‘Zo, kleintjes!’ zei Grishnákh, zacht fluisterend. ‘Genieten jullie lekker van je rust? Of niet? Een beetje onprettig gesitueerd misschien: zwaarden en zwepen aan de ene kant en gemene speren aan de andere! Kleine luitjes moeten zich niet bemoeien met zaken die te gewichtig voor hen zijn.’ Zijn vingers bleven grijpen. Er scheen een licht als een flets, maar heet vuur achter zijn ogen.
Plotseling kreeg Pepijn een ingeving, alsof hij een dringende gedachte van zijn vijand rechtstreeks had opgevangen: Grishnákh weet van de Ring af! Hij zoekt ernaar, terwijl Uglúk druk bezig is; hij wil hem waarschijnlijk voor zichzelf hebben. Een koude vrees was in Pepijns hart, maar toch vroeg hij zich tegelijkertijd af hoe hij Grishnákhs begeerte kon uitbuiten.
‘Ik denk niet dat dit de manier is om hem te pakken te krijgen,’ fluisterde hij. ‘Hij is niet gemakkelijk te vinden.’
‘ Vinden? ’ vroeg Grishnákh; zijn vingers hielden op met tasten en grepen Pepijns schouder. ‘Wat vinden? Waar heb je het over, kleintje?’
Pepijn zweeg een ogenblik. Toen plotseling in het donker maakte hij een geluid met zijn keeclass="underline" Gollem, Gollem.
‘Niets, mijn liefje,’ voegde hij eraan toe.
De hobbits voelden dat Grishnákhs vingers zich kromden. ‘Oho!’ siste hij zacht. ‘Dus dat betekent het, hè? Oho! Heel, heel gevaarlijk, m’n kleintjes.’
‘Misschien,’ zei Merijn, nu op zijn hoede en zich bewust van Pepijns vermoeden. ‘Misschien; en niet alleen voor ons. Maar jij kent je eigen zaken het beste. Wil je hem hebben of niet? En wat zou je ervoor geven?’
‘Wil ik hem hebben? Wil ik hem hebben?’ zei Grishnákh, alsof hij het niet begreep; maar zijn armen trilden. ‘Wat ik ervoor zou geven? Wat bedoel je?’
‘Wij bedoelen,’ zei Pepijn, zijn woorden zorgvuldig kiezend, ‘dat het geen zin heeft in het duister rond te tasten. Wij zouden je de tijd en de moeite kunnen besparen. Maar eerst moet je onze benen losmaken, anders doen we niets en zeggen we niets.’
‘M’n lieve schattige dwaasjes,’ siste Grishnákh, ‘alles wat jullie hebben en alles wat jullie weten, zal te zijner tijd uit jullie worden gewurmd; maar dan ook alles. Je zou willen dat er nog meer was dat je zou kunnen vertellen om de Ondervrager te bevredigen, vast en zeker: heel gauw. We zullen het onderzoek niet overhaasten. O lieve help, nee. Waarom denken jullie dat je in leven bent gehouden? Beste kereltjes, geloof me alsjeblieft wanneer ik zeg dat het niet uit vriendelijkheid was; dat is zelfs niet een van Uglúks fouten.’
‘Ik vind dat heel gemakkelijk om te geloven,’ zei Merijn. ‘Maar je hebt je prooi nog niet thuis. En het ziet er ook niet naar uit dat het die kant uitgaat, wat er ook gebeurt. Als wij in Isengard komen, zal het niet de grote Grishnákh zijn die ervan profiteert: Saruman zal alles nemen wat hij kan vinden. Als je iets voor jezelf wilt hebben, is het nu tijd om zaken te doen.’
Grishnákh begon zijn humeur te verliezen. Vooral de naam Saruman scheen hem woedend te maken. De tijd verliep en de ongeregeldheden bedaarden. Uglúk of de Isengarders konden ieder moment terugkomen. ‘Hebben jullie hem, een van jullie tweeën?’ gromde hij.
‘ Gollem, Gollem, ’ zei Pepijn.
‘Maak onze benen los!’ zei Merijn.
Zij voelden de armen van de ork hevig trillen. ‘Vervloekt jullie, smerig ongedierte!’ siste hij. ‘Jullie benen losmaken? Ik zal iedere vezel in jullie lichamen losmaken. Denken jullie dat ik je niet tot op het bot kan doorzoeken? Doorzoeken! Ik zal jullie allebei aan flarden scheuren. Ik heb de hulp van jullie benen niet nodig om jullie weg te krijgen – en jullie helemaal voor mezelf te hebben!’
Plotseling pakte hij hen beet. De kracht in zijn lange armen en schouders was vreselijk. Hij stopte elk van hen onder een oksel, en drukte ze stevig tegen zijn zijden aan: een grote verstikkende hand werd voor hun mond geslagen. Toen sprong hij naar voren, zich laag bukkend. Hij liep vlug en geruisloos tot hij aan de rand van het heuveltje kwam. Daar zocht hij een opening tussen de wachtposten en verdween als een boze schaduw in de nacht, de helling af en daarna in westelijke richting naar de rivier, die uit het bos stroomde. In die richting was er een wijde open vlakte met slechts één vuur.
Na een twaalftal meters bleef hij staan, en gluurde en luisterde. Er was niets te zien of te horen. Hij kroop langzaam verder, bijna dubbelgebogen. Hij ging op zijn hurken zitten en luisterde weer. Toen stond hij op, alsof hij een plotselinge spurt wilde riskeren. Maar op hetzelfde ogenblik doemde vlak voor hem de donkere gestalte van een ruiter op. Een paard snoof en ging op de achterbenen staan. Een man schreeuwde iets.
Grishnákh wierp zich plat op de grond, de hobbits onder zich mee sleurend; toen trok hij zijn zwaard. Ongetwijfeld was hij van plan zijn gevangenen te doden, liever dan ze te laten ontsnappen of gered te laten worden, maar het betekende zijn ondergang. Het zwaard rinkelde zacht en glansde even in het licht van het vuur rechts van hem. Een pijl kwam fluitend uit de duisternis; hij was knap gericht of werd door het lot geleid, en doorboorde zijn rechterhand. Hij liet het zwaard vallen en schreeuwde. Er klonken snelle hoefslagen, en terwijl Grishnákh opstond en rende, werd hij omvergereden en een speer doorboorde hem. Hij slaakte een afgrijselijk trillende kreet, viel en bewoog niet meer.
De hobbits bleven plat op de grond liggen, zoals Grishnákh hen had achtergelaten. Een tweede ruiter kwam zijn kameraad snel te hulp. Of het door een bijzonder scherp gezicht, of een ander zintuig kwam, het paard sprong luchtig over hen heen: maar zijn berijder zag hen niet, zoals zij daar lagen, bedekt door hun elfenmantels, op dat ogenblik te verfrommeld en te bang om zich te verroeren.
Eindelijk verroerde Merijn zich en fluisterde zacht: ‘Tot zover is alles goed gegaan, maar hoe kunnen we voorkomen dat we gespietst worden?’
Het antwoord kwam vrijwel onmiddellijk. De kreten van Grishnákh hadden de orks gealarmeerd. Uit het gegil en geschreeuw op het heuveltje meenden de hobbits te mogen opmaken dat hun verdwijning was ontdekt: Uglúk was waarschijnlijk nog wat meer hoofden aan het afhakken. Toen klonken plotseling als reactie de kreten van andere orkstemmen van rechts, buiten de kring van wachtvuren, uit de richting van het woud en de bergen. Mauhúr was blijkbaar gearriveerd en viel nu de belegeraars aan. Er klonk het geluid van galopperende paarden. De Ruiters sloten hun kring om het heuveltje, de orkpijlen riskerend om een eventuele uitval te verhinderen, terwijl een compagnie uitrukte om met de pas aangekomenen af te rekenen. Plotseling beseften Pepijn en Merijn dat zij, zonder zich te verplaatsen, nu buiten de kring waren: er was niets om hun ontsnapping te beletten.
‘Waren onze benen en handen maar vrij, dan zouden we misschien weg kunnen komen,’ zei Merijn. ‘Maar ik kan de knopen niet aanraken, en ik kan ze ook niet doorbijten.’
‘Dat hoef je ook niet te proberen,’ zei Pepijn. ‘Ik was van plan je te zeggen dat ik erin geslaagd ben mijn handen te bevrijden. Deze lussen zitten er maar voor de schijn aan. Maar eet eerst liever een stukje lembas.’
Hij liet de koorden van zijn polsen glijden en duikelde een pakje op. De koeken waren gebroken, maar niet bedorven en zaten nog in hun verpakking van bladeren. De hobbits aten elk twee of drie stukken. De smaak ervan bracht de herinnering aan knappe gezichten en gelach in hun geest terug, en gezond eten in rustige tijden, die nu ver achter hen lagen. Een tijdje zaten ze nadenkend in het donker te eten zonder aandacht te schenken aan het geschreeuw en lawaai van de nabije strijd. Pepijn was de eerste die weer naar het heden terugkeerde.
‘We moeten ervandoor,’ zei hij. ‘Wacht nog even!’ Grishnákhs zwaard lag vlakbij, maar het was te zwaar en onhandig voor hem om te gebruiken; daarom kroop hij naar voren en toen hij het lichaam van de aardman had gevonden, haalde hij een lang scherp mes uit de schede. Hiermee sneed hij vlug de touwen door. ‘En nu wegwezen!’ zei hij. ‘Wanneer we een beetje warm zijn geworden, zullen we misschien weer kunnen staan en lopen. Maar in elk geval kunnen we maar het beste beginnen met kruipen.’