‘De dag is ten slotte aangebroken,’ zei hij, ‘de dag van de keuze, die we lang hebben uitgesteld. Wat zal er nu van ons Gezelschap worden, dat zo ver in kameraadschap heeft gereisd? Zullen wij met Boromir naar het westen gaan, de oorlogen van Gondor tegemoet; of naar het oosten afslaan naar de Angst en de Schaduw; of zullen we ons bondgenootschap verbreken en her en der gaan naar ieders verkiezing? Wat we ook doen, we moeten het vlug doen. We kunnen hier niet lang blijven. Wij weten dat de Vijand op de oostelijke oever is, maar ik ben bang dat de orks misschien al aan deze kant van het water zijn.’
Er viel een lange stilte waarin niemand sprak of zich verroerde.
‘Welnu, Frodo,’ zei Aragorn ten slotte. ‘Ik vrees dat de last op jouw schouders wordt gelegd. Jij bent de Drager die door de Raad is aangewezen. Jij alleen kunt je eigen weg kiezen. Hierin kan ik je geen raad geven. Ik ben Gandalf niet, en hoewel ik heb geprobeerd zijn rol over te nemen, weet ik niet wat hij in dit uur van plan was of hoopte, zo hij een plan had. Het waarschijnlijkste is dat als hij nu hier was, de keus toch aan jou zou zijn. Dat is je lot.’
Frodo antwoordde niet meteen. Toen zei hij langzaam: ‘Ik weet dat haast geboden is, maar toch kan ik niet kiezen. De last is zwaar. Geef me nog een uur langer, dan zal ik spreken. Laat mij alleen zijn.’
Aragorn keek hem met vriendelijk medelijden aan. ‘Goed dan, Frodo, zoon van Drogo,’ zei hij. ‘Je zult een uur hebben, en je zult alleen zijn. We zullen hier een tijdje blijven. Maar dwaal niet ver weg, of buiten gehoorsafstand.’
Frodo bleef een ogenblik met gebogen hoofd zitten. Sam, die zijn meester met grote bezorgdheid had gadegeslagen, schudde zijn hoofd en mompelde: ‘Het is zo klaar als een klontje, maar het helpt niets of Sam nu zijn duit in het zakje doet.’
Even later stond Frodo op en liep weg; en Sam zag dat, terwijl de anderen zich beheersten en niet naar hem keken, de ogen van Boromir Frodo gespannen volgden tot hij tussen de bomen aan de voet van de Amon Hen verdween.
Nadat hij eerst doelloos in het bos had rondgedwaald, merkte Frodo dat zijn voeten hem de helling van de heuvel op deden gaan. Hij kwam bij een pad: de brokkelige overblijfselen van een weg uit het verre verleden. Op steile plaatsen waren stenen treden uitgehakt, maar die zaten nu vol scheuren en waren uitgesleten, en gebarsten door de wortels van bomen. Hij klom een tijdje zonder dat het hem kon schelen waar hij ging, tot hij bij een grasachtige plek kwam. Eromheen groeiden rowanbomen en in het midden lag een grote platte steen. Het kleine hooggelegen grasveld lag naar het oosten open en baadde in het vroege zonlicht. Frodo bleef staan en keek uit over de Rivier, ver beneden hem, naar de Tol Brandir en de vogels die in een grote afgrond van lucht tussen hem en het onbetreden eiland cirkelden. De stem van de Rauros was een machtig gebulder, vermengd met een zwaar kloppend gebons.
Hij ging op de steen zitten en legde zijn kin in zijn handen; hij staarde naar het oosten, maar zijn ogen zagen maar weinig. Alles wat er gebeurd was sinds Bilbo de Gouw had verlaten, ging door zijn geest, en hij dacht na over alles wat hij zich van Gandalfs woorden kon herinneren. De tijd verliep, maar hij was nog geen stap dichter bij een keus gekomen.
Plotseling schrok hij uit zijn gedachten op: hij kreeg het vreemde gevoel dat er iets achter hem was, dat onvriendelijke ogen hem begluurden. Hij sprong overeind en draaide zich om, maar het enige dat hij tot zijn verrassing zag, was Boromir, en zijn gezicht stond vriendelijk en hij glimlachte.
‘Ik maakte me zorgen om je, Frodo,’ zei hij, naar voren komend. ‘Als Aragorn gelijk heeft en er orks in de buurt zijn, behoort geen van ons alleen rond te dwalen, en jij het minst van allen; er hangt zoveel van jou af. En mijn hart is ook bezwaard. Mag ik hier blijven en een poosje met je praten, nu ik je heb gevonden? Het zou mij geruststellen. Wanneer er zovelen bijeen zijn, wordt ieder gesprek een eindeloos debat. Maar twee kunnen wellicht samen wijsheid vinden.’
‘Je bent vriendelijk,’ antwoordde Frodo, ‘maar ik denk niet dat een gesprek mij zal helpen. Want ik weet wat mij te doen staat, maar ik ben bang om het te doen, Boromir; bang!’
Boromir bleef zwijgend staan. De Rauros brulde eindeloos door. De wind fluisterde in de takken van de bomen. Frodo huiverde.
Plotseling kwam Boromir naast hem zitten. ‘Ben je er zeker van dat je niet onnodig lijdt?’ vroeg hij. ‘Ik wil je helpen. Je hebt raad nodig bij je moeilijke keus. Wil je de mijne niet aannemen?’
‘Ik denk dat ik al weet welke raad je mij zou geven, Boromir,’ zei Frodo. ‘En deze zou wijs schijnen, ware het niet dat mijn hart mij waarschuwt.’
‘Waarschuwt? Waarschuwt, waarvoor?’ vroeg Boromir scherp.
‘Voor oponthoud. Voor de weg die gemakkelijker lijkt. Voor het weigeren van de last die op mij is gelegd. En om – welnu, als het dan gezegd moet worden – niet op de kracht en waarheidslievendheid van mensen te vertrouwen.’
‘Toch heeft die kracht je lange tijd in je kleine, verre land beschermd, hoewel je het niet wist.’
‘Ik twijfel niet aan de moed van je volk. Maar de wereld is aan het veranderen. De muren van Minas Tirith mogen dan sterk zijn, ze zijn niet sterk genoeg. Als ze het niet houden, wat dan?’
‘Wij zullen dapper in de slag sneuvelen. Toch is er nog hoop op dat ze niet zullen bezwijken.’
‘Geen hoop zolang de Ring er is,’ zei Frodo.
‘Ah, de Ring,’ zei Boromir, terwijl zijn ogen oplichtten. ‘De Ring! Is het geen vreemd lot dat wij zoveel angst en twijfel moeten doorstaan omwille van zo’n klein voorwerp? Zo’n klein ding! En ik heb hem slechts één ogenblik in het Huis van Elrond gezien. Zou ik hem niet nóg eens kunnen zien?’
Frodo keek op. Zijn hart verkilde plotseling. Hij zag de vreemde glans in Boromirs ogen, maar zijn gezicht was nog goedmoedig en vriendelijk. ‘Het is het beste dat hij verborgen blijft,’ zei hij.
‘Zoals je wilt. Het kan mij niet schelen,’ zei Boromir. ‘Maar ik mag er niet eens over spreken? Want jij schijnt alleen te denken aan de macht die hij zou hebben in de handen van de Vijand; aan het kwade gebruik dat ervan kan worden gemaakt, maar niet aan het goede. De wereld is aan het veranderen, zeg je. Minas Tirith zal vallen als de Ring blijft bestaan. Maar waarom? Jazeker, als de Vijand de Ring zou bezitten. Maar waarom als wij hem hebben?’
‘Heb je de Vergadering van de Raad dan niet bijgewoond?’ vroeg Frodo. ‘Omdat wij hem niet kunnen gebruiken en hij datgene wat ermee verricht wordt ten kwade keert.’
Boromir stond op en liep ongeduldig heen en weer. ‘Dus je gaat verder,’ riep hij uit. ‘Gandalf, Elrond – al die lieden hebben je geleerd dat te zeggen. Misschien hebben ze van hun standpunt uit gelijk. Al die elfen en half-elfen en tovenaars – misschien zou het hun ondergang betekenen. Maar toch vraag ik me vaak af of ze wijs zijn en niet alleen maar bang. Maar ieder heeft zijn eigen aard. Trouwhartige mensen laten zich niet corrumperen. Wij in Minas Tirith zijn onvervaard gebleven in lange jaren van beproeving. Wij verlangen niet de macht van de tovenaarvorsten, alleen de kracht om onszelf te verdedigen; kracht voor een goede zaak. En zie! In onze nood brengt het toeval de Ring van Macht aan het licht. Het is een geschenk, zeg ik; een geschenk voor de vijanden van Mordor. Het is dwaasheid hem niet te gebruiken, de macht van de Vijand tegen hem te gebruiken. De onbevreesden, de meedogenlozen, zij alleen zullen de overwinning behalen. Wat zou een strijder in dit uur niet kunnen doen, een grote leider? Wat zou Aragorn niet kunnen doen? Of als hij weigert, waarom niet Boromir? De Ring zou mij de macht van het Bevel geven. Ik zou de vijanden uit Mordor verjagen, en alle mensen zouden zich onder mijn banier scharen!’