Выбрать главу

De rivier maakte een scherpe bocht en daar, trots stroomafwaarts naar hen toe zwemmend, zagen zij een grote zwaan. Het water rimpelde aan weerskanten van de witte borst onder zijn welvende nek. Zijn snavel glom als donker goud en zijn ogen glinsterden als git in gele stenen gevat; de enorme witte vleugels waren half opgeheven. Muziek klonk over de rivier terwijl de zwaan naderde; en plotseling zagen ze dat het een schip was, met de vaardigheid van elfen gemaakt en uitgesneden in de gedaante van een vogel. Twee in het wit geklede elfen stuurden het met zwarte peddels. In het midden van het vaartuig zat Celeborn, en achter hem stond Galadriel, rijzig en wit, een kroontje van gouden bloemen op haar hoofd, en in haar hand hield zij een harp en zong. Droevig en lieflijk was het geluid van haar stem in de koele heldere lucht:

Ik zong van bladeren, bladeren goud, toen groeiden bladeren goud, Ik zong van wind, een wind stak op en blies door ’t takkenwoud. Achter de Zon, achter de Maan, schuimde der Zeeën Zoom En bij het strand van Ilmarin groeide een gouden boom. In sterrenlicht van Immer-Avond straalde hij als een Zon In Eldamar naast muren van het Elfse Tirion. Daar groeide lang het gouden blad aan ’t groeiend jarental, Maar hier, achter de Zee die scheidt, ligt ’t elfentranendal. O Lórien! De Winter komt, dorre en bladloze tijd; De bladeren vallen in de stroom, en de Rivier verglijdt. O Lórien, te lang heb ik op deze kust verwijld En in steeds doffere kroon de gouden elanor getwijnd. Maar als ik nu van schepen zing, welk schip neemt mij dan mee, Welk schip zal ooit terugvoeren mij over zo’n wijde Zee?

Aragorn legde zijn boot stil toen het Zwanenschip langszij kwam.

De Vrouwe beëindigde haar lied en groette hen. ‘Wij zijn gekomen om voor de laatste keer afscheid van u te nemen,’ zei ze, ‘en u de zegen van ons land mee te geven.’

‘Hoewel u onze gasten bent geweest,’ zei Celeborn, ‘hebt u nog geen maaltijd met ons gebruikt; en daarom nodigen wij u uit op een afscheidsmaal, hier tussen de stromende wateren die u ver van Lórien zullen wegvoeren.’

De Zwaan dreef langzaam naar de steiger en zij wendden hun boten en volgden hem. Daar, op het laatste stuk van Egladil op het groene gras werd het afscheidsmaal gehouden; maar Frodo at en dronk weinig, en had alleen aandacht voor de schoonheid van de Vrouwe en haar stem. Zij scheen niet langer gevaarlijk of angstwekkend, of van een onzichtbare macht vervuld. Zij scheen hem al, zoals de mensen van latere tijden de elfen soms nog zien, aanwezig en toch veraf toe, een levend visioen van dat wat de vloeiende stromen van de Tijd al ver achter zich hebben gelaten.

Nadat ze, op het gras gezeten, hadden gegeten en gedronken, sprak Celeborn weer met hen over hun reis en, met opgeheven hand, wees hij zuidwaarts naar de bossen achter de Tong.

‘Als jullie de stroom afzakken,’ zei hij, ‘zullen jullie zien, dat de bomen ophouden en dat jullie bij een kaal landschap komen. Daar stroomt de Rivier in rotsachtige dalen tussen hoge heidelanden, tot zij ten slotte na vele mijlen bij het grote eiland van de Tindrots komt, die wij Tol Brandir noemen. Daar slaat zij haar armen om de steile oevers van het eiland heen en stort zich dan onder groot geweld en in een nevelgordijn over de stroomversnellingen van de Rauros in de Nindalf, de Wetwang, zoals die in jullie taal wordt genoemd. Dat is een wijd gebied van traag moerasland, waar de stroom kronkelt en zich vertakt. Daar stroomt de Entwas erin via vele mondingen uit het Woud van Fangorn in het westen. Langs die stroom, aan deze kant van de Grote Rivier, ligt Rohan. Aan de andere kant liggen de Woeste Heuvels van de Emyn Muil. De wind waait daar uit het oosten, want ze kijken uit over de Dode Moerassen en de Niemandslanden naar de Cirith Gorgor en de zwarte poorten van Mordor.

Boromir, en zij die met hem op zoek gaan naar Minas Tirith, zullen er goed aan doen de Grote Rivier boven de Rauros te verlaten en de Entwas over te steken voor deze de moerassen bereikt. Toch moeten ze deze stroom niet te ver op gaan, of het gevaar lopen verward te raken in het Bos van Fangorn. Dat is een vreemd en tegenwoordig vrijwel onbekend gebied. Maar Boromir en Aragorn hebben ongetwijfeld deze waarschuwing niet nodig.’

‘Inderdaad hebben wij in Minas Tirith van Fangorn gehoord,’ zei Boromir. ‘Maar wat ik heb gehoord schijnt mij voor het grootste deel oudewijvenpraat toe, zoals wij onze kinderen vertellen. Alles dat ten noorden van Rohan ligt, is nu zo ver van ons vandaan, dat de verbeelding daar vrij spel heeft. Vanouds lag Fangorn aan de grenzen van ons rijk, maar het is nu vele mensengeslachten geleden sinds een van ons het heeft bezocht om de legenden die uit die verre jaren zijn overgeleverd, te bewijzen of te ontzenuwen.

Ik ben zelf bijwijlen in Rohan geweest, maar ik heb het nooit in het noorden doorkruist. Toen ik als boodschapper werd uitgezonden, ben ik langs de uitlopers van de Witte Bergen door de Kloof gegaan, en ben de Isen en de Grijsvloed naar Noorderland overgestoken. Een lange en moeizame reis. Ik schat haar op twaalfhonderd mijl, en ik heb er vele maanden over gedaan; want in Tharbad verloor ik mijn paard bij het doorwaden van de Grijsvloed. Na die reis en de weg die ik met dit Gezelschap heb afgelegd, twijfel ik er niet aan dat ik een weg door Rohan zal vinden en door Fangorn ook, zo nodig.’

‘Dan behoef ik niet meer te zeggen,’ zei Celeborn. ‘Maar ik minacht de kennis niet die uit verre jaren tot ons is gekomen; want het gebeurt vaak dat oude wijven dingen onthouden die de wijzen eens moesten kennen.’

Nu stond Galadriel van het gras op en, terwijl ze een beker van een van haar dienaressen aannam, vulde zij die met witte mede en gaf hem aan Celeborn.

‘Nu is het tijd om een afscheidsbeker te heffen,’ zei ze. ‘Drink, Heer van de Galadhrim! En laat uw hart niet bedroefd zijn, ook al volgt de nacht op de middag, en komt onze avond al dichterbij.’

Daarna gaf ze de beker aan ieder van het Gezelschap, en verzocht hun te drinken en wenste hun goede reis. Maar toen ze hadden gedronken, gelastte zij hen weer op het gras te gaan zitten, en voor haar en Celeborn werden stoelen neergezet. Haar dienaressen stonden zwijgend om haar heen, en een tijdlang keek ze op haar gasten neer. Eindelijk sprak zij weer.

‘Wij hebben de afscheidsbeker gedronken,’ zei ze, ‘en de schaduwen vallen tussen ons. Maar voor u gaat heb ik met mijn schip geschenken gebracht die de Heer en de Vrouwe van de Galadhrim u nu als aandenken aan Lothlórien aanbieden.’

Toen riep ze hen om beurten bij zich.

‘Hier is het geschenk van Celeborn en Galadriel aan de leider van uw Gezelschap,’ zei ze tegen Aragorn en gaf hem een schede die speciaal voor zijn zwaard was gemaakt. Deze was versierd met traceerwerk van bloemen en bladeren, gemaakt van zilver en goud, en daarop stonden in elfenrunen, gevormd door vele juwelen, de naam Andúril en de herkomst van het zwaard.

‘Het staal dat uit deze schede wordt getrokken, zal niet worden bezoedeld of gebroken, zelfs niet in de nederlaag,’ zei ze. ‘Maar is er nog iets anders dat ge van mij verlangt bij ons afscheid? Want duisternis zal tussen ons vloeien, en wellicht zullen wij elkaar nooit meer ontmoeten, tenzij heel ver op een weg waarvan geen terugkeer mogelijk is.’

En Aragorn antwoordde: ‘Vrouwe, u kent heel mijn verlangen en hebt de enige schat die ik zoek, lang in bewaring gehad. Toch kunt u die mij niet geven, ook al zou u het willen; en alleen door duisternis zal die mij ten deel vallen.’

‘Maar misschien zal dit uw hart verlichten,’ zei Galadriel, ‘want het werd aan mijn hoede toevertrouwd om u te geven voor het geval u dit land door zou trekken.’ Toen haalde ze een grote steen van zuiver groen uit haar schoot tevoorschijn, gevat in een zilveren broche, die was gevormd naar de beeltenis van een adelaar met uitgespreide vleugels; en toen ze hem omhooghield, fonkelde het juweel als de zon schijnend door lentebladeren. ‘Deze steen schonk ik aan Celebrían, mijn dochter, en zij gaf hem aan haar dochter; en nu wordt hij aan u geschonken als een teken van hoop. Neem in dit uur de naam aan die u was voorspeld, Elessar, de Elfensteen van het huis van Elendil.’