Выбрать главу

‘Dan was hij in elk geval in leven,’ zei Gimli. ‘En hij was in staat zijn hersens te gebruiken, en zijn benen ook. Dat is bemoedigend. We achtervolgen dus niet voor niets.’

‘Laten we hopen dat hij niet te zwaar voor zijn stoutmoedigheid heeft moeten boeten,’ zei Legolas. ‘Kom! Laten we verdergaan! De gedachte aan die vrolijke jongelui, die als vee worden voortgedreven, doet mijn hart pijn.’

De zon klom naar haar hoogste stand en daalde toen langzaam langs de hemel. Lichte wolken kwamen vanuit de zee in het verre Zuiden aan drijven en werden door de bries weggeblazen. De zon ging onder. Er rezen schaduwen op die hun lange armen van het oosten uitstrekten. Nog steeds zetten de jagers hun achtervolging voort. Er was nu een dag verlopen sinds Boromir was gedood, en de orks waren hun nog ver vooruit. Er was ook niets meer van hen te zien op de open vlakten.

Toen de nachtschaduw rondom hen viel, hield Aragorn stil. Slechts twee keer hadden ze tijdens de dagmars een korte poos gerust, en zesendertig mijlen lagen nu tussen hen en de oostelijke wand waar ze bij het aanbreken van de dag hadden gestaan.

‘We moeten nu eindelijk een moeilijke keus maken,’ zei hij. ‘Zullen we vannacht rusten, of zullen we verdergaan zolang wij de wil en de kracht ertoe hebben?’

‘Tenzij onze vijanden ook rusten, zullen ze ons ver achter zich laten, als we hier blijven slapen,’ zei Legolas.

‘Maar zelfs orks zullen toch hun mars wel eens moeten onderbreken?’ zei Gimli.

‘Orks reizen zelden in het open veld onder de zon, maar toch hebben deze het gedaan,’ zei Legolas. ‘Ze zullen zeker niet bij nacht rusten.’

‘Maar als wij ’s nachts lopen, kunnen we hun spoor niet volgen,’ zei Gimli.

‘Het spoor is recht en slaat rechts- noch linksaf, zover mijn ogen kunnen zien,’ zei Legolas.

‘Misschien zou ik jullie in de duisternis op de gok verder kunnen leiden en het spoor aanhouden,’ zei Aragorn, ‘maar als we zouden verdwalen, of zij af zouden slaan, zou het als het dag werd wel eens lang kunnen duren voor we het spoor terugvonden.’

‘En dan dit nog,’ zei Gimli, ‘alleen overdag kunnen we zien of er sporen van het pad afwijken. Als een gevangene zou ontsnappen, of als iemand zou worden weggevoerd, naar het oosten, bijvoorbeeld naar de Grote Rivier, naar Mordor, zouden we zonder het te weten de aanwijzingen voorbij kunnen lopen.’

‘Dat is waar,’ zei Aragorn. ‘Maar als ik de aanwijzingen daarginds goed begrepen heb, hebben de orks van de Witte Hand gewonnen en is de hele troep nu op weg naar Isengard. Hun huidige koers bewijst het.’

‘Toch zou het overhaast zijn om helemaal op hen af te gaan,’ zei Gimli. ‘En wat als er iemand ontsnapt? In het donker zouden we zeker de sporen voorbijgelopen zijn, die jou naar de broche hebben geleid.’

‘Sindsdien zullen de orks wel twee keer zo goed op hun hoede zijn, en de gevangenen nog moedelozer,’ zei Legolas. ‘Er zal geen tweede ontsnapping zijn als wij die niet op touw zetten. Ik heb er geen flauw idee van hoe we dat moeten doen, maar eerst moeten we hen inhalen.’

‘Maar zelfs ik, een dwerg die vele reizen heeft gemaakt, en niet de minst geharde van mijn volk, kan niet de hele weg naar Isengard afleggen zonder rustpauze,’ zei Gimli. ‘Ook mijn hart doet pijn en ik zou graag eerder op weg zijn gegaan, maar nu moet ik even rusten om des te beter te kunnen lopen. En als we dan toch rusten, dan is de blinde nacht er de geschiktste tijd voor.’

‘Ik zei dat we voor een moeilijke keuze waren gesteld,’ zei Aragorn. ‘Hoe kunnen we dit gesprek beëindigen?’

‘Jij bent onze gids,’ zei Gimli, ‘en jij bent bedreven in de achtervolging. Jij moet kiezen.’

‘Mijn hart zegt mij verder te gaan,’ zei Legolas. ‘Maar we moeten eensgezind blijven. Ik zal jouw raad opvolgen.’

‘Je laat de keus over aan iemand die een slechte kiezer is,’ zei Aragorn. ‘Sinds wij door de Argonath zijn getrokken, heb ik steeds verkeerd gekozen.’ Hij zweeg en bleef lange tijd naar het noorden en westen in de duisterende nacht staan staren.

‘We zullen niet bij donker lopen,’ zei hij ten slotte. ‘Het gevaar om het spoor of aanwijzingen te missen schijnt mij groter toe. Als de maan genoeg licht zou geven zouden we er gebruik van maken, maar helaas, zij gaat vroeg onder en is nog nieuw en zwak.’

‘En vannacht is ze in ieder geval versluierd,’ mompelde Gimli. ‘Ik wou dat de Vrouwe ons een licht had gegeven, zoals zij aan Frodo gaf!’

‘Hij die het gekregen heeft, zal het harder nodig hebben,’ zei Aragorn. ‘De ware Queeste berust bij hem. Die van ons is maar een onbelangrijke aangelegenheid in de grote daden van deze tijd. Een vergeefse achtervolging van het begin af aan wellicht, die geen enkele beslissing van mij kan veranderen of verbeteren. Welnu, ik heb gekozen. Laten we de tijd dus zo goed mogelijk gebruiken!’

Hij ging liggen en viel onmiddellijk in slaap, want hij had sinds hun nacht onder de schaduw van de Tol Brandir niet geslapen. Voor de dageraad aan de hemel verscheen, werd hij wakker en stond op. Gimli lag nog in een diepe sluimer verzonken, maar Legolas stond in de duisternis naar het noorden te turen, aandachtig en stil als een jonge boom in een windstille nacht.

‘Ze zijn heel, heel ver weg,’ zei hij droevig tot Aragorn. ‘Ik weet in mijn hart dat ze vannacht niet gerust hebben. Alleen een adelaar zou hen nu nog kunnen inhalen.’

‘Niettemin zullen we hen zo goed mogelijk blijven volgen,’ zei Aragorn. Hij boog zich voorover en wekte de dwerg. ‘Kom, we moeten gaan,’ zei hij. ‘Het spoor begint koud te worden.’

‘Maar het is nog donker,’ zei Gimli. ‘Legolas op een heuveltop zou hen zelfs niet kunnen zien voor de zon is opgekomen.’

‘Ik vrees dat zij nu buiten het bereik van mijn blik zijn, vanaf heuvel of vlakte, onder maan of zon,’ zei Legolas.

‘Waar het zicht ontoereikend is, kan de aarde ons misschien iets vertellen,’ zei Aragorn. ‘Het land zal wel kreunen onder hun gehate voeten.’ Hij strekte zich op de grond uit, met zijn oor tegen het gras aan gedrukt. Hij bleef daar zo lang bewegingloos liggen, dat Gimli zich afvroeg of hij bezwijmd was of weer in slaap gevallen. De dageraad brak glinsterend aan, en langzaam nam het grijze licht om hen heen in sterkte toe. Ten slotte stond hij op, en nu konden zijn vrienden zijn gezicht zien: het was bleek en strak, en zijn blik was bezorgd.

‘Het gerucht van de aarde is vaag en verward,’ zei hij. ‘Vele mijlen rondom ons loopt er niets op. Vaag en ver zijn de voeten van onze vijanden. Maar luid zijn de hoeven van de paarden. Ik herinner me dat ik ze hoorde toen ik op de grond lag te slapen en ze verontrustten mijn dromen: galopperende paarden, die in het westen voorbijreden. Maar nu verwijderen ze zich steeds verder van ons in noordelijke richting. Ik vraag me af wat er in dit land aan de hand is!’

‘Laat ons gaan!’ zei Legolas.

Zo begon de derde dag van hun achtervolging. Gedurende alle lange uren van wolken en veranderlijke zon rustten ze nauwelijks, nu stappend, dan weer rennend, alsof geen moeheid het vuur dat in hen brandde kon doven. Ze spraken zelden. Ze gingen over de wijde eenzame vlakte en hun elfenmantels vervaagden tegen de achtergrond van de grijsgroene velden; zelfs in het koele zonlicht van de middag zouden slechts weinig ogen, behalve die van elfen, hen hebben opgemerkt, tenzij ze dichtbij waren. Vaak dankten zij in hun hart de Vrouwe van Lórien voor de lembas die zij hun had geschonken, want ze konden ervan eten en nieuwe kracht opdoen, zelfs terwijl ze hardliepen.

De hele dag liep het spoor van hun vijanden recht vooruit, zonder onderbreking of bocht. Toen de dag weer ten einde liep, kwamen ze bij lange boomloze hellingen, waar het land zich glooiend naar een rij lage, gebochelde heuvels voor hen uit verhief. Het orkspoor werd vager toen het noordwaarts naar hen toe boog, want de grond werd harder en het gras korter. Ver naar links slingerde zich de rivier de Entwas, een zilveren draad in een groene vloer. Er was geen bewegend wezen te zien. Aragorn verbaasde zich er vaak over dat zij dier noch mens zagen. De woningen van de Rohirrim waren voornamelijk vele mijlen ver naar het Zuiden, onder de beboste randen van de Witte Bergen, die nu in mist en wolken waren gehuld; toch hadden de Paardenheren vroeger vele kudden en stoeterijen in de Oost-Emnet gehouden, de oostelijke streek van hun rijk, en daar hadden de herders veel rondgezworven, in kampementen en tenten levend, ook in de wintertijd. Maar nu was heel het land leeg, en er heerste een stilte die niet op de stilte van vrede leek.