Pepijn was gekneusd en uitgerekt; zijn pijnlijke hoofd werd tegen de smerige kaak en het behaarde oor van de ork die hem droeg geschuurd. Vlak voor hem waren gebogen ruggen en taaie dikke benen die heen en weer gingen, heen en weer, zonder te rusten, alsof ze van staaldraad en hoorn gemaakt waren, de nachtmerrieachtige seconden van een eindeloze tijd wegtikkend.
In de middag haalde Uglúks troep de Noorderlingen in. Zij waren uitgeput in de stralen van de heldere zon, hoewel het een winterzon was die aan een fletse koele hemel scheen; hun hoofden waren gebogen en hun tongen hingen uit hun mond.
‘Maden!’ schimpten de Isengarders. ‘Jullie zijn er gloeiend bij. De Withuiden zullen jullie vangen en opeten. Ze komen eraan!’
Een kreet van Grishnákh bewees dat dit niet zomaar een grap was. Er waren inderdaad ruiters gezien die heel snel reden: ze waren nog ver weg, maar wonnen toch op de orks, hen inhalend als een vloed over de zandbanken op lieden die in drijfzand waren afgedwaald.
De Isengarders begonnen twee keer zo hard te rennen, hetgeen Pepijn verbaasde; het scheen een geweldige eindspurt voor een wedstrijd. Toen zag hij dat de zon begon te dalen en achter de Nevelbergen verdween; schaduwen strekten zich over het land uit. De soldaten van Mordor hieven hun hoofden op en begonnen er ook de pas in te zetten. Het bos was donker en dicht. Ze waren al een paar bomen aan de buitenkant voorbijgegaan. Het land begon te stijgen, steeds steiler; maar de orks hielden geen halt. Zowel Uglúk als Grishnákh schreeuwde, hen tot een laatste krachtsinspanning aansporend.
Ze zullen het nog halen. Ze zullen ontsnappen, dacht Pepijn. Toen slaagde hij erin zijn nek om te draaien zodat hij met één oog over zijn schouder achterom kon kijken. Hij zag dat de ruiters in het oosten al op dezelfde hoogte waren als de orks, over de vlakte galopperend. De ondergaande zon verguldde hun speren en helmen, en glansde op hun blonde wapperende haar. Zij sloten de orks in, hen belettend zich te verspreiden, en dreven hen langs de loop van de rivier.
Hij vroeg zich af wat voor soort lieden het waren. Hij wou nu dat hij in Rivendel meer had opgestoken, en meer naar landkaarten en zo had gekeken; maar in die dagen schenen de plannen voor de reis in bekwamere handen te zijn, en hij had er nooit op gerekend dat hij nog eens van Gandalf of van Stapper, en zelfs van Frodo zou worden gescheiden. Het enige dat hij zich over Rohan kon herinneren, was dat Gandalfs paard, Schaduwvacht, uit dat land was gekomen. Dat klonk in zekere zin hoopvol.
Maar hoe zullen ze weten dat wij geen orks zijn? dacht hij. Ik denk niet dat ze hier ooit van hobbits hebben gehoord. Ik neem aan dat ik blij moet zijn dat het ernaar uitziet dat die smerige orks vermoedelijk zullen worden uitgeroeid, maar ik zou liever zelf worden gered. De kans bestond dat hij en Merijn tegelijk met hun bewakers zouden worden gedood, nog voordat de mensen van Rohan hen zouden opmerken.
Sommige ruiters bleken boogschutters te zijn, die de kunst verstonden om van een rennend paard af te schieten. Snel naar voren rijdend, schoten zij pijlen af op de orks die waren achtergebleven, en verscheidenen sneuvelden; toen zwenkten de ruiters weer buiten het bereik van de bogen van hun vijanden, die lukraak schoten, omdat ze niet durfden blijven stilstaan. Dit gebeurde vele malen, en een keer vielen er pijlen tussen de Isengarders. Een van hen, vlak voor Pepijn, struikelde en kwam niet meer overeind.
De nacht viel zonder dat de ruiters dichterbij kwamen om slag te leveren. Veel orks waren gesneuveld, maar er waren er toch nog ruim tweehonderd over. Toen de duisternis inviel kwamen de orks bij een heuveltje. De rand van het bos was vlakbij, waarschijnlijk niet meer dan zeshonderd meter ver weg, maar zij konden niet verdergaan. De ruiters hadden hen omsingeld. Een kleine troep gehoorzaamde niet aan Uglúks bevel en rende verder het bos in; slechts drie keerden terug.
‘Nou, daar zitten we nu,’ spotte Grishnákh. ‘Een mooie leider! Ik hoop dat de grote Uglúk ons er ook weer uit zal leiden.’
‘Zet die halflingen neer!’ beval Uglúk, die geen aandacht aan Grishnákh schonk. ‘Jij, Lugdush, haal twee anderen en bewaak ze! Ze mogen niet worden gedood, tenzij de smerige Withuiden doorbreken. Begrepen? Zolang ik in leven ben, wil ik ze hebben. Maar ze mogen niet schreeuwen en mogen niet bevrijd worden. Bind hun benen!’
Het laatste deel van het bevel werd genadeloos uitgevoerd. Maar Pepijn merkte dat hij voor het eerst vlak bij Merijn was. De orks maakten een hoop lawaai, schreeuwend en met hun wapens kletterend, en de hobbits slaagden erin om even met elkaar te fluis teren. ‘Ik ben hier niet erg gerust op,’ zei Merijn. ‘Ik voel me bijna geradbraakt. Ik denk niet dat ik ver weg zou kunnen kruipen, ook als ik vrij was.’
‘ Lembas,’ fluisterde Pepijn. ‘ Lembas : ik heb nog wat. Jij ook? Ik geloof niet dat ze iets anders hebben afgepakt dan onze zwaarden.’
‘Ja, ik had een pakje in mijn zak,’ antwoordde Merijn, ‘maar het moet wel helemaal verkruimeld zijn. In elk geval kan ik mijn mond niet in mijn zak steken!’
‘Dat hoef je ook niet. Ik heb –’ maar op dat ogenblik waarschuwde een venijnige trap Pepijn dat het geluid was weggestorven en de bewakers op hun hoede waren.
De nacht was koud en stil. Om het heuveltje waar de orks verzameld waren, werden kleine wachtvuren ontstoken, goudrood in de duisternis, in een volledige kring. Ze waren binnen de afstand van een ver boogschot, maar de ruiters lieten zich niet tegen het licht zien, en de orks verspilden vele pijlen door op de vuren te schieten, totdat Uglúk er een eind aan maakte. De ruiters maakten geen geluid. Later die nacht, toen de maan door de mist heen brak, waren ze af en toe te zien, schimmige gedaanten die zich nu en dan tegen het witte licht aftekenden, terwijl zij onophoudelijk patrouillerend rondreden.
‘Ze zullen op de zon wachten, vervloekt,’ gromde een van de wachten. ‘Waarom verzamelen we ons niet om erdoorheen te breken? Waar denkt die ouwe Uglúk dat hij mee bezig is, dat zou ik wel eens willen weten.’
‘Dat zou ik denken,’ gromde Uglúk, die ineens van achteren naar voren kwam. ‘Je bedoelt dat ik helemaal niet denk, hè? Vervloekt! Je bent even slecht als de rest van het gespuis: de maden en apen van Lugbúrz. Het heeft geen zin om met hen aan te vallen. Ze zouden alleen maar gillen en ervandoor gaan, en er zijn meer dan genoeg van deze smerige paardenjongens om onze troep op de vlakte bij elkaar te vegen.
D’r is maar één ding dat die maden kunnen doen: ze kunnen in het donker zien als een kat. Maar die Withuiden kunnen beter bij nacht zien dan de meeste mensen, naar ik gehoord heb; en cijfer hun paarden niet weg! Ze kunnen de nachtwind zien, zeggen sommigen. Maar er is één ding dat die mooie jongens niet weten: Mauhúr en die knapen van hem zitten in het bos, en kunnen elk ogenblik tevoorschijn komen.’
Blijkbaar waren Uglúks woorden voldoende om de Isengarders tevreden te stellen, maar de andere orks waren ontmoedigd en opstandig. Ze zetten een paar wachtposten uit, maar de meesten gingen op de grond liggen om in de aangename duisternis te rusten. Het werd inderdaad weer heel donker, want de maan ging in het westen achter een grote wolk schuil, en Pepijn kon nog geen meter voor zich uit zien. De vuren brachten geen licht op het heuveltje. De ruiters namen er echter geen genoegen mee om eenvoudig op het ochtendkrieken te wachten en hun vijanden te laten rusten. Een plotselinge kreet aan de oostzijde van de heuvel bewees dat er iets mis was. Het scheen dat er een paar mensen aan waren komen rijden, zich van hun paarden hadden laten glijden, naar de rand van het kamp waren geslopen en een paar orks hadden gedood, en toen weer waren verdwenen. Uglúk snelde erheen om paniek te voorkomen. Pepijn en Merijn gingen rechtop zitten. Hun bewakers, Isengarders, waren met Uglúk meegegaan. Maar zo de hobbits aan ontsnappen hadden gedacht, werd deze hoop weldra de grond in geboord. Een lange harige arm pakte elk van hen in zijn nekvel en trok ze dicht naar zich toe. Zij waren zich vaag bewust van Grishnákhs grote hoofd en afzichtelijke gezicht tussen hen in; zijn stinkende adem beroerde hun wangen. Hij begon ze te aaien en te betasten. Pepijn huiverde toen hij harde koude vingers in zijn rug voelde knijpen.