Ze kropen. Het gras was hoog en buigzaam en dat hielp hen; maar het scheen heel langzaam te gaan. Zij kropen in een wijde kring om het wachtvuur heen en vorderden stukje bij beetje, tot ze bij de rand van de rivier kwamen, die in de zwarte schaduwen onder haar steile oevers gorgelde. Toen keken zij om.
De geluiden waren weggestorven. Klaarblijkelijk waren Mauhúr en zijn ‘knapen’ gedood of verdreven. De Ruiters waren naar hun stille dreigende wacht teruggekeerd. Die zou niet veel langer duren. De nacht was al oud. In het oosten, waar het onbewolkt was gebleven, begon de hemel al licht te worden.
‘We moeten dekking zien te vinden,’ zei Pepijn, ‘anders zal men ons zien. Het zal geen troost voor ons zijn als die Ruiters er nadat we gedood zijn achter komen dat we geen orks zijn.’ Hij stond op en stampte met zijn voeten. ‘Die koorden hebben als draden in mijn vel gesneden, maar mijn voeten beginnen weer warm te worden. Ik zou nu kunnen voortstrompelen. En jij, Merijn?’
Merijn stond op. ‘Ja,’ zei hij. ‘Ik denk wel dat het zal gaan. Lembas beurt je inderdaad op. En geeft je een gezonder gevoel dan de warmte van die orkdrank. Ik vraag me af waar die van gemaakt is. Misschien is het beter om het maar niet te weten. Laten we wat water drinken om de gedachte eraan weg te spoelen!’
‘Niet hier, de oevers zijn te steil,’ zei Pepijn. ‘Voorwaarts nu.’ Ze draaiden zich om en liepen langzaam naast elkaar langs de lijn van de rivier. Achter hen begon het in het oosten te dagen. Terwijl zij liepen wisselden zij hun ervaringen uit, naar hobbitgewoonte luchthartig pratend over de dingen die sinds hun gevangenneming waren gebeurd. Geen toehoorder zou uit hun woorden hebben opgemaakt dat zij erg hadden geleden, en in groot gevaar hadden verkeerd, zich zonder hoop in martelingen en dood begevend; of dat er, zoals nu, naar zij maar al te goed wisten, weinig kans op was dat zij ooit vriend of veiligheid weer zouden bereiken.
‘Je schijnt het er goed te hebben afgebracht, meester Toek,’ zei Merijn. ‘Je zult misschien een hoofdstuk in Bilbo’s boek krijgen, als ik ooit de kans krijg om verslag aan hem uit te brengen. Goed werk; vooral dat je het spelletje van die harige schurk doorhad en hem stroop om de mond smeerde. Maar ik vraag me af of iemand ooit je spoor zal volgen en die broche zal vinden. Ik zou het vreselijk vinden om de mijne te verliezen, maar ik vrees dat die van jou voorgoed verloren is.’
‘Ik zal mijn tenen moeten opfrissen als ik je wil bijhouden. Neef Brandebok gaat nu werkelijk voorop. Daar begint zijn rol. Ik neem aan dat jij niet weet waar we zijn, maar ik heb mijn tijd in Rivendel heel wat beter doorgebracht. We lopen naar het westen langs de Entwas. Het uiteinde van de Nevelbergen ligt voor ons, en het Fangornwoud ook.’
Terwijl hij sprak doemde de donkere rand van het bos recht voor hen op. De nacht scheen onder zijn grote bomen zijn toevlucht te hebben gezocht, wegkruipend voor de aanbrekende Dageraad.
‘Ga voor, meester Brandebok!’ zei Pepijn. ‘Of leid ons terug! We zijn voor Fangorn gewaarschuwd. Maar iemand die zoveel weet zal dat niet zijn vergeten.’
‘Dat ben ik ook niet,’ antwoordde Merijn, ‘maar het bos lijkt mij in ieder geval beter dan een terugkeer naar het heetst van de strijd.’
Hij ging hem voor onder de enorme takken van de bomen. Ouder dan men kon vermoeden, schenen zij. Grote slepende baarden van korstmos hingen ervan neer, zwaaiend en slingerend in de wind. Uit de schaduwen gluurden de hobbits en keken achterom de helling langs: kleine, steelse figuurtjes die er in het bleke licht uitzagen als elfenkinderen in de spelonken van de tijd, die met verbazing uit het Wilde Bos naar hun eerste Dageraad tuurden.
Van ver over de Grote Rivier, en de Bruine Landen, vele grijze mijlen ver weg, kwam de Dageraad, rood als vuur. Luid schalden de jachthoorns om haar te begroeten. De Ruiters van Rohan kwamen plotseling tot leven. Hoorn antwoordde hoorn opnieuw.
Merijn en Pepijn hoorden, duidelijk in de koude lucht, het hinniken van strijdrossen, en het plotselinge zingen van vele mannen. De zon ging op, een boog van vuur, boven de rand van de wereld. Toen vielen de Ruiters met een schallende kreet uit het oosten aan; het rode licht glansde op hun maliënkolders en speren. De orks gilden en schoten alle pijlen af die zij nog overhadden. De hobbits zagen verscheidene Ruiters sneuvelen; maar op de heuvel en daarachter hield hun slagorde stand, draaide om en viel opnieuw aan. De meeste overvallers die toen nog in leven waren, braken op en vluchtten wijd en zijd, en werden een voor een de dood in gejaagd. Maar één troep, die bij elkaar bleef in een zwarte wig, stormde resoluut voorwaarts in de richting van het woud. Op de helling van de heuvel vielen zij de wachters aan. Nu kwamen zij dichtbij, en het scheen zeker dat zij zouden ontsnappen; zij hadden al drie Ruiters die hun de weg versperden neergehouwen.
‘We hebben te lang toegekeken,’ zei Merijn. ‘Daar is Uglúk! Ik wil hem niet nog eens ontmoeten.’ De hobbits draaiden zich om en vluchtten diep de schaduwen van het bos in.
Zo kwam het dat zij de laatste stellingname niet zagen, toen Uglúk werd ingehaald en vlak aan de rand van Fangorn in het nauw werd gedreven. Daar werd hij ten slotte door Éomer, de Derde Maarschalk van de Mark, die afsteeg en hem met zijn zwaard bevocht, gedood. En over de wijde velden achtervolgden de scherpziende Ruiters de paar orks die waren ontsnapt en nog de kracht bezaten om te vluchten.
Toen, nadat zij hun gesneuvelde kameraden in een grafheuvel hadden gelegd en hun lof hadden gezongen, maakten de Ruiters een groot vuur en verspreidden de as van hun vijanden. Zo eindigde de overval, en geen nieuws erover bereikte ooit Mordor of Isengard, maar de rook van het vuur steeg hoog naar de hemel en werd door vele waakzame ogen gezien.
IV. Boombaard
Ondertussen vervolgden de hobbits hun weg zo snel als het donkere, verwarde bos hun toestond, de lijn van de voortsnellende stroom naar het westen en omhoog de hellingen van de bergen volgend, dieper en dieper Fangorn in. Langzaam nam hun angst voor de orks af, en hun tempo zakte. Een vreemd verstikkend gevoel kwam over hen, alsof de lucht te ijl of te schaars was om in te ademen.
Ten slotte bleef Merijn staan. ‘We kunnen zo niet verdergaan,’ zei hij hijgend. ‘Ik moet wat lucht hebben.’
‘Laten we in elk geval wat drinken,’ zei Pepijn. ‘Ik ben uitgedroogd.’ Hij klauterde op een grote boomwortel die kronkelend in de stroom verdween; hij boog zich voorover en schepte wat water op met zijn handen. Het was helder en koud en hij nam vele teugen. Merijn volgde zijn voorbeeld. Het water verkwikte hen en scheen hun nieuwe moed te geven; een tijdje zaten zij samen aan de rand van de stroom en poedelden met hun pijnlijke voeten en benen in het water, en keken naar de bomen die zwijgend rondom hen stonden, rij na rij, tot ze aan alle kanten in een grijze schemer vervaagden.
‘Ik veronderstel dat je ons niet nu al hebt laten verdwalen,’ zei Pepijn, terwijl hij tegen een grote boomstam achteroverleunde. ‘We kunnen tenminste de loop van deze stroom volgen, de Entwas of hoe je hem noemt, en er op dezelfde manier uitkomen als wij erin zijn gegaan.’
‘Dat zou kunnen, als onze benen het zouden volbrengen,’ zei Merijn, ‘en als we behoorlijk konden ademen.’
‘Ja, het is nogal erg donker en benauwd hier,’ zei Pepijn. ‘Het doet me op de een of andere manier aan de oude kamer in de Grote Burcht van de Toeks in de Smielen van Toekburg denken: een enorme ruimte waar het meubilair in generaties niet was verplaatst of vernieuwd. Men zegt dat de oude Toek er jaar in, jaar uit woonde, terwijl hij en de kamer allebei ouder en havelozer werden – en zij is nooit veranderd sinds zijn dood, een eeuw geleden. En de oude Gerontius was mijn overovergrootvader: dat maakt het nog langer geleden. Maar dat is niets vergeleken bij het gevoel van de oudheid van dit bos. Kijk eens naar al die treurende, bungelende baarden en snorren van mos. En het merendeel van de bomen schijnt voor de helft bedekt met rafelige droge bladeren die nooit zijn afgevallen. Rommelig. Ik kan me niet voorstellen hoe de lente er hier zou uitzien, als zij ooit komt; en een voorjaarsschoonmaak nog minder.’