Boromir liep heen en weer, steeds luider sprekend. Hij scheen Frodo bijna vergeten te zijn, terwijl hij sprak over muren en wapenen en het aanwerven van manschappen; en hij stelde plannen op voor grote bondgenootschappen en glorieuze overwinningen die hij zou behalen; en hij wierp Mordor omver, en werd zelf een machtige koning, welwillend en wijs. Plotseling zweeg hij en zwaaide met zijn armen.
‘En zij zeggen ons dat we hem moeten wegwerpen!’ riep hij uit. ‘Ik zeg niet vernietig hem. Dat zou goed zijn als er redelijkerwijs enige hoop bestond om dat te doen. Maar dat is niet het geval. Het enige plan dat ons wordt voorgesteld is dat een halfling blindelings Mordor binnen moet trekken en de Vijand alle kans geven om hem zelf terug te nemen. Dwaasheid! Dat zie je toch zeker wel in, mijn vriend,’ zei hij, zich plotseling weer tot Frodo wendend. ‘Jij zegt dat je bang bent. Als dat zo is, behoren de dappersten je te verontschuldigen. Maar is het eigenlijk niet je gezonde verstand dat in opstand komt?’
‘Nee, ik ben bang,’ zei Frodo. ‘Gewoon bang. Maar ik ben blij dat ik je zo voluit heb horen spreken. Er is nu meer klaarheid in mijn geest.’
‘Dus je gaat mee naar Minas Tirith?’ riep Boromir uit. Zijn ogen straalden en hij keek verlangend.
‘Je begrijpt me verkeerd,’ zei Frodo.
‘Maar je gaat mee, voor een korte tijd tenminste?’ drong Boromir aan. ‘Mijn stad is nu niet ver weg; en vandaar is het weinig verder naar Mordor dan van hieruit. We hebben lang in de wildernis vertoefd, en je hebt nieuws nodig omtrent de bewegingen van de Vijand voor je een besluit neemt. Ga met mij mee, Frodo,’ zei hij. ‘Je hebt rust nodig voor je waagstuk, als je dan met alle geweld moet gaan.’ Hij legde zijn hand vriendelijk op de schouder van de hobbit, maar Frodo voelde dat zijn hand van onderdrukte opwinding trilde. Hij ging vlug achteruit en keek de grote man verontrust aan: bijna twee keer zo groot en vele keren sterker dan hij.
‘Waarom ben je zo onvriendelijk?’ vroeg Boromir. ‘Ik ben een trouwhartig mens, geen dief of bedrieger. Ik heb je Ring nodig, dat weet je nu; maar ik geef je mijn erewoord dat ik geen verlangen koester hem te houden. Wil je mij mijn plan dan ten minste niet laten proberen? Mij de Ring lenen?’
‘Nee! Nee!’ riep Frodo uit. ‘De Raad heeft mij bevolen hem te dragen.’
‘Het is door onze eigen dwaasheid dat de Vijand ons zal verslaan,’ riep Boromir uit. ‘Het maakt me nijdig! Dwaas! Koppige dwaas! Met open ogen de dood in gaan en onze zaak ruïneren. Als er stervelingen zijn die de Ring kunnen opeisen, dan zijn het de mensen van Númenor en niet de halflingen. Jij bent er ook maar bij toeval aan gekomen. Hij had net zo goed van mij kunnen zijn. Hij behoort van mij te zijn. Geef hem aan mij!’
Frodo gaf geen antwoord, maar deinsde achteruit tot de grote platte steen tussen hen in stond. ‘Kom, kom, vriend!’ zei Boromir op zachtere toon. ‘Waarom ontdoe je je er niet van? Waarom bevrijd je je niet van je twijfel en je angst? Je kunt mij de schuld geven als je wilt. Je kunt zeggen dat ik te sterk was en hem mij met geweld heb toegeëigend. Want ik ben te sterk voor je, halfling,’ riep hij uit, en plotseling sprong hij over de steen op Frodo af. Zijn mooie, aardige gezicht was afzichtelijk veranderd; een woedend vuur bliksemde in zijn ogen.
Frodo sprong opzij en zorgde ervoor dat de steen weer tussen hen in kwam. Hij kon maar één ding doen: bevend haalde hij de Ring en de ketting tevoorschijn en schoof hem vlug om zijn vinger, op hetzelfde ogenblik dat Boromir opnieuw op hem afsprong. De man snakte naar adem, keek een ogenblik stomverbaasd en liep toen wild in het rond, overal tussen de rotsen en de bomen zoekend.
‘Ellendige bedrieger!’ schreeuwde hij. ‘Wee als ik je te pakken krijg! Nu zie ik wat je van plan bent. Je zult de Ring naar Sauron brengen en ons allemaal verkopen. Je hebt alleen je kans afgewacht om ons in de steek te laten. Vervloekt, moge de dood en het donker al jullie halflingen halen.’ Toen bleef hij met zijn voet achter een steen haken, viel languit en bleef op zijn gezicht liggen. Een tijdje lag hij roerloos alsof zijn eigen vloek hem had getroffen; toen, plotseling, barstte hij in tranen uit.
Hij stond op en wreef met de hand over de ogen, zijn tranen afvegend. ‘Wat heb ik gezegd?’ riep hij uit. ‘Wat heb ik gedaan? Frodo! Frodo!’ riep hij. ‘Kom terug! Het was een vlaag van waanzin, maar die is nu voorbij. Kom terug!’
Er kwam geen antwoord. Frodo hoorde zijn kreten niet eens. Hij was al ver weg, blindelings het pad naar de heuveltop opspringend. Angst en smart grepen hem aan toen hij in gedachten het waanzinnige bezeten gezicht van Boromir met de brandende ogen zag.
Weldra kwam hij alleen op de top van de Amon Hen en bleef staan, naar adem snakkend. Hij zag als door een mist een brede vlakke cirkel, geplaveid met enorme tegels en omgeven door een verbrokkelend kanteel; en in het midden, op vier gebeeldhouwde zuilen, stond een hoge zetel die via een trap met vele treden kon worden bereikt. Hij beklom ze en ging op de oude stoel zitten, zich als een verdwaald kind voelend dat op de troon van bergkoningen was geklommen.
Eerst kon hij weinig zien. Hij scheen in een wereld van mist te vertoeven waar slechts schaduwen waren: hij had de Ring om. Toen trok de mist hier en daar op en hij kreeg vele visioenen: klein en helder alsof ze zich onder zijn ogen op een tafel afspeelden, maar toch ver weg. Er was geen geluid, alleen heldere levende beelden. De wereld scheen te zijn gekrompen en stil te zijn geworden. Hij zat op de Troon van het Gezicht, op de Amon Hen, de Heuvel van het Oog van de mensen van Númenor. In het oosten zag hij de uitgestrekte, nog nooit in kaart gebrachte landen, naamloze vlakten en onbetreden bossen. Hij keek naar het noorden, en de Grote Rivier lag als een lint onder hem, en de Nevelbergen leken klein en hard als gebroken tanden. Hij keek naar het westen en zag de brede weilanden van Rohan; en Orthanc, de pinakel van Isengard, als een zwarte piek. Hij keek naar het zuiden en vlak onder zijn voeten kromde de Grote Rivier zich als een omslaande golf en stortte zich over de watervallen van Rauros in een schuimende diepte; een glinsterende regenboog speelde boven de nevel. En hij zag de Ethir Anduin, de machtige delta van de Rivier, en myriaden zeevogels, die als wit stof in de zon wervelden, en onder hen een groen met zilveren zee, eindeloos rimpelend.
Maar waar hij ook keek, zag hij de tekenen van oorlog. De Nevelbergen leken krioelende mierenhopen: Orks kwamen uit duizenden holen tevoorschijn. Onder de takken van het Demsterwold woedde een strijd op leven en dood tussen elfen, mensen en wrede dieren. Het land van de Beornings stond in brand; een wolk hing over Moria; rook steeg op aan de grenzen van Lórien.
Ruiters galoppeerden over het gras van Rohan; wolven kwamen bij duizenden uit Isengard. Uit de havens van Harad zetten oorlogsschepen koers naar zee; en uit het oosten kwam een eindeloze stoet mensen: zwaardvechters, speerdragers, boogschutters op paarden, wagens van opperhoofden en volgeladen huifkarren. De hele macht van de Zwarte Vorst was in beweging. Daarna keerde hij zich weer naar het zuiden en zag Minas Tirith. Het scheen ver weg, en mooi: met witte muren, veel torens, trots en schoon op de heuvel; tussen de kantelen schitterde staal en van de torentjes wapperden vrolijk vele banieren. Hoop sprong in zijn hart op. Maar tegen Minas Tirith tekende zich nog een fort af, groter en sterker. Vandaar werd zijn blik onwillekeurig naar het oosten getrokken. Hij ging langs de ingestorte bruggen van Osgiliath, de grijnzende poorten van Minas Morgul, en de Spookbergen, en keek naar Gorgoroth, de vallei van verschrikking in het land Mordor. Duisternis lag daar onder de zon. Vuur gloeide te midden van de rook. De Doemberg spuwde vuur en een grote stank steeg op. Toen, ten slotte, werd zijn blik vastgehouden: muur na muur, kanteel na kanteel, zwart, onmetelijk sterk, berg van ijzer, poort van staal, toren van adamant, zag hij het: de Barad-dûr, het Fort van Sauron. Hij verloor alle hoop.