‘Dat zijn droeve berichten,’ zei Éomer. ‘In ieder geval voor mij en vele anderen, hoewel niet voor allen zoals u zult merken als u bij de koning komt.’
‘Het is droeviger nieuws dan iemand in dit land kan begrijpen, hoewel het hen voor het jaar veel verder is wel eens pijnlijk zou kunnen treffen,’ zei Aragorn. ‘Maar als de groten vallen moeten de kleineren volgen. Het is mijn taak geweest om ons Reisgenootschap op de lange weg van Moria te leiden. Wij zijn door Lórien getrokken – en het zou goed zijn dat u er de waarheid over te horen kreeg voor u er weer over spreekt – en vandaar vele mijlen langs de Grote Rivier naar de Watervallen van Rauros. Daar werd Boromir gedood, door dezelfde orks die u hebt omgebracht.’
‘Al uw nieuws is smartelijk,’ riep Éomer ontzet uit. ‘Dit sterven is een groot verlies voor Minas Tirith, en voor ons allemaal. Hij was een achtenswaardig mens! Allen prezen hem. Hij kwam zelden naar de Mark, want hij diende altijd in de oorlogen aan de oostgrens; maar ik heb hem gezien. Hij leek meer op de heetgebakerde zonen van Eorl dan op de bedachtzame mensen uit Gondor, en zou waarschijnlijk een groot aanvoerder van zijn volk zijn geweest als zijn tijd gekomen was. Maar we hebben nog geen bericht van dit verlies uit Gondor ontvangen. Wanneer is hij gesneuveld?’
‘Het is nu de vierde dag sinds hij werd gedood,’ antwoordde Aragorn, ‘en sinds de avond van die dag hebben wij van de schaduw van de Tol Brandir af gereisd.’
‘Te voet?’ riep Éomer uit.
‘Ja, zoals u ons nu ziet.’ Éomers ogen gingen wijd open van verbazing. ‘Stapper is een te armzalige naam, zoon van Arathorn,’ zei hij. ‘Wiekvoet noem ik u. Deze daad van de drie vrienden behoort op vele burchten te worden bezongen. Honderdvijfendertig mijl hebt u afgelegd nog voor het einde van de vierde dag! Het ras van Elendil is gehard!
Maar nu, heer, wat wilt u dat ik voor u doe? Ik moet met haastige spoed naar Théoden terugkeren. Ik heb in het bijzijn van mijn mannen behoedzaam gesproken. Weliswaar zijn we nog niet in open oorlog met het Zwarte Land gewikkeld, en zijn er enkele lieden in de naaste omgeving van de koning die laffe raad geven, maar de oorlog is ophanden. Wij zullen ons oude bondgenootschap met Gondor niet verzaken, en terwijl zij vechten zullen wij hen helpen: dat zeg ik, en allen die mij steunen. De Oostmark staat onder mijn bevel, het gebied van de Derde Maarschalk, en ik heb al onze kudden en hoeders verwijderd en achter de Entwas terug laten trekken, niemand anders achterlatend dan wachten en snelle verkenners.’
‘Dan betaalt u dus geen schatting aan Sauron?’ vroeg Gimli.
‘Dat doen we niet en dat hebben we nooit gedaan,’ zei Éomer met flitsende ogen; ‘hoewel het mij ter ore is gekomen dat die leugen is verteld. Enkele jaren geleden wilde de Vorst van het Zwarte Land tegen een hoge prijs paarden van ons kopen, maar wij hebben dat geweigerd, omdat hij dieren voor slechte doeleinden gebruikt. Toen stuurde hij plunderende orks, en zij stelen wat zij kunnen, maar kiezen altijd de zwarte paarden; daarvan zijn er nu nog maar weinig over. Om die reden is onze vete met de orks bitter.
Op dit ogenblik is Saruman echter onze voornaamste zorg. Hij heeft de heerschappij over heel dit land opgeëist, en er is vele maanden lang oorlog tussen ons geweest. Hij heeft orks in dienst genomen, en wolfruiters en slechte mensen en hij heeft de Kloof voor ons gesloten, zodat we waarschijnlijk uit het oosten en westen zullen worden belegerd.
Het is vreselijk om met een dergelijke vijand te maken te hebben: hij is een tovenaar die zowel listig als handig is, en heeft vele vermommingen. Hij zit nu hier, dan weer daar, zegt men, als een oude man met een kap en een mantel, bijna net als Gandalf, zoals velen zich nu herinneren. Zijn spionnen glippen door ieder net, en zijn ongeluksvogels vliegen overal rond. Ik weet niet hoe het allemaal zal aflopen, en mijn hart heeft bange voorgevoelens, want het schijnt mij toe dat zijn vrienden niet allen in Isengard wonen. Maar als u naar het huis van de koning gaat, zult u het zelf zien. Wilt u niet meegaan? Hoop ik dan tevergeefs dat u gestuurd bent om mij in twijfel en nood bij te staan?’
‘Ik zal komen wanneer het mogelijk is,’ zei Aragorn.
‘Kom meteen,’ zei Éomer. ‘De Erfgenaam van Elendil zou zeker een steun zijn voor de Zonen van Eorl in deze boze tijd. Er vindt nu zelfs een veldslag plaats op de West-Emnet, en ik ben bang dat die slecht voor ons zal aflopen.
Toen ik naar het noorden reed ging ik zonder verlof van de koning, want tijdens mijn afwezigheid heeft zijn huis weinig bewaking. Maar verkenners waarschuwden mij drie nachten geleden dat het orkleger langs de Oostmuur afdaalde, en berichtten dat sommi gen van hen de witte insignes van Saruman droegen. Aangezien ik vermoedde dat mijn ergste vrees – een samenzwering tussen Orthanc en de Zwarte Toren – bewaarheid was geworden, voerde ik mijn éored, mannen van mijn eigen huis, aan en wij haalden de orks bij het vallen van de avond twee dagen geleden in; dicht bij de grenzen van het Entwoud. Daar omsingelden wij hen, en leverden gisterochtend bij dageraad slag. Vijftien van mijn manschappen verloor ik, en twaalf paarden, helaas! Want de orks waren groter in getal dan waarop wij hadden gerekend. Anderen hadden zich bij hen gevoegd, afkomstig uit het oosten van over de Grote Rivier; hun spoor is duidelijk te zien, ietwat ten noorden van deze plek. En er kwamen ook anderen uit het woud. Grote orks, die ook de Witte Hand van Isengard droegen: dat soort is sterker en gemener dan alle anderen.
Niettemin hebben we hen uitgeroeid. Maar we zijn te lang weg geweest. Men heeft ons in het zuiden en westen nodig. Wilt u niet meegaan? Er zijn paarden over zoals u ziet. Er is werk voor het Zwaard te doen. Ja, en we zouden ook Gimli’s bijl en Legolas’ boog kunnen gebruiken als ze mij mijn overhaaste woorden over de Vrouwe van het Woud willen vergeven. Ik heb slechts gesproken zoals alle mensen in mijn land doen, maar ik zou graag beter willen leren.’
‘Ik dank u voor uw vriendelijke woorden,’ zei Aragorn, ‘en mijn hart verlangt ernaar met u mee te gaan, maar ik kan mijn vrienden niet in de steek laten zolang er nog hoop is.’
‘Hoop blijft niet,’ zei Éomer. ‘U zult uw vrienden niet langs de Noordgrenzen vinden.’
‘Toch zijn mijn vrienden niet achtergebleven. Niet ver van de Oostmuur hebben wij een duidelijke aanwijzing gevonden dat minstens één van hen daar nog in leven was. Maar tussen de muur en de heuvels hebben we geen ander spoor van hen gevonden, en er was geen ander pad links of rechts, tenzij mijn vaardigheid me helemaal in de steek heeft gelaten.’
‘Wat denkt u dan dat er van hen is geworden?’
‘Ik weet het niet. Misschien zijn ze omgebracht en samen met de orks verbrand; maar dat, zult u zeggen, kan niet en ik ben er niet bang voor. Ik kan alleen maar veronderstellen dat ze voor de slag naar het bos zijn gevoerd, misschien wel voordat u uw vijanden insloot. Kunt u zweren dat niemand op die manier aan uw netten is ontsnapt?’
‘Ik zou zweren dat er geen ork is ontsnapt nadat wij hen hadden gezien,’ zei Éomer. ‘Wij bereikten de zomen van het bos eerder dan zij, en zo er daarna enig levend wezen door onze ring heen is gebroken, dan was het geen ork en moet het enige elfse macht hebben bezeten.’
‘Onze vrienden waren net zo gekleed als wij,’ zei Aragorn, ‘en u bent ons op klaarlichte dag voorbijgereden.’
‘Dat was ik vergeten,’ zei Éomer. ‘Het is moeilijk om te midden van zoveel wonderen nog ergens zeker van te zijn. De wereld is erg vreemd geworden. Elf en dwerg lopen in elkaars gezelschap in onze vertrouwde velden, en mensen spreken met de Vrouwe van het Woud maar blijven toch in leven; en het Zwaard, dat werd gebroken in de lange Era voordat onze voorvaderen naar de Mark reden, keert weer ten strijde! Hoe zal een mens oordelen wat hem in dergelijke tijden te doen staat?’
‘Zoals hij dat altijd heeft gedaan,’ zei Aragorn. ‘Goed en kwaad zijn niet veranderd sinds vorig jaar, en ook zijn ze niet het ene bij elfen en dwergen en het andere bij mensen. Het is de taak van de mens ze te onderscheiden, evenzeer in het Gouden Woud als in zijn eigen huis.’