‘We hebben sommigen van hen die we achtervolgen al ingehaald,’ zei hij. ‘Kijk!’ Hij wees, en ze zagen dat wat ze eerst voor keien aan de voet van de helling hadden gehouden, in elkaar gedoken lichamen waren. Er lagen vijf dode orks. Ze waren met vele w rede houwen afgemaakt, en twee waren onthoofd. De grond was doordrenkt van hun donkere bloed.
‘Hier is nog een raadsel,’ zei Gimli. ‘Maar het vereist het daglicht, en daarop kunnen wij niet wachten.’
‘Maar hoe je het ook uitlegt, het lijkt wat hoop te geven,’ zei Legolas. ‘Vijanden van de orks zijn waarschijnlijk onze vrienden. Woont er iemand in deze heuvels?’
‘Nee,’ zei Aragorn. ‘De Rohirrim komen hier zelden, en het is ver van Minas Tirith. Het zou kunnen dat een groep mensen hier heeft gejaagd om redenen die wij niet kennen. Maar ik denk van niet.’
‘Wat denk jij dan?’ vroeg Gimli.
‘Ik denk dat de vijand zijn eigen vijand heeft meegebracht,’ zei Aragorn. ‘Dit zijn noordelijke orks, die van ver weg komen. Onder de gesneuvelden zijn geen van de grote orks met de vreemde insignes. Ik vermoed dat er ruzie is geweest; dat is niet ongewoon bij deze verdorven lieden. Misschien was er een twist over de weg.’
‘Of over de gevangenen,’ zei Gimli. ‘Laat ons hopen dat ze hier ook niet hun einde hebben gevonden.’
Aragorn onderzocht het terrein in een wijde cirkel, maar er waren geen andere sporen van het gevecht te bekennen. Ze gingen verder. In het oosten begon het al te dagen; de sterren vervaagden, en een grijs licht werd geleidelijk sterker. Een eindje verder naar het noorden kwamen ze bij een geul waarin een kleine stroom, klaterend en slingerend, een rotsachtig pad in het dal had uitgeschuurd. Er groeiden enkele bosjes in, en er waren plekken gras op de hellingen. ‘Eindelijk!’ zei Aragorn. ‘Hier zijn de sporen die we zoeken! Dit waterkanaal langs; dat is de weg die de orks na hun ruzie hebben gevolgd.’
De achtervolgers keerden nu snel om en volgden het nieuwe pad. Alsof ze door nachtrust waren verkwikt sprongen zij van steen tot steen. Ten slotte bereikten ze de top van de grijze heuvel en een plotselinge bries blies door hun haar en deed hun mantels opwaaien: de kille wind van de dageraad.
Toen ze zich omkeerden zagen ze aan de overkant van de Rivier de verre heuvels oplichten. De dag besprong de hemel. De rode rand van de zon rees boven de ruggen van het donkere land. Voor hen, in het westen, was de wereld stil, vormloos en grijs, maar terwijl ze stonden te kijken, smolten de schaduwen van de nacht en de ontwakende aarde herkreeg haar kleuren; groen vloeide over de wijde weilanden van Rohan; de witte nevels trilden in de waterdalen ver weg; links, negentig mijl of verder stonden, blauw en purper, de Witte Bergen, oprijzend met gitzwarte pieken, waarop toppen schitterende sneeuw, blozend in het morgenrood.
‘Gondor! Gondor!’ riep Aragorn uit. ‘Ik wou dat ik u weerzag in een gelukkiger uur! Nog leidt mijn weg niet zuidwaarts naar uw heldere stromen!
Laat ons nu gaan!’ zei hij, terwijl hij zijn blik van het Zuiden afwendde, en naar het westen en noorden keek, naar de weg die hij moest gaan.
De bergrug waarop de Reisgenoten stonden, liep voor hun voeten steil omlaag. Daaronder, twintig vadem of meer, was een brede, oneffen, uitstekende richel, die plotseling op de rand van een steile klip eindigde: de Oostelijke Muur van Rohan. Zo eindigde de Emyn Muil, en de groene vlakten van de Rohirrim strekten zich ver voor hen tot achter de horizon uit.
‘Kijk!’ riep Legolas, terwijl hij naar de bleke hemel boven hen wees. ‘Daar is die adelaar weer. Hij is heel hoog. Hij schijnt nu weg te vliegen, van dit land terug naar het Noorden. Hij vliegt met grote snelheid. Kijk!’
‘Nee, zelfs mijn ogen kunnen hem niet zien, waarde Legolas,’ zei Aragorn. ‘Hij moet inderdaad heel hoog zijn. Ik vraag me af waar hij naartoe gaat, als het dezelfde vogel is die ik eerder heb gezien. Maar kijk! Ik zie dichterbij iets dat belangrijker is: er beweegt zich een ding over de vlakte!’
‘Verscheidene dingen,’ zei Legolas. ‘Het is een groot gezelschap te voet, maar meer kan ik niet zeggen en ik kan ook niet zien wat voor lieden het zijn. Ze zijn vele mijlen ver weg – zesendertig, denk ik – maar door de uitgestrektheid van de vlakte is het moeilijk te schatten.’
‘Ik denk niettemin dat wij niet langer een spoor nodig hebben om ons de weg te wijzen,’ zei Gimli. ‘Laten we zo vlug mogelijk een pad naar de velden zien te vinden.’
‘Ik betwijfel of je een pad zult vinden dat sneller is dan de orks hebben gekozen,’ zei Aragorn.
Ze volgden hun vijanden nu bij klaar daglicht. Het scheen dat de orks zo vlug mogelijk wilden opschieten. Nu en dan vonden de achtervolgers voorwerpen die ze hadden laten vallen of hadden weggegooid: etenszakken, de randen en korsten van hard grijs brood, een gescheurde zwarte mantel, een zware, met spijkers beslagen schoen die op de stenen was gescheurd. Het spoor leidde hen noordwaarts langs de top van de binnenglooiing, en ten slotte kwamen ze bij een diepe kloof die in de rotsen was uitgeschuurd door een stroom die luidruchtig naar beneden kletterde. In het smalle ravijn liep een ruw pad, als een steile trap, naar de vlakte af.
Aan het einde ervan kwamen zij plotseling op het gras van Rohan. Het golfde als een groene zee tot vlak aan de voet van de Emyn Muil. De neervallende stroom verdween in een dichte vegetatie van kroos en waterplanten, en zij konden hem in groene tunnels horen klateren, langs lange zacht glooiende hellingen naar de moerassen van de Entwasvallei in de verte. Ze schenen de winter in de heuvels te hebben achtergelaten. Hier was de lucht zoeler en warmer, en flauw geurend, alsof de lente zich al aankondigde en het sap weer stroomde in kruid en blad. Legolas haalde diep adem, als iemand die met een grote teug drinkt na lang dorst te hebben geleden op droge plaatsen.
‘Ha, de groene geur!’ zei hij. ‘Dat is beter dan veel slaap. Laten we opschieten.’
‘Lichte voeten kunnen hier snel lopen,’ zei Aragorn. ‘Vlugger misschien dan met ijzer geschoeide orks. Nu hebben we kans om op hen in te lopen!’
Ze liepen achter elkaar, rennend als honden die een vers spoor volgen, en in hun ogen scheen een verlangend licht. Bijna pal naar het westen trok het brede zwad van de marcherende orks zijn lelijke spoor, het lieflijke gras van Rohan was geknakt en geb lakerd waar zij voorbij waren getrokken. Weldra slaakte Aragorn een kreet en ging van de weg af. ‘Blijf daar!’ riep hij. ‘Volg me nog niet!’ Hij rende vlug naar rechts, weg van het hoofdspoor, want hij had voetafdrukken in die richting zien lopen, die van de andere afbogen: de afdrukken van kleine, ongeschoeide voeten. Het duurde echter niet lang of die werden gekruist door orksporen, die ook van het hoofdspoor kwamen, erachter en ervoor, en toen weer scherp terugbogen en in de veelheid van afdrukken verloren gingen. Op het verste punt boog Aragorn zich voorover en pakte iets uit het gras op; toen snelde hij weer terug.
‘Ja,’ zei hij, ‘ze zijn heel duidelijk: de voetsporen van een hobbit. Die van Pepijn, denk ik. Hij is kleiner dan de andere. En kijk hier eens!’ Hij hield iets omhoog, dat in het zonlicht schitterde. Het zag eruit als het pas ontvouwde blad van een beu k, mooi en vreemd in die boomloze vlakte.
‘De broche van een elfenmantel!’ riepen Legolas en Gimli tegelijk uit. ‘Niet voor niets vallen de bladeren van Lórien,’ zei Aragorn. ‘Deze is niet bij toeval gevallen: hij is weggegooid als een teken voor mogelijke achtervolgers. Ik denk dat Pepijn met die bedoeling van de weg is afgeweken.’