Выбрать главу

‘Hoei! Kalm nu!’ riep Uglúk uit de achterhoede.

Plotseling kreeg Pepijn een ingeving en hij gaf er meteen gevolg aan. Hij zwenkte naar rechts en dook buiten het bereik van zijn grijpende bewaker voorover de mist in; hij kwam spartelend op het gras terecht.

‘Halt!’ gilde Uglúk.

Een ogenblik heerste er opwinding en verwarring. Pepijn sprong op en rende weg. Maar de orks zaten hem achterna. Plotseling doemden er vlak voor hem een paar op.

Geen kans om te ontsnappen! dacht Pepijn. Maar hopelijk heb ik enkele van mijn voetafdrukken ongeschonden op de vochtige grond achtergelaten. Hij greep met zijn twee gebonden handen naar zijn keel, en maakte de broche van zijn mantel los. Net toen lange armen en harde klauwen hem beetpakten, liet hij haar vallen. Daar zal ze wel tot het einde der tijden blijven liggen, dacht hij. Ik weet niet waarom ik het gedaan heb. Als de anderen zijn ontsnapt, zijn ze waarschijnlijk allemaal met Frodo meegegaan.

Een riem van een zweep kronkelde zich om zijn benen, en hij onderdrukte een kreet.

‘Genoeg!’ schreeuwde Uglúk, terwijl hij eraan kwam rennen. ‘Hij moet nog een heel eind rennen. Laat ze allebei rennen! Gebruik de zweep maar om ze eraan te herinneren.’

‘Maar dat is nog niet alles,’ snauwde hij tegen Pepijn. ‘Ik zal het niet vergeten. De afrekening komt later. Zet de pas erin!’

Pepijn noch Merijn herinnerde zich veel van het laatste gedeelte van de reis. Boze dromen en boze werkelijkheid versmolten tot een lange tunnel van ellende, waarin de hoop steeds flauwer werd. Ze liepen en liepen en deden hun best om het tempo dat de orks aangaven, bij te houden, maar werden af en toe met een wrede, listig gehanteerde zweep geslagen. Wanneer ze halt hielden of struikelden, werden ze beetgepakt en een eind meegesleurd.

De warmte van de orkdrank was verdwenen. Pepijn voelde zich weer koud en ziek. Plotseling viel hij met zijn gezicht voorover op het gras. Harde handen met vlijmscherpe nagels grepen hem en pakten hem op. Hij werd weer als een zak gedragen, en rondom hem werd het donker; of het de duisternis van een nieuwe nacht was, of de blindheid van zijn ogen, kon hij niet zeggen.

Hij werd zich vaag bewust van schreeuwende stemmen: het scheen dat velen van de orks om een rustpauze vroegen. Uglúk schreeuwde. Hij voelde dat hij op de grond werd gesmeten, en bleef liggen waar hij viel tot zwarte dromen hem overvielen. Maar hij ontsnapte niet lang aan de pijn; weldra voelde hij de ijzeren greep van genadeloze handen weer op zich. Lange tijd werd hij gehotst en geschud, maar geleidelijk ebde de duisternis weg, en hij keerde tot de wakende wereld terug en merkte dat het ochtend was. Er werden bevelen geschreeuwd en hij werd ruw op het gras gegooid.

Daar lag hij een tijdje, vechtend tegen de wanhoop. Zijn hoofd duizelde, maar de warmte in zijn lichaam deed hem vermoeden dat hij weer een slok had gekregen. Een ork boog zich over hem heen en wierp hem wat brood en een reep gedroogd vlees toe. Hij at het oudbakken grijze brood hongerig, maar het vlees niet. Hij was uitgehongerd, maar nog niet zo erg dat hij vlees wilde eten dat een ork hem toewierp, het vlees van – hij durfde niet te raden van welk schepsel.

Hij ging rechtop zitten en keek om zich heen. Merijn was niet ver weg. Ze bevonden zich bij de oevers van een snelstromende smalle rivier. Voor hen doemden bergen op: een hoge top ving de eerste stralen van de zon. Een donkere vlek van een bos lag op de lagere hellingen voor hen.

Er klonk veel geschreeuw en getwist onder de orks: een ruzie scheen op het punt tussen de Noorderlingen en de Isengarders uit te breken. Sommigen wezen naar het zuiden, en anderen naar het oosten.

‘Goed dan,’ zei Uglúk. ‘Laat hen dan maar aan mij over! Geen moordpartij, zoals ik jullie eerder heb gezegd; maar als jullie datgene willen weggooien waarvoor wij zo ver gekomen zijn, gooi het dan weg! Ik zal ervoor zorgen. Laat de vechtende uruk-hai het werk doen, zoals gewoonlijk. Als jullie bang zijn voor de Withuiden, smeer ’m dan! Smeer ’m! Daar is het bos,’ schreeuwde hij, voor zich uit wijzend. ‘Ga erheen! Het is het beste dat je kunt doen. Vooruit! En schiet op een beetje, voordat ik er nog een paar onthoofd om de anderen wat meer verstand bij te brengen.’

Er klonk enig gevloek en gebakkelei en toen snelden de meeste Noorderlingen weg, meer dan honderd, wild langs de rivier naar de bergen. De hobbits bleven bij de Isengarders achter: een wrede donkere troep, op zijn minst een stuk of tachtig grote, dreigende orks met scheefstaande ogen, grote bogen en korte zwaarden met brede klingen. Enkelen van de grotere en stoutmoediger Noorderlingen bleven bij hen.

‘Nu zullen we met Grishnákh afrekenen,’ zei Uglúk, maar zelfs enkelen van zijn eigen volgelingen keken ongerust naar het zuiden. ‘Ik weet het,’ gromde Uglúk. ‘Die vervloekte paardenjongens hebben lucht van ons gekregen. Maar dat is allemaal jouw schuld, Snaga. Jij en de andere verkenners verdienen het dat je oren eraf gehakt worden. Maar wij zijn de vechters. Wij zullen ons nog aan paardenvlees te goed doen, of iets beters.’

Op dat ogenblik zag Pepijn waarom sommigen van de troep naar het oosten hadden gewezen. Uit die richting kwamen nu hese kreten, en daar was Grishnákh weer met een stuk of veertig van zijn soortgenoten achter hem aan; langarmige, krombenige orks. Er stond een rood oog op hun schilden geschilderd. Uglúk kwam naar voren om hen te begroeten.

‘Dus jullie zijn teruggekomen?’ zei hij. ‘Jullie hebben je bedacht, hè?’

‘Ik ben teruggekomen om ervoor te zorgen dat Orders worden uitgevoerd en de gevangenen veilig zijn,’ antwoordde Grishnákh.

‘Werkelijk!’ zei Uglúk. ‘Zonde van de moeite. Ik zal ervoor zorgen dat orders onder mijn bevel worden uitgevoerd. En waar ben je nog meer voor teruggekomen? Jullie zijn nogal haastig weggegaan. Hebben jullie iets achtergelaten?’

‘Ik heb een dwaas achtergelaten,’ snauwde Grishnákh. ‘Maar hij heeft een paar stevige kerels bij zich die te goed zijn om kwijt te raken. Ik wist dat jij ze in moeilijkheden zou brengen. Ik ben gekomen om ze te helpen.’

‘Prachtig!’ zei Uglúk lachend. ‘Maar tenzij je enig lef hebt om te vechten, heb je de verkeerde weg gekozen. Jullie hadden naar Lugbúrz moeten gaan. De Withuiden komen eraan. Wat is er met je dierbare Nazgûl gebeurd? Is er weer een knol onder hem vandaan geschoten? Als je hem nu had meegebracht, had dat nuttig kunnen zijn – als die Nazgûl tenminste zo goed zijn als ze beweren.’

Nazgûl, Nazgûl,’ zei Grishnákh, huiverend en zijn lippen aflikkend alsof het woord een vieze smaak had die pijnlijk was om te proeven. ‘Jij spreekt van wat ver buiten het bereik van je troebele dromen ligt, Uglúk,’ zei hij. ‘ Nazgûl! Ha! Zo goed als ze beweren! Op een goede dag zul je wensen dat je dat niet gezegd had. Aap!’ gromde hij venijnig. ‘Je behoort te weten dat zij de appel van het Grote Oog zijn. Maar de gevleugelde Nazgûclass="underline" nog niet, nog niet. Hij wil nog niet dat ze zich aan de overzijde van de Grote Rivier laten zien, niet te vlug. Zij zijn voor de Oorlog – en andere doeleinden.’

‘Je schijnt een hoop te weten,’ zei Uglúk. ‘Meer dan goed voor je is, denk ik. Misschien vragen die in Lugbúrz zich af hoe en waarom. Maar ondertussen kunnen de uruk-hai van Isengard het vuile werk opknappen. Sta daar niet te kwijlen! Haal je gespuis bij elkaar! De andere zwijnen smeren ’m naar het bos. Ik zou ze maar achternagaan. Je zou nooit levend naar de Grote Rivier terugkeren. Schiet op! Vooruit! Ik zit je op de hielen.’

De Isengarders pakten Merijn en Pepijn weer op en gooiden hen op hun rug. Toen ging de troep op weg. Ze renden uren achtereen; nu en dan halt houdend, maar alleen om de hobbits aan andere dragers over te geven. Of omdat zij vlugger en geharder waren, of als gevolg van een plan van Grishnákh, haalden de Isengarders de orks uit Mordor in en de troep van Grishnákh sloot de rij. Weldra begonnen zij ook de Noorderlingen voor zich in te halen. Het bos begon dichterbij te komen.