Er heerste stilte in de verlaten velden en Gimli kon de lucht in het gras horen bewegen.
‘Ruiters!’ riep Aragorn, terwijl hij opsprong. ‘Vele ruiters op snelle paarden komen naar ons toe!’
‘Ja,’ zei Legolas, ‘het zijn er honderdvijf. Geel is hun haar, en glanzend hun speren. Hun leider is heel lang.’
Aragorn glimlachte. ‘De elfen hebben scherpe ogen,’ zei hij.
‘Nee. De ruiters zijn niet meer dan vijftien mijl van ons vandaan,’ zei Legolas.
‘Of het nu vijftien mijl is, of één,’ zei Gimli, ‘wij kunnen niet aan hen ontkomen in dit kale land. Zullen we hen opwachten of op weg gaan?’
‘We zullen wachten,’ zei Aragorn. ‘Ik ben moe en onze achtervolging is mislukt. Of anderen zijn ons voor geweest; want deze ruiters rijden langs het orkspoor terug. Misschien krijgen wij nieuws van hen.’
‘Of speren,’ zei Gimli.
‘Er zijn drie lege zadels, maar ik zie geen hobbits,’ zei Legolas.
‘Ik zei niet dat we goed nieuws te horen zouden krijgen,’ zei Aragorn. ‘Maar, slecht of goed, we zullen het hier afwachten.’
De drie metgezellen verlieten nu de heuveltop, waar ze tegen de bleke lucht een gemakkelijk doelwit zouden zijn, en liepen langzaam de noordelijke helling af. Een eindje boven de voet van de heuvel bleven ze staan, en nadat ze hun mantels om zich heen hadden geslagen, bleven zij dicht naast elkaar op het verpieterde gras zitten. De tijd verliep langzaam en moeizaam. De wind was schraal en scherp. Gimli was onrustig.
‘Wat weet je van deze ruiters af, Aragorn?’ vroeg hij. ‘Zitten we hier op een plotselinge dood te wachten?’
‘Ik heb onder hen verkeerd,’ antwoordde Aragorn. ‘Ze zijn eigenzinnig en trots, maar oprecht, en edelmoedig in hun doen en denken; stoutmoedig, maar niet wreed; wijs, maar niet geleerd; ze schrijven geen boeken, maar zingen veel liederen, zoals de kinderen van mensen deden voor de Donkere Jaren. Maar ik weet niet wat er hier de laatste tijd is gebeurd en ook niet wat de gevoelens van de Rohirrim zullen zijn nu ze tussen de verrader Saruman en de dreiging van Sauron in zitten. Ze zijn lang met het volk van Gondor bevriend geweest, hoewel ze niet aan hen verwant zijn. Het was in de vergeten jaren, lang geleden, dat Eorl de Jonge hen uit het Noorden hierheen bracht, en ze zijn eerder verwant aan de Bardings van Dal en de Beornings van het Woud, onder wie men nog altijd vele lange blonde mannen kan aantreffen, zoals de Ruiters van Rohan. In elk geval zullen ze niet erg op orks gesteld zijn.’
‘Maar Gandalf zei dat het gerucht ging dat ze schatting aan Mordor betalen,’ zei Gimli.
‘Ik geloof dat evenmin als Boromir,’ antwoordde Aragorn. ‘Jullie zullen de waarheid weldra vernemen. Ze komen al nader.’
Eindelijk kon zelfs Gimli het verre stampen van galopperende hoeven horen. De ruiters, die het spoor volgden, hadden zich van de rivier afgewend en naderden de heuvels. Ze reden snel als de wind.
Nu schalden de kreten van heldere, krachtige stemmen over de velden. Plotseling kwamen ze met een donderend lawaai aanrijden, en de voorste ruiter zwenkte om de voet van de heuvel heen en leidde het heir in zuidelijke richting terug langs de westelijke randen van de heuvels. Ze reden achter hem aan: een lange rij van in maliën gestoken mannen, snel, glanzend, woest, maar knap om te zien.
Hun paarden waren groot, sterk en met welgevormde ledematen; hun grijze vachten glansden, hun lange staarten wapperden in de wind, hun manen hingen in tressen van hun trotse nekken. De mensen die ze bereden pasten er goed bij; groot en met lange ledematen; hun haar, vlasblond, golfde onder hun lichte helmen en wapperde in lange tressen achter hen aan; hun gezichten waren streng en vurig. In hun handen hielden zij lange speren van essenhout, beschilderde schilden hingen op hun rug, lange zwaarden staken in hun gordels, hun glanzende hemden van maliën hingen tot op de knieën.
In paren galoppeerden ze voorbij, en hoewel er af en toe een in de stijgbeugels ging staan en naar beide kanten vooruitkeek, schenen ze de drie vreemdelingen die hen zwijgend gadesloegen niet op te merken. De troep was bijna voorbij toen Aragorn plotseling opstond en met luide stem uitriep:
‘Wat voor nieuws is er van het Noorden, Ruiters van Rohan?’
Verbazingwekkend snel en behendig toomden ze hun paarden in, keerden om en kwamen terugdraven. Weldra waren de drie metgezellen ingesloten door ruiters, die in een steeds nauwer wordende kring bleven ronddraaien, de heuvel achter hen op en af rijdend. Aragorn bleef zwijgend staan, en de twee anderen bleven roerloos zitten, zich afvragend wat er zou gebeuren.
Zonder een woord of uitroep bleven de Ruiters plotseling staan. Een bos speren werd plotseling naar de vreemdelingen uitgestoken en een paar ruiters hadden bogen in de hand, en hun pijlen stonden al op de pees. Toen reed er een naar voren: een rijzige man, rijziger dan de rest; op zijn helm wapperde een witte paardenstaart, bij wijze van pluim. Hij kwam naar voren tot de punt van zijn speer nauwelijks dertig centimeter van Aragorns borst verwijderd was. Aragorn verroerde zich niet.
‘Wie ben je en wat doe je in dit land?’ vroeg de Ruiter, die zich van de Gemeenschappelijke Taal van het Westen bediende, en wiens stem en toon op die van Boromir, de mens uit Gondor, leken.
‘Ik word Stapper genoemd,’ antwoordde Aragorn. ‘Ik ben uit het Noorden gekomen. Ik maak jacht op orks.’
De Ruiter sprong van zijn paard. Nadat hij zijn speer aan een ander had gegeven, die was komen aanrijden en naast hem afsteeg, trok hij zijn zwaard en ging recht tegenover Aragorn staan, hem scherp, en niet zonder verbazing opnemend. Ten slotte sprak hij weer.
‘Eerst dacht ik dat jullie zelf orks waren,’ zei hij. ‘Maar nu zie ik dat dat niet zo is. Jullie weten werkelijk weinig van orks af als jullie ze op deze manier achtervolgen. Ze waren snel en goed bewapend, en er waren er velen. Jullie zouden van jagers tot prooi zijn geworden als jullie hen ooit hadden ingehaald. Maar er is iets vreemds aan u, Stapper.’ Hij richtte zijn heldere schitterende ogen weer op de Doler. ‘Het is geen naam voor een mens die u noemt. En uw kleding is ook vreemd. Bent u uit het gras ontsproten? Hoe bent u aan onze blik ontsnapt? Zijn jullie soms elfen?’
‘Nee,’ zei Aragorn. ‘Slechts één van ons is een elf, Legolas, uit het Bosrijk in het verre Demsterwold. Maar wij zijn door Lothlórien getrokken, en de gaven en de gunst van de Vrouwe vergezellen ons.’
De Ruiter keek hen met hernieuwde verbazing aan, maar zijn blik werd harder. ‘Dan is er dus een Vrouwe in het Gouden Woud, zoals in de oude verhalen wordt verteld!’ zei hij. ‘Weinigen ontsnappen aan haar netten, zegt men. Dit zijn vreemde tijden! Maar als jullie bij haar in de gunst staan, dan zijn jullie misschien ook nettenwevers en tovenaars.’ Hij richtte plotseling een koude blik op Legolas en Gimli. ‘Waarom spreken jullie niet, zwijgers?’ vroeg hij.
Gimli stond op en zette zijn benen wijd uiteen; zijn hand greep de steel van zijn bijl, en zijn donkere ogen schoten vuur. ‘Noem mij uw naam, paardenmeester, en ik zal u de mijne vertellen, en nog meer ook,’ zei hij.
‘Wat dat betreft,’ zei de Ruiter, op de dwerg neerkijkend, ‘behoort de vreemdeling het eerst zijn naam te noemen. Maar ik ben Éomer, zoon van Éomund, en word de Derde Maarschalk van de Riddermark genoemd.’
‘Welnu, Éomer, zoon van Éomund, Derde Maarschalk van de Riddermark, laat Gimli de dwerg, zoon van Glóin, u waarschuwen voor dwaze woorden. U spreekt kwaad van wat ver buiten het bereik van uw gedachten ligt, en slechts een klein verstand kan u verontschuldigen.’
Éomers ogen bliksemden en de mannen van Rohan mompelden boos en kwamen dichter om hem heen staan, hun speren vooruitstekend. ‘Ik zou uw hoofd met baard en al afsnijden, meester dwerg, als het wat hoger van de grond was,’ zei Éomer.
‘Hij staat niet alleen,’ zei Legolas, terwijl hij zijn boog spande en er een pijl opzette met handen die zich zo vlug bewogen, dat het oog ze niet kon volgen. ‘U zou sterven voor uw slag doel trof.’
Éomer hief zijn zwaard op en de zaak zou slecht hebben kunnen aflopen, als Aragorn niet tussen hen in was gesprongen en zijn hand had opgeheven. ‘Genade, Éomer!’ riep hij. ‘Wanneer u meer weet, zult u begrijpen waarom u mijn metgezellen boos hebt gemaakt. Wij hebben geen kwaad in de zin tegen Rohan, noch tegen zijn bewoners, man of paard. Wilt u ons verhaal niet aanhoren voordat u toeslaat?’