‘Dat wil ik wel,’ zei Éomer, terwijl hij zijn zwaard liet zakken. ‘Maar zwervers in de Riddermark doen er verstandig aan minder hooghartig te zijn in deze tijden van onzekerheid. Zeg me eerst uw ware naam.’
‘Vertel mij eerst wie u dient,’ zei Aragorn. ‘Bent u een vriend of vijand van Sauron, de Zwarte Heer van Mordor?’
‘Ik dien alleen de Heer van de Mark, Théoden, de koning, zoon van Thengel,’ antwoordde Éomer. ‘Wij dienen niet de Macht van het Zwarte Land, ver weg, maar wij zijn ook nog niet in open oorlog met hem; en als jullie voor hem op de vlucht zijn, doen jullie er beter aan dit land te verlaten. Er zijn moeilijkheden aan al onze grenzen, en wij worden bedreigd, maar wij verlangen alleen vrij te zijn, en te leven zoals we geleefd hebben, te houden wat van ons is en geen vreemde heerser te dienen, goed of kwaad. In betere tijden heetten wij gasten vriendelijk welkom, maar in deze tijden vindt de ongenode vreemdeling ons heetgebakerd en hard. Kom! Wie bent u? En wie dient u ? Op wiens bevel jaagt u op orks in ons land?’
‘Ik dien niemand,’ zei Aragorn, ‘maar de dienaren van Sauron achtervolg ik overal waar ze heen gaan. Er zijn weinig sterfelijke mensen die meer van orks af weten, en ik jaag ze niet voor mijn plezier op deze manier na. De orks die wij achternazitten, hebben twee van mijn vrienden gevangengenomen. In een dergelijke nood gaat iemand die geen paard heeft te voet, en hij vraagt geen verlof om het spoor te mogen volgen. Evenmin telt hij de hoofden van de vijand, behalve met een zwaard. Ik ben niet ongewapend.’
Aragorn sloeg zijn mantel terug. De elfenschede schitterde toen hij haar greep en het glanzende staal van Andúril gloeide als een plotselinge vlam, toen hij het met een ruk tevoorschijn trok. ‘Elendil!’ riep hij uit. ‘Ik ben Aragorn, zoon van Arathorn en word Elessar, de Elfensteen, Dúnadan, de erfgenaam van Isildur, Elendils zoon van Gondor genoemd. Hier is het Zwaard dat werd gebroken, en opnieuw is gesmeed! Wilt u mij helpen of tegenwerken? Neem vlug uw besluit!’
Gimli en Legolas keken hun metgezel verbaasd aan, want zij hadden hem nog nooit eerder in deze stemming gezien. Hij scheen groter te zijn geworden, terwijl Éomer was gekrompen en op zijn levendige gezicht zagen zij heel even een visioen van de macht en majesteit van de koningen van steen. Een ogenblik scheen het Legolas toe dat een witte vlam op Aragorns voorhoofd straalde als een glanzende kroon.
Éomer ging achteruit met een blik van ontzag op zijn gezicht. Hij sloeg zijn trotse ogen neer. ‘Voorwaar, dit zijn vreemde tijden,’ mompelde hij. ‘Dromen en legenden springen levend uit het gras op. Zeg mij, heer,’ zei hij, ‘wat voert u hier? En wat was de betekenis van die duistere woorden? Lang geleden is het sinds Boromir, zoon van Denethor, een antwoord is gaan zoeken, maar het paard dat wij hem leenden kwam zonder berijder terug. Welke doem brengt u uit het Noorden mee?’
‘De doem van de keuze,’ zei Aragorn. ‘Dit mag u tegen Théoden, zoon van Thengel, zeggen: open oorlog wacht hem, met Sauron of tegen hem. Niemand kan nu nog leven zoals hij heeft geleefd, en weinigen zullen behouden wat zij het hunne noemen. Maar over deze belangrijke zaken zullen wij later spreken. Als het toeval het wil zal ik zelf naar de koning toe gaan. Nu verkeer ik in grote nood, en ik vraag om hulp, of in ieder geval om nieuws. U hebt gehoord dat wij een troep orks achtervolgen, die onze vrienden hebben weggevoerd. Wat kunt u ons vertellen?’
‘Dat u ze niet verder hoeft na te jagen,’ zei Éomer. ‘De orks zijn vernietigd.’
‘En onze vrienden?’
‘We hebben alleen maar orks aangetroffen.’
‘Maar dat is werkelijk vreemd,’ zei Aragorn. ‘Hebt u de gevallenen onderzocht? Waren er geen andere lichamen dan die van de orks? Ze zouden klein zijn, in uw ogen kinderen slechts, ongeschoeid maar in het grijs gekleed.’
‘Er waren dwergen noch kinderen,’ zei Éomer. ‘We hebben alle gevallenen geteld en geplunderd, en de lijken daarna op een hoop gegooid en verbrand, zoals onze gewoonte is. De as smeult nog.’
‘We hebben het niet over dwergen of kinderen,’ zei Gimli. ‘Onze vrienden waren hobbits.’
‘Hobbits?’ vroeg Éomer. ‘En wat zijn dat dan wel? Het is een vreemde naam.’
‘Een vreemde naam voor een vreemd volk,’ zei Gimli. ‘Maar zij waren ons bijzonder dierbaar. Het schijnt dat u in Rohan gehoord hebt van de woorden die Minas Tirith verontrustten. Zij gewaagden van de halfling. Deze hobbits zijn halflingen.’
‘Halflingen!’ riep de Ruiter die naast Éomer stond lachend uit. ‘Halflingen! Maar dat is slechts een klein volkje uit oude liederen en kinderverhalen uit het Noorden. Lopen wij rond in legenden of op de groene aarde in het daglicht?’
‘Een mens kan beide doen,’ zei Aragorn. ‘Want niet wij, maar zij die na ons komen zullen de legenden van onze tijd maken. De groene aarde, zegt u? Dat is een machtig stuk legende, hoewel u er in het daglicht over loopt.’
‘De tijd dringt,’ zei de Ruiter, geen aandacht aan Aragorn schenkend. ‘We moeten ons naar het zuiden spoeden, heer. Laat ons deze wilde lieden aan hun fantasieën overlaten. Of laten wij hen vastbinden en naar de koning brengen.’
‘Stil, Éothain,’ zei Éomer in zijn eigen taal. ‘Laat mij even alleen. Zeg de éored dat ze zich op het pad verzamelen en zich gereedmaken om naar de Entwas te rijden.’
Morrend trok Éothain zich terug, en sprak met de anderen. Weldra gingen zij weg en lieten Éomer alleen met de drie metgezellen achter.
‘Alles wat u zegt is vreemd, Aragorn,’ zei hij. ‘Toch spreekt u de waarheid, dat is duidelijk: de mensen uit de Mark liegen niet, en daarom worden ze niet gemakkelijk bedrogen. Maar u hebt niet alles verteld. Wilt u niet wat uitvoeriger over uw doel spreken, zodat ik kan oordelen wat me te doen staat?’
‘Ik ben vele weken geleden uit Imladris, zoals het in het rijm wordt genoemd, vertrokken,’ antwoordde Aragorn. ‘Met mij ging Boromir uit Minas Tirith. Mijn doel was met de zoon van Denethor naar die stad te gaan om zijn volk in zijn oorlog tegen Sauron bij te staan. Maar het Gezelschap waarmee ik reisde had andere besognes. Daarover kan ik nu niets zeggen. Gandalf de Grijze was onze leider.’
‘Gandalf!’ riep Éomer uit. ‘Gandalf Grijsmantel is in de Mark bekend; maar zijn naam, let wel, is niet langer een wachtwoord voor de gunst van de koning. Hij is vele keren in het land te gast geweest, sinds mensenheugenis, uit eigen verkiezing komend, na een seizoen, of na vele jaren. Hij is altijd de voorbode van vreemde gebeurtenissen; een brenger van kwaad, zoals sommigen nu beweren. Het klopt dat sinds zijn laatste bezoek in de zomer alles is misgelopen. Toentertijd begonnen onze moeilijkheden met Saruman. Tot dat tijdstip hadden we Saruman als onze vriend beschouwd, maar toen kwam Gandalf en waarschuwde ons dat er in Isengard een verrassingsoorlog werd voorbereid. Hij zei dat hij zelf in Orthanc gevangen was gehouden en ternauwernood was ontsnapt, en hij smeekte om hulp. Maar Théoden wilde niet naar hem luisteren, en hij vertrok. Spreek niet hardop Gandalfs naam in Théodens oren! Hij is vergramd. Want Gandalf nam het paard dat Schaduwvacht wordt genoemd, het kostbaarste van alle rossen van de koning, hoofd van de Mearas die alleen de Heer van de Mark mag berijden. Want de stamvader van hun soort was het grote paard van Eorl dat de taal van de mensen kende. Zeven nachten geleden is Schaduwvacht teruggekomen; maar de toorn van de koning is er niet minder om, want het paard is wild geworden en wil zich door niemand laten aanraken.’
‘Dan heeft Schaduwvacht helemaal alleen de verre weg van het Noorden gevonden,’ zei Aragorn, ‘want daar gingen Gandalf en hij uiteen. Maar helaas! Gandalf zal niet meer rijden. Hij is in de duisternis van de Mijnen van Moria neergestort en keert niet weer.’