat, kunt u de Grote Rivier niet langer negeren! Zoals sommigen van u maar al te goed weten kan deze tussen Lórien en Gondor door reizigers met bagage niet worden overgestoken, behalve per boot. En zijn niet de bruggen van Osgiliath verwoest en alle aanlegplaatsen nu in handen van de Vijand?

Aan welke kant zult u reizen? De weg naar Minas Tirith ligt aan deze zijde, naar het westen; maar de rechte weg van de queeste ligt ten oosten van de Rivier, op de donkerder oever. Welke oever zult u nu nemen?’

‘Als mijn raad wordt opgevolgd, zal het de westelijke oever zijn, en de weg naar Minas Tirith,’ zei Boromir. ‘Maar ik ben niet de leider van het Gezelschap.’ De anderen zeiden niets, en Aragorn keek vertwijfeld en verontrust.

‘Ik zie dat u nog niet weet wat te doen,’ zei Celeborn. ‘Het is niet aan mij om voor u te kiezen, maar ik zal u helpen waar ik kan. Sommigen van u kunnen met boten omgaan: Legolas, wiens volk de snelle Woudrivier kent, en Boromir uit Gondor, en Aragorn de reiziger.’

‘En één hobbit!’ riep Merijn uit. ‘Niet allen van ons beschouwen boten als wilde paarden. Mijn volk woont bij de oevers van de Brandewijn.’

‘Dat is goed,’ zei Celeborn. ‘Dan zal ik uw Gezelschap met boten uitrusten. Ze moeten klein zijn en licht, want als u ver over het water gaat, zijn er plaatsen waar u ze zult moeten dragen. U zult bij de stroomversnelling van de Sarn Gebir komen en misschien, ten slotte, ook bij de grote watervallen van Rauros, waar de Rivier met donderend geweld van de Nen Hithoel neerstort; bovendien zijn er andere gevaren. Boten zullen uw reis misschien enige tijd lang minder moeizaam maken. Toch zullen ze u geen raad geven; uiteindelijk zult u hen en de Rivier moeten verlaten en naar het westen – of oosten gaan.’

Aragorn bedankte Celeborn vele keren. De boten die hem waren geschonken betekenden een grote geruststelling voor hem, niet in de laatste plaats omdat hij nu zijn koers de volgende dagen niet zou hoeven te bepalen. De anderen keken ook hoopvoller; welke ook de gevaren mochten zijn die hun wachtten, het scheen beter om op de brede stroom de Anduin af te drijven dan met gebogen ruggen voorwaarts te sjokken. Alleen Sam twijfelde; hij beschouwde boten in ieder geval als wilde paarden, of erger nog, en alle gevaren die hij had overleefd, maakten zijn oordeel erover er niet beter op. ‘Alles zal voor u in gereedheid worden gebracht en voor morgenmiddag in de haven op u wachten,’ zei Celeborn. ‘Ik zal mijn lieden morgenochtend naar u toe sturen om u te helpen bij de voorbereidingen voor uw reis. Nu zullen wij u allen goedenacht en een ongestoorde slaap toewensen.’

‘Goedenacht, vrienden,’ zei Galadriel. ‘Slaap gerust! Bezwaart uw harten vannacht niet te zeer met gedachten over de weg. Misschien liggen de paden die elk van u zal betreden al aan uw voeten, ook al ziet u ze niet. Goedenacht!’

Het Reisgenootschap nam nu afscheid en keerde naar het paviljoen terug. Legolas ging met hen mee, want dit zou hun laatste avond in Lothlórien zijn, en ondanks Galadriels woorden, wilden zij samen overleggen.

Lange tijd bespraken ze wat hun te doen stond, en hoe ze hun doel met de Ring het beste konden proberen te bereiken, maar zij kwamen niet tot een besluit. Het was duidelijk dat de meesten van hen er de voorkeur aan gaven om eerst naar Minas Tirith te gaan, en tenminste een tijdje aan de verschrikking van de Vijand te ontkomen. Ze zouden bereid zijn geweest een leider over de Rivier en in de schaduw van Mordor te volgen, maar Frodo sprak geen woord en Aragorn stond nog in tweestrijd.

Toen Gandalf nog bij hen was, was zijn eigen plan geweest om met Boromir mee te gaan en met zijn zwaard Gondor te helpen bevrijden. Want hij geloofde dat de boodschap van de dromen een oproep was en dat het uur waarop de erfgenaam van Elendil tevoorschijn moest komen en met Sauron om de heerschappij zou strijden eindelijk was aangebroken. Maar in Moria was de last van Gandalf op hem gelegd; en hij wist dat hij de Ring nu niet kon verzaken, als Frodo uiteindelijk zou weigeren met Boromir mee te gaan. Maar toch, welke hulp kon hij of iemand anders van het Gezelschap Frodo bieden, behalve blindelings met hem mee te gaan in de duisternis?

‘Ik zal zo nodig alleen naar Minas Tirith gaan, want het is mijn plicht,’ zei Boromir, en daarna zweeg hij een tijdje en keek Frodo strak aan, alsof hij de gedachten van de halfling probeerde te raden.

Ten slotte sprak hij opnieuw, zacht, alsof hij bij zichzelf overlegde.

‘Indien je de Ring alleen maar wilt vernietigen,’ zei hij, ‘hebben oorlog en wapens weinig nut, en de mensen van Minas Tirith kunnen niet helpen. Maar als je de gewapende macht van de Donkere Heerser wilt vernietigen, dan is het dwaasheid om zonder gewapende macht zijn gebied te betreden en dwaasheid om weg te gooien.’

Hij zweeg ineens alsof hij besefte dat hij zijn gedachten hardop uitsprak. ‘Het zou dwaasheid zijn om levens weg te gooien bedoel ik,’ besloot hij. ‘De keus gaat tussen een sterke veste verdedigen en met open ogen de dood in de armen lopen. Zo zie ik het tenminste.’

Frodo meende dat hij iets nieuws en vreemds in Boromirs blik zag, en hij keek hem strak aan. Het was duidelijk dat Boromir iets anders dacht dan hij met zijn laatste woorden had gezegd. Het zou dwaasheid zijn om iets weg te gooien: wat? De Ring van Macht?

Iets dergelijks had hij in de Raadsvergadering gezegd, maar toen had hij Elronds verbetering aanvaard. Frodo keek naar Aragorn, maar die scheen in zijn eigen gedachten verzonken en gaf op geen enkele manier te kennen dat hij Boromirs woorden had gehoord.

En zo eindigde hun gesprek. Merijn en Pepijn sliepen al en Sam was aan het knikkebollen. De nacht vorderde reeds aanzienlijk.

’s Ochtends, toen ze hun weinige bagage begonnen in te pakken, kwamen er elfen die hun taal spraken naar hen toe en brachten hun vele geschenken in de vorm van voedsel en kleren voor de reis. Het voedsel bestond voornamelijk uit heel dunne koeken, gemaakt van een soort meel dat aan de buitenkant lichtbruin was gebakken en vanbinnen de kleur van room had. Gimli nam een van deze koeken en keek er misprijzend naar.