Legolas legde zijn peddel neer en pakte de boog die hij uit Lórien had meegenomen. Toen sprong hij aan land en klom een paar stappen de oever op. Terwijl hij de boog spande, draaide hij zich om en tuurde in de duisternis over de Rivier. Van de andere kant van het water kwamen schrille kreten, maar er was niets te zien. Frodo keek op naar de elf, die hoog boven hem stond, terwijl hij in de nacht tuurde, een doel zoekend om op te schieten. Zijn hoofd was donker, met een kroon van heldere witte sterren, die in de zwarte poelen van de hemel achter hem glinsterden. Maar nu vormden zich in het zuiden grote wolken, die kwamen aandrijven en donkere uitlopers in de besterde velden zonden.
Het Gezelschap werd door een plotselinge angst overvallen.
‘Elbereth! Gilthoniel!’ zuchtte Legolas terwijl hij omhoogkeek. En terwijl hij dat deed kwam een donkere gedaante – als een wolk, maar toch geen wolk, want zij bewoog zich sneller – uit de zwartheid in het zuiden en vloog snel op het Gezelschap af, al het licht verduisterend terwijl zij naderde. Weldra doemde ze op als een gevleugeld schepsel, zwarter dan de diepten van de nacht. Aan de overzijde van het water klonken rauwe stemmen ter begroeting. Frodo voelde ineens een koude door zich heen gaan en naar zijn hart grijpen; er was een dodelijke koude, als de herinnering aan een oude wond, in zijn schouder. Hij bukte zich, alsof hij zich wilde verschuilen.
Plotseling zong de grote boog van Lórien. Gierend schoot de pijl van de elfenboog. Frodo keek op. Bijna recht boven hem zweefde de gevleugelde gedaante. Er klonk een rauwe krassende kreet toen zij neerstortte en in de duisternis van de oostelijke oever verdween.
De hemel was weer helder. Er klonk een tumult van vele stemmen en gejammer ver weg in de duisternis; toen werd het stil. Geen pijl of kreet kwam er meer uit het oosten die nacht.
Na een poos leidde Aragorn de boten weer terug stroomopwaarts. Een eind gingen ze tastend langs de rand van het water, tot ze een kleine ondiepe baai vonden. Er groeiden een paar lage bomen vlak bij het water en daarachter verrees een steile rotsachtige oever. Het Gezelschap besloot hier te blijven en de dageraad af te wachten; het was nutteloos te proberen bij nacht verder te gaan. Ze sloegen geen kamp op en maakten geen vuur, maar lagen ineengedoken in de boten, die dicht bij elkaar waren gemeerd.
‘Geprezen zij de boog van Galadriel, en de hand en de ogen van Legolas!’ zei Gimli toen hij op een koek van lembas knabbelde. ‘Dat was een machtig schot in het donker, mijn vriend.’
‘Maar wie kan zeggen wat het heeft geraakt?’ zei Legolas.
‘Ik niet,’ zei Gimli. ‘Maar ik ben blij dat de schaduw niet dichterbij kwam. Het stond me helemaal niet aan. Het deed me te veel denken aan de schaduw in Moria – de schaduw van de Balrog,’ besloot hij fluisterend.
‘Het was geen Balrog,’ zei Frodo, nog huiverend van de kilte die over hem was gekomen. ‘Het was iets kouders. Ik denk dat ’t een…’
Toen hield hij op en zweeg.
‘Wat denk je?’ vroeg Boromir happig, terwijl hij over de rand van zijn boot leunde alsof hij probeerde Frodo’s gezicht te zien.
‘Ik denk – nee, ik zeg het liever niet,’ antwoordde Frodo. ‘Wat het ook was, het heeft onze vijanden onthutst.’
‘Daar ziet het wel naar uit,’ zei Aragorn. ‘Maar waar en met hoevelen ze zijn en wat hun volgende stap zal zijn, weten we niet. Vannacht moeten we het allemaal zonder slaap stellen. De duisternis houdt ons nu verborgen. Maar wie zal zeggen wat de dag zal onthullen? Houd jullie wapens bij de hand!’
Sam zat op het gevest van zijn zwaard te kloppen alsof hij op zijn vingers aan het tellen was, en naar de hemel te kijken.
‘Het is heel vreemd,’ mompelde hij. ‘De maan is precies eender in de Gouw en in Wilderland, of dat behoorde ze te zijn. Maar ze is in de war, of ik ben helemaal de tel kwijt. U zult u herinneren, meneer Frodo, dat de maan aan het afnemen was toen we op de vlet boven in die boom lagen: een week na volle maan, schat ik. En gisternacht waren we een week op weg toen er ineens een Nieuwe Maan verscheen, zo dun als een nagelrandje, alsof we helemaal geen tijd in het elfenland hadden doorgebracht.
Welnu, ik kan me drie nachten daar met zekerheid herinneren, en ik schijn me er nog een paar meer te herinneren, maar ik zou zweren dat het niet een hele maand is geweest. Je zou denken dat de tijd daar helemaal niet telde!’
‘En misschien was dat ook wel zo,’ zei Frodo. ‘In dat land waren wij misschien in een tijd die elders allang voorbij is. Pas toen de Zilverlei ons terugbracht naar de Anduin, denk ik dat wij terugkeerden naar de tijd die door sterfelijke landen naar de Grote Zee vloeit. En ik herinner me helemaal geen maan, nieuw of oud, in Caras Galadhon; alleen sterren ’s nachts en zon overdag.’
Legolas verroerde zich in zijn boot. ‘Nee, de tijd blijft niet eeuwig dralen,’ zei hij, ‘maar verandering en groei zijn niet in alle dingen en op alle plaatsen hetzelfde. Voor de elfen beweegt de wereld, en zij beweegt zowel heel vlug als heel langzaam. Vlug, omdat zijzelf weinig veranderen, en al het andere voorbijstroomt: dat is een bron van verdriet voor hen. Langzaam, omdat ze de voorbijsnellende jaren niet tellen, niet voor zichzelf. De opeenvolgende seizoenen zijn slechts eeuwig herhaalde rimpelingen in de lange, lange stroom. Toch moeten onder de zon alle dingen ten slotte tot een einde komen.’
‘Maar in Lórien gaat dat langzaam,’ zei Frodo. ‘De macht van de Vrouwe beheerst het. Rijk zijn de uren, hoewel ze kort schijnen, in Caras Galadhon, waar Galadriel de elfenring draagt.’
‘Dat had niet gezegd mogen worden buiten Lórien, zelfs niet tegen mij,’ zei Aragorn. ‘Spreek er niet meer over! Maar zo is het, Sam: in dat land ben je de tel kwijtgeraakt. Daar trok de tijd vlug aan ons voorbij, als aan de elfen. De oude maan verdween en een nieuwe maan wies en nam af in de wereld daarbuiten, terwijl wij daar verbleven. En gisteravond verscheen er weer een nieuwe maan. De winter is bijna voorbij. De tijd stroomt voort naar een voorjaar dat weinig hoop biedt.’
De nacht ging stil voorbij. Geen stem of roep werd over het water gehoord. De reizigers, die in hun boten bij elkaar lagen, voelden de verandering in het weer. De lucht werd warm en heel stil onder de grote vochtige wolken, die uit het zuiden en de verre zeeën waren komen aandrijven. Het ruisen van de Rivier over de rotsen van de stroomversnellingen scheen luider te worden en dichterbij te komen. De twijgen van de bomen boven hen begonnen te druipen.
Toen de dag aanbrak was de sfeer van de wereld om hen heen zacht en droevig geworden. Langzaam ging de ochtendschemer over in een bleek licht, diffuus en zonder schaduwen. Er hing nevel boven de Rivier en witte mist omhulde de oever; de andere oever was onzichtbaar.
‘Ik kan niet tegen mist,’ zei Sam, ‘maar deze schijnt geluk te brengen. Nu kunnen we misschien ontkomen zonder dat die vervloekte aardmannen ons zien.’
‘Misschien,’ zei Aragorn. ‘Maar het zal moeilijk zijn om het pad te vinden als de mist later niet wat optrekt. En we moeten het pad vinden als we de Sarn Gebir voorbij willen en naar de Emyn Muil trekken.’
‘Ik zie niet in waarom we de stroomversnellingen voorbij moeten of de Rivier nog verder moeten volgen,’ zei Boromir. ‘Als de Emyn Muil voor ons liggen, kunnen we deze kleine bootjes wel verlaten, en naar het westen en zuiden gaan tot we bij de Entwas komen en mijn eigen land in trekken.’
‘Dat kunnen we, als we op Minas Tirith afgaan,’ zei Aragorn, ‘maar daar zijn we het nog niet over eens. En een dergelijke koers zou weleens gevaarlijker kunnen zijn dan het klinkt. Het dal van de Entwas is vlak en moerassig, en de mist levert daar een dodelijk gevaar op voor hen die te voet gaan en bepakt zijn. Ik zou onze boten liever niet verlaten voor het werkelijk nodig is. De Rivier is tenminste een weg waarvan men niet kan afdwalen.’