Plotseling beschreef de Rivier een bocht en de oevers aan weerszijden werden hoger en het licht van Lórien was aan het oog onttrokken. Nimmermeer kwam Frodo in dat mooie land terug.
De reizigers richtten nu al hun aandacht op de reis; de zon was vóór hen en het schemerde voor hun ogen, die alle met tranen waren gevuld. Gimli huilde openlijk.
‘Ik heb eindelijk aanschouwd wat het mooiste was,’ zei hij tegen Legolas, zijn metgezel. ‘Van nu af aan zal ik niets meer mooi noemen, tenzij het haar geschenk is.’ Hij legde zijn hand op zijn borst. ‘Zeg mij, Legolas, waarom ben ik op deze queeste meegegaan? Weinig vermoedde ik waar het grootste gevaar lag! Ware woorden sprak Elrond toen hij zei dat wij niet konden voorzien wat we op onze weg zouden tegenkomen. Kwelling in het donker was het gevaar dat ik vreesde, maar het weerhield mij niet. Maar ik zou niet zijn gegaan, als ik het gevaar van licht en vreugde had gekend. Nu heb ik mijn ergste wond met dit afscheid opgelopen, zelfs al ging ik vannacht regelrecht naar de Donkere Heerser. Wee Gimli, zoon van Glóin.’
‘Nee!’ zei Legolas. ‘Wee ons allen! En allen die in de wereld leven in deze nadagen. Want zo gaat het toe: vinden en verliezen, zoals het hun toeschijnt wier boot zich op de voortsnellende stroom bevindt. Maar ik beschouw jou als gezegend, Gimli, zoon van Glóin, want jij lijdt je verlies uit eigen vrije wil, en je had anders kunnen kiezen. Maar je hebt je metgezellen niet verzaakt en de minste beloning die je zult hebben, is dat de herinnering aan Lothlórien voor altijd helder en onbezoedeld in je hart zal voortleven en niet zal vervagen of oud worden.’
‘Misschien,’ zei Gimli, ‘en ik dank je voor je woorden. Oprechte woorden, zonder twijfel; toch is al zulke troost vergeefs. Herinnering is niet wat het hart verlangt. Dat is slechts een spiegel, al is hij helder als het Kheled-zâram. Dat zegt althans het hart van Gimli de dwerg. Elfen zien de dingen wellicht anders. Voorwaar, ik heb gehoord dat voor hen de herinnering meer overeenstemt met het waakleven dan met een droom. Maar niet voor dwergen.
Maar laat ons er niet meer over praten. Pas op de boot! Hij ligt te diep in het water met al deze bagage en de Grote Rivier is snel. Ik wil mijn verdriet niet in koud water verdrinken.’ Hij nam een peddel en stuurde naar de westelijke oever, Aragorns boot volgend, die het midden van de stroom al had verlaten.
Zo aanvaardde het Genootschap zijn lange tocht over de brede snel stromende wateren, al verder naar het zuiden. Kale bossen verrezen aan beide oevers, en ze konden niets zien van de landen daarachter. De bries ging liggen en de Rivier stroomde zonder geluid. Geen vogelstem verbrak de stilte. De zon werd mistig toen de dag ten einde neeg, tot zij aan de lichte hemel glansde als een hoge witte parel. Toen ging zij in het westen onder en de schemering viel snel, gevolgd door een grijze, sterrenloze nacht. Tot ver in de donkere stille uren dreven zij verder, hun boten onder de overhuivende schaduwen van de westelijke bossen sturend. Grote bomen snelden als geesten voorbij, hun verwrongen dorstige wortels door de mist heen in het water stekend. Het was naargeestig en koud. Frodo zat naar het zachte geklots en gegorgel van de Rivier tussen de wortels en het aangespoelde hout bij de oever te luisteren, tot hij knikkebolde en in een onrustige slaap viel.
IX. De Grote Rivier
Frodo werd door Sam gewekt. Hij merkte dat hij, goed ingepakt, onder hoge grijze bomen in een rustig hoekje van het bosland op de westelijke oever van de Grote Rivier, de Anduin, lag. Hij had de hele nacht geslapen en het grijs van de ochtend was vaag tussen de kale takken. Gimli was bezig in de buurt een klein vuur aan te leggen. Ze gingen weer op weg voor de dag goed en wel was aangebroken. Niet dat het merendeel van het Gezelschap er verlangend naar was om zich naar het zuiden te spoeden: ze waren blij dat ze de beslissing die ze uiterlijk moesten nemen wanneer ze bij de Rauros en het Tindrots Eiland kwamen, nog enkele dagen konden uitstellen; en ze lieten zich door de rivier in haar eigen tempo meevoeren, niet verlangend zich naar de gevaren te spoeden die verder lagen, welke koers zij uiteindelijk ook zouden volgen.
Aragorn liet hen op de stroom meedrijven zoals ze wilden, hun krachten voor toekomstige inspanning sparend. Maar hij stond erop dat ze in elk geval iedere dag vroeg op weg zouden gaan en tot diep in de avond doorreizen; want in zijn hart voelde hij dat de tijd drong, en hij vreesde dat de Zwarte Vorst niet had stilgezeten terwijl zij in Lórien vertoefden.
Niettemin zagen ze die dag geen teken van een vijand, en ook de volgende dag niet. De saaie grijze uren gingen voorbij zonder dat er iets gebeurde. Toen de derde dag van hun reis voortschreed, veranderde het landschap enigszins; de bomen werden minder dicht en hielden toen helemaal op. Op de oostelijke oever, links van hen, zagen ze lange vormloze hellingen, die zich omhoog naar de hemel uitstrekten: ze zagen er bruin en verdord uit, alsof een vuur ze had verschroeid en geen enkel groen sprietje had overgelaten; een onvriendelijke woestijn met nog niet eens een geknakte boom of een grote steen om de ledigheid te verbreken. Ze waren bij de Bruine Landen gekomen, die uitgestrekt en verlaten, tussen het zuidelijke Demsterwold en de heuvels van de Emyn Muil lagen. Welke besmettelijke ziekte, oorlog of boze daad van de Vijand de gehele streek zo had geblakerd, wist zelfs Aragorn niet.
In het westen, aan hun rechterkant, was het land eveneens boomloos, maar het was vlak en op vele plaatsen groen met wijde grasvlakten. Aan die kant van de Rivier kwamen ze langs bossen van grote rietstengels, zo hoog dat hun het uitzicht op het westen vrijwel geheel werd benomen, terwijl de kleine bootjes ritselend langs hun wuivende randen voeren. Hun donkere verdroogde pluimen bogen en zwiepten op de lichte koude luchtstromen, zacht en droevig fluisterend. Hier en daar kon Frodo door openingen plotseling een blik van golvende weiden opvangen, en ver daarachter heuvels in het licht van de ondergaande zon, en helemaal aan de einder een donkere lijn, waar de zuidelijkste rijen van de Nevelbergen stonden.
Er was geen teken van levende, bewegende dingen, behalve vogels. Er waren er veeclass="underline" kleine vogels die in het riet floten en zongen, maar ze kwamen zelden tevoorschijn. Een paar keer hoorden de reizigers het geruis en wieken van zwanenvleugels, en toen ze opkeken zagen ze een grote falanx langs de hemel vliegen.
‘Zwanen!’ zei Sam. ‘En behoorlijke knapen ook.’
‘Ja,’ zei Aragorn, ‘en het zijn zwarte zwanen.’
‘Wat ziet heel dit land er wijd, woest en troosteloos uit!’ zei Frodo. ‘Ik heb me altijd voorgesteld dat het warmer en blijer werd hoe verder je naar het zuiden ging, totdat je de winter voor altijd achter je had.’
‘Maar we zijn nog niet ver naar het zuiden gereisd,’ antwoordde Aragorn. ‘Het is nog winter en we zijn ver van de zee. Hier is de wereld koud tot het voorjaar plotseling aanbreekt, en we kunnen nog wel weer sneeuw krijgen. Ver weg, in de Baai van Belfalas, waar de Anduin in uitstroomt, is het warm en vrolijk misschien, of zo zou het zijn als de Vijand er niet was. Maar hier zijn we, vermoed ik, nog geen honderdtachtig mijl ten zuiden van het Zuiderkwartier in jouw Gouw, honderden mijlen ver weg. Je kijkt nu in zuidwestelijke richting over de noordelijke vlakten van de Riddermark, Rohan, het land van de Paardenheren. Het zal niet lang duren voor we bij de monding van de Limlicht komen, die van Fangorn naar de Grote Rivier stroomt. Dat is de noordgrens van Rohan; en vanouds behoorde alles wat tussen de Limlicht en de Witte Bergen ligt aan de Rohirrim. Het is een rijk en prettig land, en het gras is er mooier dan waar ook, maar in deze slechte tijden wonen er geen mensen bij de Rivier en ze rijden niet vaak naar haar oevers. De Anduin is breed, maar toch kunnen de orks hun pijlen ver over de stroom heen schieten; en de laatste tijd, zegt men, hebben zij het gewaagd het water over te steken en de kudden en stoeterijen van Rohan te overvallen.’