Выбрать главу

Langzaam keerde het geheugen in Pepijns pijnlijke hoofd terug. Natuurlijk: hij en Merijn waren het bos in gerend. Wat had ze bezield? Waarom waren zij op die manier weggerend zonder notitie van Stapper te nemen? Ze hadden een heel eind schreeuwend gelopen – hij kon zich nu niet herinneren hoe ver of hoelang, en toen ineens waren ze recht op een groep orks af gerend: ze stonden te luisteren en ze schenen Merijn en Pepijn pas te zien toen ze bijna in hun armen waren. Toen schreeuwden ze en tientallen andere aardmannen waren van achter de bomen tevoorschijn gesprongen. Merijn en hij hadden hun zwaard getrokken, maar de orks hadden geen zin om te vechten, en hadden alleen geprobeerd hen te pakken te krijgen, zelfs toen Merijn verscheidene van hun armen en handen had afgehakt. Die goeie Merijn!

Toen was Boromir door het bos komen aansnellen. Hij had ze gedwongen te vechten. Hij had velen van hen gedood en de rest was gevlucht. Maar zij waren nog niet ver teruggegaan toen ze opnieuw werden aangevallen, door minstens honderd orks, waaronder enkele hele grote, die een regen van pijlen hadden afgeschoten: uitsluitend op Boromir. Boromir had op zijn grote hoorn geblazen tot het bos ervan weerschalde, en aanvankelijk waren de orks ontmoedigd en hadden zich teruggetrokken; maar toen er geen ander antwoord dan de echo’s kwam, hadden ze feller aangevallen dan ooit. Pepijn herinnerde zich verder niet veel meer. Het laatste dat hij nog wist was dat Boromir tegen een boom leunde en een pijl uittrok; toen was het plotseling donker geworden.

‘Ik veronderstel dat ik een klap op mijn hoofd heb gekregen,’ zei hij tegen zichzelf. ‘Ik vraag me af of die arme Merijn erg gewond is. Wat is er met Boromir gebeurd? Waarom hebben de orks ons niet gedood? Waar zijn we en waar gaan we naartoe?’

Hij wist geen antwoord op deze vragen. Hij voelde zich koud en ziek. Ik wou dat Gandalf Elrond nooit had overgehaald om ons te laten meegaan, dacht hij. Wat voor nut heb ik gehad? Alleen maar een sta-in-de-weg: een passagier, een stuk bagage. En nu ben ik ontvoerd en ben ik niet meer dan een stuk bagage voor de orks. Ik hoop dat Stapper of iemand anders ons zal komen opeisen! Maar moet ik daarop hopen? Zal dat niet alle plannen in de war sturen? Ik wou dat ik los kon komen!

Hij spartelde een beetje, maar tevergeefs. Een van de orks die in de buurt zat, lachte en zei iets tegen een kameraad in hun afgrijselijke taal. ‘Rust zolang je kunt, kleine dwaas!’ zei hij toen tegen Pepijn in de Gemeenschappelijke Taal, die hij bijna even afschuwelijk maakte als zijn eigen taal. ‘Rust zolang je kunt! We zullen gauw genoeg werk voor je benen vinden. Je zult wensen dat je er geen had voor we thuis zijn.’

‘Als het aan mij lag zou je willen dat je nu dood was,’ zei de ander. ‘Ik zou je laten piepen, ellendige rat.’ Hij boog zich over Pepijn heen en bracht zijn gele slagtanden vlak bij zijn gezicht. Hij had een zwart mes met een lang gekarteld lemmet in de hand. ‘Blijf stilliggen, of ik zal je hiermee kietelen,’ siste hij. ‘Trek maar geen aandacht, anders zou ik mijn bevelen weleens kunnen vergeten. Vervloekte Isengarders! Uglúk u bagronk sha pushdug Saruman-glob búbhosh skai! ’; hij verviel in een lange boze rede in zijn eigen taal die langzaam in gemompel en gegrom verstierf.

Pepijn was doodsbang en bleef stilliggen, hoewel de pijn in zijn polsen en enkels erger werd en de stenen onder hem in zijn rug boorden. Om niet aan zichzelf te denken, luisterde hij aandachtig naar alles wat hij kon horen. Er waren vele stemmen om hem heen, en hoewel de orktaal altijd vol haat en woede klonk, leek het duidelijk dat er een twist was losgebroken, die heviger werd.

Tot zijn verbazing merkte Pepijn dat veel van wat er gezegd werd verstaanbaar was; velen van de orks bedienden zich van de gewone taal. Blijkbaar waren er leden van twee of drie geheel verschillende stammen aanwezig, die elkaars orktaal niet konden verstaan. Er was een woedend twistgesprek aan de gang over wat er nu moest gebeuren: welke weg ze moesten nemen en wat ze met de gevangenen aan moesten.

‘Er is geen tijd om ze behoorlijk af te maken,’ zei er een. ‘Geen tijd voor verzetjes op deze tocht.’

‘Daar is niets aan te doen,’ zei een ander. ‘Maar waarom doden we ze niet vlug, nu meteen? Ze zijn verdomd lastig, en we hebben haast. De avond begint al te vallen, en we moeten eens opstappen.’

‘Orders!’ zei een derde stem met een zware grom. ‘Dood allen, maar NIET DE HALFLINGEN; zij moeten zo snel mogelijk LEVEND worden teruggebracht. Dat is mijn bevel.’

‘Waar zijn ze voor nodig?’ vroegen verschillende stemmen.

‘Waarom levend? Kun je veel lol met ze hebben?’

‘Nee, ik heb gehoord dat een van hen iets heeft, iets dat nodig is voor de Oorlog, een of andere elfse samenzwering of zo. In elk geval zullen ze beiden ondervraagd worden.’

‘Is dat alles wat je weet? Waarom fouilleren wij hen niet om erachter te komen? Misschien vinden we iets dat we zelf kunnen gebruiken.’

‘Dat is een heel interessante opmerking,’ zei een spottende stem, zachter dan de andere, maar boosaardiger. ‘Het zou wel eens kunnen zijn dat ik die moet overbrengen. De gevangenen mogen NIET worden gefouilleerd of geplunderd; dat is mijn bevel.’

‘En de mijne ook,’ zei de zware stem. ‘ Levend en gevankelijk; niet plunderen. Dat zijn mijn orders.’

‘Onze orders niet!’ zei een van de vroegere stemmen. ‘We zijn helemaal van de Mijnen gekomen om te doden en ons volk te wreken. Ik wil doden, en dan naar het noorden teruggaan.’

‘Je kunt willen wat je wilt,’ zei de grommende stem. ‘Ik ben Uglúk. Ik ben de baas. Ik keer langs de kortst mogelijke weg naar Isengard terug.’

‘Is Saruman de meester of het Grote Oog?’ vroeg de boosaardige stem. ‘We horen onmiddellijk naar Lugbúrz terug te gaan.’

‘Dat zou misschien kunnen als we de Grote Rivier konden oversteken,’ zei een andere stem. ‘Maar we zijn met te weinigen om het te wagen naar de bruggen te gaan.’

‘Ik ben erover gekomen,’ zei de boze stem. ‘Een gevleugelde Nazgûl wacht op ons, noordwaarts op de oostelijke oever!’

‘Misschien. Misschien! Dan gaan jullie er met onze gevangenen vandoor en krijgen in Lugbúrz al het geld en lof, terwijl jullie ons achterlaten om zo goed en kwaad als het gaat te voet door het Paardenland te trekken. Nee, we moeten bij elkaar blijven. Deze landen zijn gevaarlijk: vol gemene rebellen en struikrovers.’

‘Ja, we moeten bij elkaar blijven,’ gromde Uglúk. ‘Ik vertrouw je niet, klein zwijn. Je hebt geen lef buiten je eigen hok. Als wij er niet waren geweest zouden jullie allemaal zijn weggelopen. Wij zijn de vechtende uruk-hai! Wij hebben de grote krijger gedood. Wij hebben de gevangenen gemaakt. Wij zijn de dienaren van Saruman de Wijze, de Witte Hand; de Hand die ons mensenvlees te eten geeft. Wij zijn uit Isengard gekomen en hebben jullie hierheen geleid, en we zullen jullie mee terugnemen langs de weg die wij kiezen. Ik ben Uglúk. Ik heb gezegd.’

‘Je hebt al meer dan genoeg gezegd, Uglúk,’ spotte de boze stem. ‘Ik vraag me af wat ze er in Lugbúrz van zouden vinden. Ze zouden wel eens kunnen denken dat Uglúks schouders van een opgeblazen hoofd behoorden te worden ontlast. Ze zouden wel eens kunnen vragen waar hij zijn vreemde ideeën vandaan heeft. Zijn ze misschien afkomstig van Saruman? Wie denkt hij dat hij is, om voor zichzelf te beginnen met zijn smerige witte schildjes? Ze zouden het wel eens met mij eens kunnen zijn, met Grishnákh, hun vertrouwde boodschapper; en ik, Grishnákh, zeg dit: Saruman is een dwaas, een smerige, verraderlijke dwaas. Maar het Grote Oog is op hem gericht. Zwijn zeg je? Hoe vinden jullie het om zwijn te worden genoemd door de vuilspuiters van een smerig tovenaartje? Ik wed dat ze orkvlees eten.’