Выбрать главу

Toen nam Aragorn de steen en speldde de broche op zijn borst, en zij die hem zagen verbaasden zich, want ze hadden nog nooit eerder opgemerkt hoe fier en vorstelijk zijn houding was, en het scheen hun toe dat vele jaren van zware inspanning van zijn schouders waren gevallen. ‘Voor de gaven die u mij geschonken hebt, dank ik u,’ zei hij, ‘o Vrouwe van Lórien, uit wie Celebrían en Arwen Avondster zijn voortgekomen. Hoe zou ik u nog meer kunnen loven?’

De Vrouwe boog het hoofd en wendde zich tot Boromir, en hem gaf ze een gordel van goud; en aan Merijn en Pepijn schonk zij kleine zilveren gordels, elk met een gesp in de vorm van een gouden bloem. Aan Legolas schonk zij een boog zoals de Galadhrim gebruikten, langer en steviger dan de bogen van het Demsterwold, en bespannen met een pees van elfenhaar. En daarbij behoorde een koker met pijlen.

‘Voor jou, kleine tuinman en minnaar van bomen,’ zei ze tegen Sam, ‘heb ik maar een klein geschenk.’ In zijn hand legde zij een kleine doos van glad grijs hout, met als enige versiering een zilveren rune op het deksel. ‘Hier staat de G van Galadriel,’ zei ze, ‘maar deze staat misschien ook voor gaarde in jouw taal. Deze doos bevat aarde uit mijn boomgaard en de zegen die Galadriel nog altijd kan schenken rust erop. Zij zal je niet op je weg houden of je tegen elk gevaar beschermen; maar als je haar bewaart en je huis ten slotte weer terugziet, zal zij je misschien belonen. Ook al zou je alles kaal en braakliggend aantreffen, er zullen weinig tuinen in Midden-aarde zijn die zullen bloeien als de jouwe, als je deze aarde daar neerstrooit. Dan zul je misschien aan Galadriel denken en je het beeld voor de geest halen van het verre Lórien dat je alleen in onze winter hebt gezien. Want ons voorjaar en onze zomer zijn voorbij, en zij zullen nimmer meer op aarde worden weergezien, behalve in de herinnering.’

Sam bloosde tot aan zijn oren en mompelde iets onverstaanbaars en boog zo goed hij kon.

‘En welk geschenk zou een dwerg aan de elfen vragen?’ zei Galadriel, zich tot Gimli wendend.

‘Geen enkel, Vrouwe,’ antwoordde Gimli. ‘Het is voldoende voor mij dat ik de Vrouwe van de Galadhrim heb gezien en haar vriendelijke woorden heb gehoord.’

‘Hoor dit, al jullie elfen!’ riep zij tot de omstanders uit. ‘Laat niemand ooit weer zeggen dat dwergen hebberig en onhoffelijk zijn! Maar zeker, Gimli, zoon van Glóin, begeer je iets dat ik zou kunnen geven. Noem het, bid ik je. Je zult niet de enige gast zijn zonder geschenk.’

‘Er is niets, Vrouwe Galadriel,’ zei Gimli, terwijl hij een diepe buiging maakte en stotterde. ‘Niets, tenzij het – tenzij het veroorloofd is te vragen, nee, om een enkele lok van uw haar te nemen die het goud van de aarde overtreft, zoals de sterren de juwelen van de mijn overtreffen. Ik vraag niet om zulk een gift. Maar u gebood mij te zeggen wat ik begeer.’

De elfen roerden zich en mompelden verbaasd, en Celeborn keek de dwerg verwonderd aan, maar de Vrouwe glimlachte. ‘Men zegt dat de dwergen bedrevener met de handen zijn dan met de tong,’ zei ze, ‘maar dat geldt niet voor Gimli. Want niemand heeft ooit een zo stoutmoedig en toch zo hoffelijk verzoek tot mij gericht. En hoe zal ik kunnen weigeren nu ik hem gelastte te spreken. Maar zeg mij, wat zou je doen met een dergelijk geschenk?’

‘Het bewaren, Vrouwe,’ antwoordde hij, ‘ter gedachtenis aan de woorden die u bij onze eerste ontmoeting tegen mij hebt gesproken. En als ik ooit naar de smidsen van mijn woonplaats terugkeer, zal het in onverwoestbaar kristal worden gevat als erfstuk van mijn huis en een belofte van goede wil tussen de Berg en het Bos tot in lengte van dagen.’

Toen vlocht de Vrouwe een van haar lange lokken los, sneed drie gouden haren af en legde die in Gimli’s hand. ‘Deze woorden zullen de gift vergezellen,’ zei ze. ‘Ik voorspel niet, want alle voorspellingen zijn nu vergeefs: aan de ene kant ligt duisternis, aan de andere kant alleen maar hoop. Maar als de hoop niet verloren gaat, dan zeg ik jou, Gimli, zoon van Glóin, dat je handen van goud zullen overvloeien, maar dat het goud toch geen heerschappij over je zal hebben.

En jij, Drager van de Ring,’ zei ze, zich tot Frodo wendend. ‘Ik kom het laatste tot jou, die niet de laatste in mijn gedachten is. Voor jou heb ik dit gemaakt.’ Zij hield een klein kristallen flesje omhoog; het schitterde toen zij het bewoog en stralen wit licht sprongen uit haar hand. ‘In dit flesje,’ zei ze, ‘is het licht van Eärendils ster gevangen, gevat in het water van mijn fontein. Het zal nog helderder stralen wanneer de nacht je omringt. Moge het je pad verlichten op donkere plaatsen wanneer alle andere lichten uitdoven. Gedenk Galadriel en haar Spiegel!’

Frodo nam het flesje aan en een ogenblik, terwijl het tussen hen in schitterde, zag hij haar staan als een koningin, groot en mooi, maar niet langer angstaanjagend. Hij boog, maar vond geen woorden om te spreken.

Nu stond de Vrouwe op en Celeborn leidde hen terug naar de aanlegplaats. Een gele middag lag over het groene land van de Tong, en het water had een zilveren schittering. Alles was ten slotte in gereedheid gebracht. De Reisgenoten namen hun plaatsen in de boten weer in als eerst. Onder het uitroepen van vaarwel, duwden de elfen van Lórien hen met lange grijze vaarbomen de bewegende stroom in en de kabbelende wateren voerden hen langzaam weg. Op de groene oever aan het einde van de Tong stond de Vrouwe Galadriel eenzaam en zwijgend. Toen zij haar voorbijvoeren, keerden ze zich om en hun ogen zagen haar langzaam van hen wegdrijven. Want zo althans scheen het hun toe: Lórien schoot achteruit, als een kleurig schip met betoverde bomen als masten, verder varend naar vergeten stranden, terwijl zij hulpeloos op de rand van de grijze en bladerloze wereld zaten.

Terwijl ze keken ging de Zilverlei over in de stromingen van de Grote Rivier, en hun boten wendden zich en begonnen snel naar het zuiden te varen. Weldra was de witte gestalte van de Vrouwe klein en veraf. Ze schitterde als een glazen venster op een verre heuvel in de naar het westen zinkende zon, of als een ver meer van een berg af gezien: een kristal dat in de schoot van het land was gevallen. Toen scheen het Frodo toe dat ze haar armen ophief in een laatste afscheidsgroet, en ver, maar doordringend helder, kwam op de achtervolgende wind het geluid van haar zingende stem. Maar nu zong zij in de oude taal van de elfen achter de Zee, en hij begreep de woorden niet; hoewel de muziek mooi was, troostte die hem niet.

Maar toch, zoals dat gaat met elfenwoorden, bleven ze in zijn herinnering gegrift, en lang daarna vertolkte hij ze zo goed als hij kon; de taal was die van een elfenlied en sprak van dingen die weinig bekend zijn in Midden-aarde.

Ai! laurië lantar lassi súrinen, Yéni únótime ve rámar aldaron! Yéni ve lintë yuldar avánier mi oromardi lisse-miruvóreva Andúnë pella, Vardo tellumar nu luini yassen tintilar i eleni ómaryo airetári-lírinen.
Sí man i yulma nin enquantuva?
An sí Tintallë Varda Oiolossëo ve fanyar máryat Elentári ortanë ar ilyë tier undulávë lumbulë, ar sindanóriello caita mornië i falmalinnar imbë met, ar hísië untúpa Calaciryo míri oialë Sí vanwa ná, Rómello vanwa, Valimar!
Namárië! Nai hiruvalyë Valimar. Nai elyë hiruva. Namárië!

‘Ach! Als goud vallen de bladeren in de wind, lange jaren talloos als de vleugels van bomen! De lange jaren zijn voorbijgegaan als snelle teugen van de zoete honingwijn in de hoge zalen voorbij het westen, onder de blauwe gewelven van Varda, waarin de sterren trillen in het lied van haar stem, heilig en majesteitelijk. Wie zal nu de beker opnieuw voor mij vullen? Want nu heeft de Aansteekster, Varda, de Koningin van de Sterren, van de Berg Immerwit haar handen als wolken omhoog geheven, en alle paden zijn diep in schaduw ondergedompeld; en duisternis uit een grijs land ligt op de schuimende golven tussen ons, en mist bedekt voor altijd de juwelen van Calacirya. Verloren nu is Valimar, verloren voor hen uit het Oosten! Vaarwel! Misschien zult ge Valimar vinden. Misschien zult gij het zelfs vinden. Vaarwel!’ Varda is de naam van de Vrouwe die de elfen in deze oorden van verbanning Elbereth noemen.