Выбрать главу

De regen duurde echter niet lang. Langzaam werd de hemel boven hen lichter en toen brak het wolkendek plotseling, en de gerafelde randen dreven naar het noorden de Rivier op. De nevels en mist waren verdwenen. Voor de reizigers lag een breed ravijn met grote rotsachtige wanden waar zich, op plateaus en in nauwe spleten, een paar misvormde bomen aan vastklampten. Het kanaal werd nauwer en de Rivier sneller. Nu voeren ze met een snelheid die stoppen of keren vrijwel uitsloot, wat ze ook mochten tegenkomen. Boven hen was een streep bleekblauwe hemel, rondom hen de donkere overhuifde Rivier, en voor hen, zwart, de zon buitensluitend, de heuvels aan de Emyn Muil, waarin geen opening te zien was.

Toen Frodo voor zich uit tuurde, zag hij in de verte twee grote rotsen naderen; het leken wel grote pinakels of zuilen van steen. Hoog, steil en dreigend stonden ze aan weerskanten van de stroom. Ertussenin verscheen een kleine spleet, en de Rivier joeg de boten eropaf.

‘Ziedaar de Argonath, de Pilaren van de Koningen!’ riep Aragorn.

‘We zullen ze gauw passeren. Houd de boten in één lijn en zo ver mogelijk van elkaar! En blijf in het midden van de stroom!’

Toen Frodo ernaartoe werd gevoerd, rezen de grote pilaren als torens voor hem op. Reuzen schenen het hem toe, enorme grijze gedaanten, stil maar dreigend. Toen zag hij dat ze inderdaad gevormd en bewerkt waren; ze waren door de vroegere kunstvaardigheid en macht gewrocht en nog altijd, ondanks de zonneschijn en regens van vergeten jaren, bezaten ze de machtige gelijkenis waarnaar zij waren uitgehouwen. Op grote voetstukken die hun grondvesten in het diepe water hadden, stonden twee grote koningen van steen: nog altijd met onduidelijke ogen en gerimpelde voorhoofden naar het noorden te kijken. De linkerhand van elk was met naar buiten gekeerde palm opgeheven in een waarschuwend gebaar; in elke rechterhand was een bijl; op elk hoofd stonden een verweerde helm en kroon. Zij bezaten nog grote macht en majesteit, de zwijgende bewakers van een sinds lang verdwenen koninkrijk. Ontzag en angst kwamen over Frodo en hij kromp ineen, terwijl hij de ogen sloot en niet omhoog durfde te kijken toen de boot naderde. Zelfs Boromir boog het hoofd toen de boten voorbijwarrelden, broos en kortstondig als kleine bladeren, onder de eeuwige schaduw van de schildwachten van Númenor. Zo voeren ze de donkere kloof van de Poorten binnen.

Steil rezen de verschrikkelijke rotswanden aan weerskanten tot onvermoede hoogten op. De vage hemel was ver weg. De zwarte wateren brulden en echoden, en de wind gierde over hen heen. Frodo, die op zijn knieën lag, hoorde Sam voorin mompelen en steunen: ‘Wat een oord! Wat een verschrikkelijk oord! Als ik deze boot uit kom, zal ik mijn tenen niet eens meer in een plas steken, laat staan in een rivier!’

‘Wees niet bang!’ zei een vreemde stem achter hen. Frodo draaide zich om en zag Stapper, en toch ook weer niet Stapper, want de verweerde Doler was er niet langer. In het achterschip zat Aragorn, zoon van Arathorn, trots en rechtop, de boot met behendige slagen sturend; zijn kap was achterovergeworpen en zijn donkere haar wapperde in de wind; een licht scheen in zijn ogen: een koning die uit ballingschap naar zijn eigen land terugkeerde.

‘Vrees niet!’ zei hij. ‘Lang heb ik ernaar verlangd om de beelden van Isildur en Anárion, mijn voorvaderen, te aanschouwen. Onder hun schaduw heeft Elessar, de Elfensteen-zoon van Arathorn van het Huis Valandil, Isildurs zoon, erfgenaam van Elendil, niets te vrezen.’

Toen doofde het licht in zijn ogen en hij sprak tot zichzelf: ‘Ik wilde dat Gandalf hier was! Hoe verlangt mijn hart naar Minas Anor en de muren van mijn eigen stad. Maar waarheen zal ik nu gaan?’

De kloof was lang en donker en vervuld van het geluid van de wind en ruisend water en weergalmende steen. Zij boog enigszins naar het westen af, zodat aanvankelijk alles voor hen donker was; maar weldra zag Frodo een hoge lichtspleet voor zich, die voortdurend groter werd. Hij kwam snel dichterbij en ineens schoten de boten erdoorheen, het volle heldere licht in.

De zon, die haar hoogste punt allang had bereikt, straalde aan een winderige hemel. De opgesloten wateren stroomden uit in een lang ovaal meer, het lichte Nen Hithoel, omzoomd door steile grijze heuvels, waarvan de hellingen met bomen waren begroeid, hoewel hun toppen kaal waren en koud in het zonlicht glinsterden. Aan het zuidelijke uiteinde verrezen drie pieken. De middelste stond iets meer naar voren dan de andere en los ervan; een eiland in de wateren, waar de stromende rivier bleek glinsterende armen omheen sloeg. Van ver, maar laag, kwam op de wind een brullend geluid aangewaaid als het rollen van donder op grote afstand.

‘Zie de Tol Brandir!’ zei Aragorn naar het zuiden wijzend naar de hoge piek. ‘Links staat de Amon Lhaw, en rechts is de Amon Hen, de Heuvels van het Gehoor en het Gezicht. Ten tijde van de grote koningen stonden er hoge zetels op, en werd er wacht op gehouden. Maar men zegt dat mens noch dier ooit een voet op de Tol Brandir heeft gezet. Voor de avondschemer valt, zullen wij hen bereiken. Ik hoor de oneindige stem van Rauros roepen.’

Het Gezelschap rustte nu enige tijd en liet zich op de stroom die dwars door het meer liep, naar het zuiden meedrijven. Ze aten wat, en toen namen ze hun peddels weer op en spoedden zich verder. Schaduw viel over de hellingen van de westelijke heuvels en de zon werd rond en rood. Hier en daar was al een nevelige ster te zien. De drie toppen rezen voor hen op, in de schemering vervagend. De Rauros brulde met luide stem. De nacht was al over de stromende wateren gevallen toen de reizigers ten slotte de schaduw van de heuvels bereikten.

De tiende dag van hun reis was voorbij. Wilderland lag achter hen. Ze konden niet verdergaan zonder te kiezen tussen de oostelijke en de westelijke weg. De laatste etappe van de queeste lag voor hen.

X. Het Gezelschap valt uiteen

Aragorn leidde hen naar de rechterarm van de Rivier. Hier aan de westkant, onder de schaduw van de Tol Brandir, liep een groen grasveld van de voet van de Amon Hen naar het water. Daarachter glooiden de eerste hellingen van de heuvel, begroeid met bomen, en rijen bomen stonden ook in westelijke richting langs de gebogen stranden van het meer. Er klaterde een kleine bron die het gras rondom besproeide.

‘Hier zullen we vanavond rusten,’ zei Aragorn. ‘Dit is het grasveld van Parth Galen: een mooie plek in de zomerdagen van weleer. Laat ons hopen dat het kwaad nog niet tot hier is doorgedrongen.’

Ze trokken hun boten op de groene oever en sloegen hun kamp ernaast op. Ze zetten een wacht uit, maar zagen of hoorden niets van hun vijanden. Als Gollem erin was geslaagd hen te volgen, liet hij zich horen noch zien. Niettemin begon Aragorn onrustig te worden toen de nacht verliep; hij woelde of schrok vaak wakker in zijn slaap. Heel in de vroegte stond hij op en ging bij Frodo zitten, wiens beurt het was om de wacht te houden.

‘Waarom ben je wakker?’ vroeg Frodo. ‘Het is niet jouw wacht.’

‘Dat weet ik,’ antwoordde Aragorn, ‘maar een schaduw en een dreiging zijn in mijn slaap gegroeid. Je zou er goed aan doen je zwaard te trekken.’

‘Waarom?’ vroeg Frodo. ‘Zijn er vijanden in de buurt?’

‘Laat eens kijken wat Prik vertoont,’ antwoordde Aragorn.

Daarop trok Frodo het elfenzwaard uit de schede. Tot zijn ontsteltenis glansden de randen vaag in de nacht. ‘Orks’, zei hij. ‘Niet erg dichtbij, maar toch te dichtbij, lijkt me.’

‘Daar was ik al bang voor,’ zei Aragorn. ‘Maar misschien zitten ze niet aan deze kant van de Rivier. Het licht van Prik is flauw en heeft misschien niets anders te betekenen dan dat spionnen van Mordor op de heuvels van de Amon Lhaw zwerven. Ik heb nog nooit eerder gehoord van orks op de Amon Hen. Maar wie weet wat er in deze boze tijden gebeurt, nu Minas Tirith de overgangen over de Anduin niet langer vast in handen heeft. We moeten morgen voorzichtig zijn.’

De dag brak aan met vuur en rook. Laag in het oosten waren zwarte wolkenstrepen als de rook van een zware brand. De opgaande zon bescheen ze vanonderen met bruinrode vlammen, maar weldra klom zij in een heldere hemel boven hen uit. De top van de Tol Brandir was bedekt met goud. Frodo keek naar het oosten en staarde naar het hoge eiland. De flanken rezen loodrecht uit het stromende water op. Hoog boven de hoge rotswanden waren steile hellingen waarop bomen klommen, de ene kruin boven de andere uitstekend; en daarboven waren weer grijze ontoegankelijke rotswanden, gekroond met een grote stenen spits. Vele vogels cirkelden eromheen, maar van andere levende wezens was geen teken te zien. Toen ze hadden gegeten, riep Aragorn de Reisgenoten bijeen.