Hij rende naar de kampeerplaats, trok zijn zak uit de stapel waar Frodo die had neergelegd toen hij de spullen van zijn metgezellen uit de boot had gehaald, pakte een extra deken en wat extra pakken met eten en rende terug.
‘Dus mijn hele plan is in de war gestuurd,’ zei Frodo. ‘Het heeft geen zin te proberen aan jou te ontsnappen. Maar ik ben blij, Sam. Ik kan je niet zeggen hoe blij ik ben. Kom mee! Het is duidelijk dat we voorbestemd zijn om samen te gaan. We zullen gaan, en ik hoop dat de anderen een veiliger weg zullen vinden. Stapper zal op hen passen. Ik denk niet dat we hen terug zullen zien.’
‘Je kunt nooit weten, meneer Frodo. Je kunt nooit weten,’ zei Sam.
Zo vertrokken Frodo en Sam samen voor het laatste deel van de Queeste. Frodo peddelde van de oever weg, en de Rivier voerde hen snel mee, de westelijke arm af, en langs de dreigende klippen van de Tol Brandir. Het gebrul van de grote watervallen kwam dichterbij. Zelfs met de hulp die Sam kon geven, was het een zwaar karwei om de stroom ten zuiden van het eiland over te steken en de boot oostwaarts naar de andere oever te wenden.
Ten slotte gingen ze weer aan land op de zuidelijke hellingen van de Amon Lhaw. Daar vonden zij een vlak stuk oever en trokken de boot uit het water en verborgen haar zo goed mogelijk achter een groot rotsblok. Toen, hun pakken op de schouders nemend, gingen ze op weg, een pad zoekend dat hen over de grijze heuvels van de Emyn Muil zou voeren, en verder omlaag het Land van Schaduw in.
Derde boek
I. Het heengaan van Boromir
Aragorn repte zich de heuvel op. Nu en dan boog hij zich naar de grond. Hobbits lopen licht en hun voetafdrukken zijn zelfs voor een Doler moeilijk te onderscheiden, maar niet ver van de top kruiste een bron het pad, en in de natte aarde zag hij wat hij z ocht. ‘Er is geen twijfel aan,’ zei hij bij zichzelf. ‘Frodo is naar de top van de heuvel gelopen. Ik vraag me af wat hij daar heeft gezien. Maar hij is dezelfde weg teruggegaan en de heuvel weer afgedaald.’
Aragorn aarzelde. Hij wilde zelf naar de hoge zetel gaan, in de hoop dat hij daar iets zou zien dat hem in zijn verwarring enig houvast zou geven, maar de tijd drong. Plotseling sprong hij naar voren en rende naar de top, over de grote platte stenen, en toen de treden op. In de hoge zetel zittend keek hij om zich heen. Maar de zon scheen verduisterd, en de wereld vaag en ver weg. Hij draaide zich van het noorden af en weer terug naar het noorden, maar zag niets anders dan de verre heuvels, behalve dat hij heel in de verte weer een grote vogel als een adelaar hoog in de lucht kon zien, die langzaam in wijde kringen naar de aarde neerdaalde.
Terwijl hij keek, vingen zijn scherpe oren geluiden in het bosland beneden op, aan de westzijde van de Rivier. Hij verstijfde. Er klonken kreten en ertussendoor kon hij, tot zijn ontzetting, de rauwe stemmen van orks horen. Toen, plotseling, schetterde met diep keelgeluid een grote hoorn, en de galm ervan sloeg tegen de heuvels en weerkaatste in de laagten en steeg als een machtige kreet boven het gebulder van de watervallen uit.
‘De hoorn van Boromir!’ riep hij. ‘Hij verkeert in nood!’ Hij snelde de treden af en verdween met grote sprongen over het pad. ‘Helaas! Rampspoed achtervolgt me vandaag, en alles wat ik doe gaat mis. Waar is Sam?’
Terwijl hij rende werden de kreten luider, maar de hoorn klonk nu zachter en wanhopig. Fel en schril steeg het gegil van de orks op, en plotseling hield het hoorngeschal op. Aragorn rende de laatste helling af, maar voordat hij de voet van de heuvel kon bereiken, waren de geluiden weggestorven; en toen hij linksaf sloeg en op hen afstormde, trokken ze zich terug tot hij hen ten slotte niet meer kon horen. Hij trok zijn blinkende zwaard en onder het geroep van Elendil! Elendil! rende hij tussen de bomen door.
Ongeveer een mijl van Parth Galen, op een kleine open plek in het bos niet ver van het meer, trof hij Boromir aan. Hij zat met zijn rug tegen een grote boom aan, alsof hij rustte. Maar Aragorn zag dat hij door vele zwartgevederde pijlen was doorboord; hij had zijn zwaard nog in de hand, maar het was bij het gevest afgebroken; zijn hoorn lag in twee stukken aan zijn zijde. Vele orks lagen dood op en over elkaar om hem heen en aan zijn voeten.
Aragorn knielde naast hem neer. Boromir opende de ogen en probeerde te spreken. Ten slotte kwamen er trage woorden. ‘Ik heb geprobeerd de Ring van Frodo af te nemen,’ zei hij. ‘Het spijt me. Ik heb ervoor geboet.’ Zijn blik dwaalde naar zijn gevallen vijanden; er lagen er minstens twintig. ‘Ze zijn weg, de halflingen – de orks hebben hen meegenomen. Ik denk niet dat ze dood zijn. Orks hebben hen gebonden.’ Hij zweeg en zijn ogen vielen moe dicht. Na een ogenblik sprak hij weer.
‘Vaarwel, Aragorn! Ga naar Minas Tirith en red mijn volk! Ik heb gefaald.’
‘Nee!’ zei Aragorn, terwijl hij zijn hand nam en hem op het voorhoofd kuste. ‘Je hebt overwonnen. Weinigen hebben een dergelijke overwinning behaald. Vrede zij met je! Minas Tirith zal niet vallen!’ Boromir glimlachte.
‘Welke kant zijn ze uitgegaan? Was Frodo erbij?’ vroeg Aragorn. Maar Boromir sprak niet meer.
‘Helaas!’ zei Aragorn. ‘Aldus sterft de erfgenaam van Denethor, Heer van de Toren van Waakzaamheid! Dit is een bitter einde. Nu is het Gezelschap helemaal uiteengevallen. Ik ben degene die heeft gefaald. Zinloos was Gandalfs vertrouwen in mij. Wat moet ik nu doen? Boromir heeft mij opgedragen naar Minas Tirith te gaan, en mijn hart verlangt ernaar; maar waar zijn de Ring en de Drager? Hoe zal ik hen vinden en de Queeste voor rampspoed behoeden?’
Hij knielde enige tijd, door tranen voorovergebogen, nog steeds Boromirs hand vasthoudend. Zo troffen Legolas en Gimli hem aan. Zij kwamen van de westelijke hellingen van de heuvel, geluidloos tussen de bomen door sluipend, alsof ze op jacht waren. Gimli had zijn bijl in de hand en Legolas zijn lange mes: al zijn pijlen waren verbruikt. Toen ze bij de open plek kwamen, hielden ze verbaasd halt en bleven toen even met het hoofd van verdriet gebogen staan, want het leek hun duidelijk wat er was gebeurd.
‘Helaas!’ zei Legolas, terwijl hij naast Aragorn kwam staan. ‘Wij hebben in de bossen vele orks opgejaagd en gedood, maar we zouden hier van meer nut zijn geweest. Wij zijn gekomen toen we de hoorn hoorden – maar te laat, blijkt het. Ik vrees dat je dodelijk gewond bent.’
‘Boromir is dood,’ zei Aragorn. ‘Ik ben ongedeerd, want ik was niet bij hem. Hij viel terwijl hij de hobbits verdedigde, toen ik weg was op de heuvel.’
‘De hobbits!’ riep Gimli uit. ‘Waar zijn ze dan? Waar is Frodo?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Aragorn droef. ‘Voor hij stierf vertelde Boromir mij dat de orks hen hadden vastgebonden; hij dacht niet dat ze dood waren. Ik heb hem achter Merijn en Pepijn aan gestuurd, maar ik heb hem niet gevraagd of Frodo of Sam bij hem waren; pas toen het te laat was. Alles wat ik vandaag heb gedaan is mislukt. Wat moeten we nu doen?’
‘Eerst moeten wij de gevallene verzorgen,’ zei Legolas. ‘We kunnen hem niet als aas tussen deze smerige orks laten liggen.’
‘Maar we moeten vlug zijn,’ zei Gimli. ‘Hij zou niet willen dat we talmden. We moeten de orks volgen, als er hoop is dat nog iemand van het Gezelschap zich levend in hun handen bevindt.’
‘Maar we weten niet of de Drager van de Ring bij hen is of niet,’ zei Aragorn. ‘Moeten wij hem in de steek laten? Moeten wij hem niet eerst zoeken? Een kwade keuze ligt nu voor ons!’
‘Laten we dan eerst doen wat we moeten doen,’ zei Legolas. ‘We hebben de tijd en ook de werktuigen niet om onze kameraad een passende begrafenis te geven, of om een grafheuvel over hem op te werpen. Wij zouden stenen kunnen opstapelen.’
‘Het werk zou hard en lang zijn: de dichtstbijzijnde stenen die we zouden kunnen gebruiken liggen bij de waterkant,’ zei Gimli.
‘Laten we hem dan met zijn wapens, en de wapens van zijn verslagen vijanden in een boot leggen,’ zei Aragorn. ‘We zullen hem naar de Watervallen van de Rauros zenden en hem aan de Anduin toevertrouwen. De Rivier van Gondor zal er in elk geval voor zorgen dat geen boosaardig schepsel zijn gebeente onteert.’