Выбрать главу

Snel onderzochten zij de lichamen van de orks en legden hun zwaarden en gekliefde helmen en schilden op een hoop. ‘Kijk eens!’ riep Aragorn uit. ‘Hier zijn bewijzen!’ Uit de stapel meedogenloze wapenen haalde hij twee messen tevoorschijn, met bladvormige bladen, waar in goud en rood figuren op stonden, en toen hij verder zocht vond hij ook de scheden, zwart, met kleine rode juwelen bezet. ‘Dit zijn geen orkwapens!’ zei hij. ‘Deze hadden de hobbits bij zich. Ongetwijfeld hebben de orks hen geplunderd, maar zijn ze bang geweest om de messen te houden, wetende wat ze zijn: het werk van Westernisse, omwikkeld met formules tegen de Vloek van Mordor. Welnu, als ze nog in leven zijn, hebben onze vrienden geen wapens. Ik zal deze dingen meenemen, hoewel er weinig hoop is ze terug te kunnen geven.’

‘En ik,’ zei Legolas, ‘zal alle pijlen nemen die ik kan vinden, want mijn koker is leeg.’ Hij zocht in de stapel en op de grond eromheen en vond er heel wat die onbeschadigd waren en die een langere schacht hadden dan de pijlen die de orks gewoonlijk gebruikten. Hij bekeek ze aandachtig.

Aragorn keek naar de gevallenen en hij zei: ‘Hier liggen er velen die niet in Mordor thuishoren. Sommigen komen uit het Noorden, uit de Nevelbergen, als ik iets van orks en hun soort af weet. Maar er zijn ook anderen die mij vreemd zijn. Hun uitrusting is helemaal niet die van orks!’

Er waren vier aardmansoldaten van grotere gestalte, donker met scheefstaande ogen, dikke benen en grote handen. Ze waren gewapend met korte, brede zwaarden, niet met de kromme sabels die orks gewoonlijk hebben, en ze hadden bogen van taxushout, van dezelfde lengte en vorm als de bogen van mensen. Op hun schilden stond een vreemde afbeelding: een kleine witte hand in het midden van een zwart schild; voor op hun ijzeren helmen stond een S-rune, gesmeed van een soort wit metaal.

‘Ik heb deze tekens nooit eerder gezien,’ zei Aragorn. ‘Wat betekenen ze?’

‘S staat voor Sauron,’ zei Gimli, ‘dat is gemakkelijk te zien.’

‘Nee,’ zei Legolas. ‘Sauron gebruikt geen elfrunen.’

‘En ook gebruikt hij zijn eigen naam niet, en staat ook niet toe dat die wordt gespeld of uitgesproken,’ zei Aragorn. ‘En hij gebruikt geen wit. De orks die in dienst zijn van Barad-dûr, gebruiken het teken van het Rode Oog.’ Hij bleef een ogenblik in gedachten staan. ‘S staat vermoedelijk voor Saruman,’ zei hij ten slotte. ‘Er is iets niet pluis in Isengard, en het Westen is niet langer veilig. Het is zoals Gandalf vreesde: op de een of andere manier is de verrader Saruman iets over onze reis te weten gekomen. Het is ook waarschijnlijk dat hij van Gandalfs val weet. Misschien zijn achtervolgers uit Moria aan de waakzaamheid van Lórien ontsnapt, of misschien hebben zij dat land gemeden en zijn via andere wegen naar Isengard gegaan. Orks reizen snel. Maar Saruman heeft vele manieren om aan nieuws te komen. Herinner je je de vogels nog?’

‘Welnu, we hebben geen tijd om over raadsels na te denken,’ zei Gimli. ‘Laat ons Boromir hiervandaan dragen.’

‘Maar daarna moeten we de raadsels oplossen, als we onze koers op de juiste manier willen bepalen,’ zei Aragorn.

‘Misschien is er geen juiste manier,’ zei Gimli.

Met zijn bijl hakte de dwerg enkele takken. Deze bonden ze met boogpezen aan elkaar en spreidden hun mantels over het geraamte uit. Op deze geïmproviseerde baar droegen zij het lichaam van hun metgezel naar de oever, tezamen met de trofeeën van zijn laatste slag die ze uitkozen om hem te vergezellen. Het was maar een klein eindje, maar toch vonden ze het geen gemakkelijke taak, want Boromir was niet alleen een grote, maar ook een sterke man geweest.

Bij de waterkant bleef Aragorn naar de baar staan kijken, terwijl Legolas en Gimli zich te voet naar Parth Galen terugspoedden. Het was een mijl of meer nog en het duurde enige tijd voor ze terugkwamen, twee boten vlug langs de oever peddelend.

‘Wij hebben een vreemd verhaal te vertellen!’ zei Legolas. ‘Er zijn maar twee boten op de oever. Van de andere was geen spoor te bekennen.’

‘Zijn daar orks geweest?’ vroeg Aragorn.

‘Wij zagen niets dat daarop wijst,’ antwoordde Gimli. ‘En orks zouden alle boten meegenomen of vernietigd hebben, en ook de bagage.’

‘Ik zal de grond bekijken wanneer we daar komen,’ zei Aragorn.

Nu legden ze Boromir midden in de boot die hem zou wegvoeren. De grijze kap en elfenmantel vouwden ze op en legden die onder zijn hoofd. Ze kamden zijn lange donkere haar en schikten het over zijn schouders. De gouden gordel van Lórien glansde om zijn middel. Zijn helm zetten ze naast hem neer, en over zijn schoot legden zij de in tweeën gekliefde hoorn, het gevest en stukken van zijn zwaard; aan zijn voeten legden ze de zwaarden van zijn vijanden. Nadat ze de voorsteven aan de achtersteven van de andere boot hadden vastgemaakt, trokken zij hem het water in. Ze roeiden terneergeslagen langs de oever, en nadat ze de snelstromende geul in waren gevaren, kwamen ze voorbij het groene grasveld van Parth Galen. De steile hellingen van de Tol Brandir gloeiden: de middag was nu half om. Toen ze zuidwaarts gingen, steeg de damp van de Rauros op en schitterde voor hen: een nevel van goud. Het ruisen en donderend geweld van de waterval deden de windstille lucht trillen.

Bedroefd gooiden zij de begrafenisboot los: daar lag Boromir, rustig, vredig, over de boezem van het stromende water glijdend. De stroom voerde hem mee terwijl zij hun eigen boot met hun peddels tegenhielden. Hij dreef langs hen heen en langzaam voer zijn boot weg, kleiner wordend tot hij als een donkere stip tegen het gouden licht afstak. Toen plotseling verdween hij. De Rauros brulde onveranderlijk verder. De Rivier had Boromir, zoon van Denethor, tot zich genomen, en in Minas Tirith zag men hem nooit weer, staande, zoals hij placht te staan, op de Witte Toren in de morgen. Maar in Gondor vertelde men in latere tijden nog lang dat de elfenboot over de waterval en door de schuimende poel was gevaren en hem naar Osgiliath had gevoerd, en langs de vele mondingen van de Anduin, naar de Grote Zee, bij nacht onder de sterren.

Een tijdlang staarden de drie metgezellen hem zwijgend na. Toen sprak Aragorn. ‘Men zal op de Witte Toren naar hem uitkijken,’ zei hij, ‘maar hij zal niet van de bergen of van de zee terugkeren.’ Toen begon hij langzaam te zingen:

Door Rohan over moer en veld, waar gras hoog groeit Komt Westenwind gevlogen, die om de muren stoeit. ‘Welk nieuws uit ’t westen, zwerver wind, brengt gij vannacht mij aan? Zaagt gij Boromir de Grote soms bij licht van ster of maan?’ ‘Ik zag hem rijden over zeven stromen, wateren grijs en breed, En lopen door het lege land, tot hij als schim vergleed In schaduwen van ’t noorden. Toen was hij uit ’t zicht. De Noordenwind hoorde de hoorn van Denethors zoon wellicht.’ ‘O Boromir! Van hoge muur in ’t westen hield ik wacht, Uit ’t lege onbevolkte land heb ’k u vergeefs verwacht.’

Toen zong Legolas:

Van zeegrens haast zich Zuidenwind, van strand en duinen voort; Hij draagt de kreet van meeuwen aan en kreunt dan voor de poort. ‘Welk nieuws uit ’t zuiden, voert gij wind, nu zuchtend tot mijn hart? Waar is de schone Boromir? Hij komt niet, tot mijn smart.’ ‘Vraag mij niet waar hij nu nog toeft – de beend’ren liggen hoog Op stranden zwart en stranden wit, onder de hemelboog. Zovelen voerde d’ Anduin naar zee die eeuwig schuurt. Vraag Noordenwind om nieuws van hen die Noordenwind mij stuurt!’ ‘O Boromir! Voorbij de poort loopt zuidwaarts weg naar zee, Maar jij kwam niet met meeuwen van de grijze zeegrens mee.’

Toen zong Aragorn weer:

Van Koningspoort stroomt de Noordenwind voorbij de watervaclass="underline" En klaar en kil klinkt om de toren luid zijn hoorngeschal. ‘Welk nieuws uit ’t noorden, machtige wind, brengt gij vandaag hierheen? Welk nieuws van Dappere Boromir, want hij ging lang geleen.’ ‘Onder de Amon Hen hoorde ik zijn kreet. Daar leverde hij slag. Zijn halve schild, gebroken zwaard men naar het water bracht. Men legde hem, zo schoon, zo trots, te rusten als een vorst En Rauros, gouden waterval, koesterde hem aan zijn borst.’ ‘O Boromir! De wachttoren kijkt altijd noordwaarts uit Naar Rauros, gouden waterval, tot der dagen besluit.’