Выбрать главу

En plotseling voelde hij het Oog. Er was een oog in de Donkere Toren, dat niet sliep. Hij wist dat het zijn blik gewaar was geworden. Er was daar een felle begerige wil. Die sprong op hem af; hij kon hem bijna voelen als een vinger die hem zocht. Weldra zou die precies vaststellen waar hij was. Hij roerde de Amon Lhaw aan. Hij wierp een blik op de Tol Brandir – hij liet zich van zijn zetel vallen, kruipend, zijn hoofd met zijn grijze kap bedekkend.

Hij hoorde zichzelf uitroepen: Nooit, nooit! Of was het Jazeker, ik kom – ik kom naar je toe? Hij wist het niet. Toen, als een flits van een ander machtig punt, kwam er nog een gedachte bij hem op: Doe hem af! Doe hem af! Doe de Ring af!

De twee machten streden in hem. Een ogenblik, volmaakt in evenwicht tussen hun doorborende punten, kronkelde hij, gekweld. Plotseling was hij zich weer van zichzelf bewust. Frodo, de Stem noch het Oog, vrij om te kiezen, maar met nog maar één ogenblik om het te doen. Hij nam de Ring van zijn vinger. Hij knielde in helder zonlicht voor de hoge zetel. Een zwarte schaduw scheen als een arm over hem heen te gaan; ze miste de Amon Hen, zocht tastend naar het westen, en vervaagde. Toen werd de hele hemel weer helder en blauw en vogels zongen in iedere boom.

Frodo stond op. Een grote moeheid overviel hem, maar zijn wil was onwrikbaar en zijn hart lichter. Hij sprak hardop bij zichzelf: ‘Ik zal nu doen wat ik moet doen,’ zei hij. ‘Dit is in elk geval duidelijk: het kwaad van de Ring is al werkzaam, zelfs in het Gezelschap, en de Ring moet hen verlaten voor hij nog meer kwaad aanricht. Ik zal alleen gaan. Sommigen kan ik niet vertrouwen, en degenen die ik wel vertrouw zijn mij te dierbaar: die arme ouwe Sam, en Merijn en Pepijn. En ook Stapper; zijn hart verlangt naar Minas Tirith, en hij zal daar nodig zijn nu Boromir tot kwaad is vervallen. Ik zal alleen gaan. Meteen.’

Hij ging vlug het pad af en kwam terug op het grasveld waar Boromir hem had aangetroffen. Toen bleef hij staan om te luisteren. Hij meende dat hij kreten en geroep uit de bossen bij de oever beneden kon horen.

‘Ze zullen mij aan het zoeken zijn,’ zei hij. ‘Ik vraag me af hoelang ik weg ben geweest. Uren, denk ik.’ Hij aarzelde. ‘Wat moet ik doen?’ mompelde hij. ‘Als ik nu niet ga, zal ik nooit gaan. Ik zal niet nog eens de kans krijgen. Ik vind het erg om hen te verlaten, en dan zo zonder enige verklaring. Maar ik weet zeker dat ze het zullen begrijpen. Sam in ieder geval. En wat kan ik anders doen?’

Langzaam haalde hij de Ring opnieuw tevoorschijn en deed hem weer om zijn vinger. Hij verdween en ging de heuvel af, met minder gerucht dan het geritsel van de wind.

De anderen bleven lang bij de rivieroever. Een tijdje hadden zij gezwegen en rusteloos heen en weer gelopen; maar nu zaten ze in een kring te praten. Nu en dan probeerden ze over andere dingen te spreken, over hun lange weg en vele avonturen; ze stelden Aragorn vragen over het rijk van Gondor en zijn oude geschiedenis, en de overblijfselen van de grote werken die er nog in dit vreemde grensgebied van de Emyn Muil te zien waren; de stenen koningen en de zetels Lhaw en Hen, en de grote Trap naast de Waterval van Rauros. Maar telkens weer dwaalden hun gedachten en woorden af naar Frodo en de Ring. Wat zou Frodo besluiten? Waarom aarzelde hij?

‘Hij overlegt, denk ik, welke gedragslijn de wanhopigste is,’ zei Aragorn. ‘En niet ten onrechte. Het is nu hopelozer dan ooit voor de Reisgenoten om naar het oosten te gaan, nu Gollem ons heeft gevolgd, en we moeten vrezen dat het geheim van onze reis al is verraden. Maar Minas Tirith is niet dichter bij het Vuur en de Vernietiging van de Last.

We zullen daar misschien een tijdje blijven en dapper stand houden; maar Heer Denethor en al zijn manschappen kunnen niet verwachten dat ze zullen bereiken wat zelfs Elrond voor onmogelijk verklaarde: óf de Last geheim te houden, óf de volle macht van de Vijand af te weren wanneer hij komt om haar te veroveren. Welke uitweg zou iemand van ons in Frodo’s plaats kiezen? Ik weet het niet. Nu missen wij Gandalf waarlijk het allermeest.’

‘Ons verlies is smartelijk,’ zei Legolas. ‘Toch moeten wij ons besluit nemen zonder zijn hulp. Waarom kunnen wij geen besluit nemen, en Frodo op die manier helpen? Laten we hem terugroepen en dan stemmen! Ik zou voor Minas Tirith stemmen.’

‘En ik ook,’ zei Gimli. ‘Wij zijn natuurlijk alleen maar gestuurd om de Drager op zijn weg te helpen, en hoeven niet verder te gaan dan wij willen; en geen van ons is onder ede of bevel om de Doemberg te vinden. Moeilijk was mijn afscheid van Lothlórien. Toch ben ik zover meegegaan, en ik zeg dit: nu we voor onze laatste keus staan, is het mij duidelijk dat ik Frodo niet kan verlaten. Ik zou Minas Tirith kiezen, maar als hij dat niet doet, zal ik hem volgen.’

‘En ik zal ook met hem meegaan,’ zei Legolas. ‘Het zou trouweloos zijn, hem nu vaarwel te zeggen.’

‘Het zou inderdaad verraad zijn als we hem allemaal in de steek lieten,’ zei Aragorn. ‘Maar als hij oostwaarts gaat, behoeven niet allen met hem mee te gaan; en ik geloof ook niet dat allen dat zouden moeten doen. Die onderneming is hopeloos; evenzeer voor acht als voor drie, of twee, of één alleen. Als je mij zou laten kiezen, zou ik drie metgezellen aanwijzen: Sam, die het anders niet zou kunnen verdragen; Gimli en ikzelf. Boromir zal naar zijn eigen stad terugkeren, waar zijn vader en zijn volk hem nodig hebben; de anderen moeten met hem meegaan, of in elk geval Meriadoc en Peregrijn, als Legolas ons niet wil verlaten.’

‘Daar komt niets van in!’ riep Merijn uit. ‘Wij kunnen Frodo niet in de steek laten! Pepijn en ik zijn altijd van plan geweest overal te gaan waar hij ging, en dat zijn we nog. Maar we beseften niet wat het zou betekenen. Het scheen heel anders zo ver weg, in de Gouw of in Rivendel. Het zou gekkenwerk en wreed zijn om Frodo naar Mordor te laten gaan. Waarom kunnen we hem niet tegenhouden?’

‘We moeten hem tegenhouden,’ zei Pepijn. ‘En daar maakt hij zich ongetwijfeld zorgen over. Hij weet dat we het er niet mee eens zullen zijn dat hij naar het oosten gaat. En hij vindt het niet prettig om iemand te vragen met hem mee te gaan, de arme kerel. Stel je voor; in je eentje naar Mordor gaan!’ Pepijn huiverde. ‘Maar de brave dwaze ouwe hobbit, hij moet toch weten dat hij het niet hoeft te vragen. Hij behoorde toch weten dat we hem niet in de steek zullen laten als we hem niet kunnen tegenhouden.’

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Sam. ‘Ik geloof dat u mijn meester niet helemaal begrijpt. Hij aarzelt niet welke weg hij moet gaan. Natuurlijk niet! Wat heeft Minas Tirith nou voor nut? Voor hem bedoel ik, verexcuseer, meester Boromir,’ voegde hij eraan toe en draaide zich om. Pas op dat ogenblik ontdekten ze dat Boromir, die eerst zwijgend aan de buitenkant van de kring had gezeten, er niet meer was.

‘Waar is hij nou heen gegaan?’ riep Sam verontrust uit. ‘Als je ’t mij vraagt heeft-ie de laatste tijd nogal vreemd gedaan. Maar in ieder geval is dit niet zijn zaak. Hij is op weg naar huis, zoals hij altijd al heeft gezegd, en ik neem het hem niet kwalijk. Maar meneer Frodo, die weet dat hij de Doemspleten moet vinden als hij kan. Maar hij is bang. Nu het zover is, is hij eenvoudig doodsbang. Daar zit hem de kneep. Natuurlijk heeft hij een beetje oefening gehad, zogezegd – dat hebben we trouwens allemaal – sinds we van huis zijn gegaan; anders zou-ie zo bang zijn dat-ie de Ring eenvoudig in de Rivier zou gooien en de benen zou nemen. Maar hij is nog te bang om op weg te gaan. En hij maakt zich ook geen zorgen om ons: of we al dan niet met hem meegaan. Hij weet dat we dat van plan zijn. En dat zit hem ook dwars. Als-ie zichzelf opjut om te gaan, zal-ie alleen willen gaan. Wat ik je brom! We zullen wat te stellen krijgen als hij terugkomt. Want hij zal zich opjutten, zo zeker als zijn naam Balings is.’