Выбрать главу

‘Maar de Vijand houdt de oostelijke oever bezet,’ wierp Boromir tegen. ‘En zelfs als je de Poorten van Argonath doorgaat en de Tindrots bereikt zonder aangevallen te worden, wat zul je dan doen? Van de waterval afspringen en in het moerasland terechtkomen?’

‘Nee!’ antwoordde Aragorn. ‘Zeg liever dat we onze boten langs de aloude weg naar de voet van de Rauros zullen dragen, en daar weer over het water verdergaan. Weet je het niet, Boromir, of wil je de Noordelijke Trap en de hoge zetel op de Amon Hen, die in de tijd van de grote koningen werden gemaakt, vergeten? Ik ben in elk geval van plan om weer op die hoge plaats te gaan staan voor ik mijn verdere koers bepaal. Daar zullen we misschien een teken zien dat ons zal leiden.’

Boromir hield zijn tegenstand tegen deze keus lang vol, maar toen het duidelijk werd dat Frodo Aragorn zou volgen, waarheen deze ook ging, gaf hij toe. ‘Het is niet de gewoonte van de mensen van Minas Tirith om hun vrienden in nood te verzaken,’ zei hij, ‘en jullie zullen mijn kracht nodig hebben als jullie de Tindrots willen bereiken. Ik zal naar het hoge eiland gaan, maar verder niet. Daar zal ik naar mijn huis terugkeren: alleen, als mijn hulp niet de beloning van enige kameraadschap heeft verdiend.’

De dag vorderde nu, en de mist was een weinig opgetrokken. Men was overeengekomen dat Aragorn en Legolas onmiddellijk langs de oever verder zouden gaan, terwijl de anderen bij de boten bleven. Aragorn hoopte een weg te vinden waarlangs zij zowel hun boten als de bagage naar het stillere water achter de Stroomversnellingen konden dragen.

‘De boten van de elfen zinken misschien niet,’ zei hij, ‘maar dat zegt nog niet dat we de Sarn Gebir zouden overleven. Niemand heeft dat tot nu toe ooit gedaan. De mensen van Gondor hebben in deze streek geen weg gemaakt, want zelfs in glorierijke dagen kwam hun rijk niet verder dan de Anduin achter de Emyn Muil; maar er is ergens op de westelijke oever een draagweg, als ik die kan vinden. Hij kan nog niet verloren zijn gegaan, want er plachten lichte boten uit Wilderland naar Osgiliath te varen, en deden dat nog tot voor enkele jaren toen de orks uit Mordor zich begonnen te vermenigvuldigen.’

‘Zelden in mijn leven is er een boot uit het noorden gekomen, en de orks loeren op de oostelijke oever,’ zei Boromir. ‘Als je verdergaat zal het gevaar met iedere mijl groter worden, zelfs al vind je een pad.’

‘Op iedere weg naar het zuiden dreigt gevaar,’ antwoordde Aragorn. ‘Wacht één dag op ons. Als we in die tijd niet terugkeren, zul je weten dat het kwaad ons inderdaad heeft overvallen. Dan moeten jullie een nieuwe leider kiezen en hem volgen zo goed je kunt.’

Het was met een bezwaard gemoed dat Frodo Aragorn en Legolas de steile oever zag beklimmen en in de mist verdwijnen, maar zijn angst bleek ongegrond. Er waren slechts enkele uren voorbijgegaan en de middag was nauwelijks aangebroken toen de schimachtige gedaanten van de onderzoekers weer verschenen.

‘Alles is in orde,’ zei Aragorn toen hij de oever afklauterde. ‘Er is een pad, en het leidt naar een goede landingsplaats die nog dienst kan doen. De afstand is niet groot; het begin van de Stroomversnellingen is maar een halve mijl verder stroomafwaarts, en ze zijn nog geen mijl lang. Niet ver daarachter wordt de stroom weer helder en glad, hoewel hij snel stroomt. Onze moeilijkste taak zal zijn om de boten en bagage naar het oude draagpad te krijgen. We hebben het gevonden, maar het ligt een behoorlijk eind van de waterkant en loopt onder de beschutting van een rotswand, een paar honderd meter of meer van de oever. We hebben niet kunnen ontdekken waar de noordelijke aanlegplaats ligt. Als hij er nog is, moeten we er gisteravond voorbijgekomen zijn. We zouden ver stroomopwaarts kunnen roeien en hem toch door de mist kunnen missen. Ik vrees dat we de Rivier nu moeten verlaten, en van hier zo goed en kwaad als het kan naar het draagpad gaan.’

‘Dat zou niet meevallen, zelfs als we allen mensen waren,’ zei Boromir.

‘We zullen het toch moeten proberen zoals we zijn,’ zei Aragorn.

‘Jazeker, dat zullen we,’ zei Gimli. ‘De benen van mensen blijven achter op een ruwe weg, terwijl een dwerg verdergaat, al is de last twee keer zijn eigen gewicht, meester Boromir!’

De taak bleek inderdaad zwaar, maar werd ten slotte toch volbracht. De goederen werden uit de boten gehaald en naar de top van de oever gebracht waar een vlakke plek was. Toen werden de boten uit het water getrokken en naar boven gedragen. Ze waren veel minder zwaar dan iemand had verwacht. Uit wat voor soort boom die in het elfenland groeide ze waren gemaakt, wist zelfs Legolas niet, maar het hout was sterk en toch opmerkelijk licht. Merijn en Pepijn konden samen hun boot met gemak naar de vlakke top dragen. Maar toch vereiste het de kracht van de twee mensen om ze op te tillen en over het terrein te dragen dat het Gezelschap nu moest oversteken. Het liep schuin van de Rivier omhoog: een ruwe woestijn van grijze kalksteenkeien met veel verborgen gaten, begroeid met onkruid en struikgewas; er waren bosjes van braamstruiken en steile valleitjes; en hier en daar modderige poelen, die werden gevoed door waterstroompjes, die van de terrassen verder in het binnenland kwamen.

Een voor een droegen Boromir en Aragorn de boten, terwijl de anderen met de bagage achter hen aan klauterden en strompelden. Ten slotte was alles overgebracht en op het draagpad gelegd. Toen gingen ze zonder verdere belemmeringen, behalve van om zich heen grijpende doornstruiken en vele gevallen stenen, gezamenlijk voorwaarts. De mist hing nog altijd in sluiers over de brokkelige rotsmuur, en aan hun linkerzijde verhulde de mist de Rivier; ze hoorden haar over de scherpe randen en stenen tanden van de Sarn Gebir bruisen en schuimen, maar konden haar niet zien. Twee keer maakten zij de tocht voordat alles veilig naar de zuidelijke landingsplaats was overgebracht.

Daar liep het draagpad, dat naar de waterkant terugkeerde, geleidelijk naar de ondiepe rand van een kleine poel. Die scheen in de rivieroever te zijn uitgehold, niet met de hand, maar door het water dat van de Sarn Gebir tegen een lage rotsachtige pier die een eind in de stroom stak, stuwde. Daarachter rees de oever steil omhoog als een grote grijze wand en zij die te voet waren konden niet verder.

De korte middag was al voorbij, en er begon een vage nevelachtige schemering te vallen. Zij zaten naast het water te luisteren naar het verwarde ruisen en gebrul van de Stroomversnellingen die in de mist verborgen waren; ze waren moe en slaperig en hun harten waren even droefgeestig als de stervende dag.

‘Daar zitten we nu en moeten nog een nacht hier blijven,’ zei Boromir. ‘We hebben slaap nodig, en zelfs als Aragorn de Poorten van Argonath bij nacht door zou willen varen, we zijn allemaal te moe – behalve, ongetwijfeld, onze sterke dwerg.’

Gimli gaf geen antwoord; hij zat te knikkebollen.

‘Laten we nu rusten zoveel wij kunnen,’ zei Aragorn. ‘Morgen moeten we weer overdag reizen. Als het weer niet opnieuw verandert en ons bedriegt, zullen we een goede kans maken om erdoor te glippen, onzichtbaar voor ogen op de oostelijke oever. Maar vannacht moeten er twee samen om beurten de wacht houden; drie uur slapen en één op wacht.’

Het ergste dat er die nacht gebeurde, was een kort buitje motregen een uur voor zonsopgang. Toen het helemaal licht was geworden gingen ze op weg. De mist begon al op te trekken. Ze bleven zo dicht mogelijk bij de westelijke oever en konden de vage contouren van de lage rotsen steeds hoger zien oprijzen; schimmige wanden die in de voortsnellende rivier stonden. Halverwege de ochtend kwamen de wolken lager te hangen en begon het zwaar te regenen. Zij trokken de dekhuiden over hun boten om te voorkomen dat ze zouden vollopen en dreven verder; voor en rondom hen was weinig te zien door de grijze neervallende gordijnen.